ECLI:NL:GHARL:2026:4830

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
200.369.479/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige in gezinshuis

De minderjarige staat sinds april 2024 onder toezicht en is sinds oktober 2024 uit huis geplaatst in een gezinshuis. De kinderrechter verlengde de ondertoezichtstelling tot april 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot augustus 2026. De ouders gingen in hoger beroep tegen deze verlengingen en wensen plaatsing bij oma, die pleegzorg kan bieden.

Het hof oordeelt dat de ondertoezichtstelling terecht is verlengd omdat er nog sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en geen redenen zijn om de duur te beperken. De machtiging tot uithuisplaatsing in het gezinshuis wordt eveneens bekrachtigd, omdat de minderjarige nog niet thuis kan wonen en het verblijf in het gezinshuis goed verloopt.

Het hof benadrukt dat het niet aan de rechter is om de GI te verplichten tot plaatsing bij oma, aangezien dit een andere categorie (pleegzorg) betreft dan de gezinsgerichte voorziening waarvoor de machtiging is verleend. Het hof spoort de GI aan om het onderzoek naar de geschiktheid van oma als pleegouder te bespoedigen en alternatieve routes te zoeken om snel duidelijkheid te verkrijgen, gezien de jonge leeftijd van de minderjarige en het belang van tijdige besluitvorming.

De beslissing van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het beroep van de ouders wordt afgewezen. Het hof wijst op het belang van een zorgvuldige afweging van de belangen van de minderjarige bij eventuele overplaatsing.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in het gezinshuis en wijst het beroep van de ouders af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.369.479/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 253387)
beschikking van 23 juli 2026
over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] ,
in de zaak van

1.[verzoeker] (de vader),

die woont in [woonplaats1] ,
2.
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling,
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
die is gevestigd in Leeuwarden,
en
[de gezinshuisouders](de gezinshuisouders),
die wonen op een bij het hof bekend adres.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 19 april 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) verlengd tot 19 augustus 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023. Zij hebben samen het gezag over [de minderjarige] . Na zijn geboorte woonde [de minderjarige] bij de moeder en had hij omgang met de vader.
2.2.
[de minderjarige] staat sinds 19 april 2024 onder toezicht van de GI. In oktober 2024 is [de minderjarige] uit huis geplaatst. Omdat er op dat moment geen mogelijkheid was tot plaatsing in het eigen netwerk, is [de minderjarige] in een gezinshuis geplaatst, waar hij nu nog steeds verblijft. De ouders hebben wekelijks elk een omgangsmoment met [de minderjarige] .

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in het gezinshuis te verlengen met twaalf maanden.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI gedeeltelijk toegewezen. De ondertoezichtstelling is verlengd voor de duur van twaalf maanden, tot 19 april 2027. De machtiging tot uithuisplaatsing in het gezinshuis is verlengd voor de duur van vier maanden, tot 19 augustus 2026, en de beslissing op de resterende duur van het verzoek is aangehouden.
3.3.
Die beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 10 april 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en de termijn van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing beperkt in tijd.
4.2.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 24 mei 2026
  • het journaalbericht namens de ouders van 24 mei 2026 met bijlage(n)
  • de brief van de raad van 4 juni 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • het verweerschrift met bijlage(n);
  • het journaalbericht namens de ouders van 1 juli 2026 met bijlage(n).
4.4.
De zitting bij het hof was op 7 juli 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • drie vertegenwoordigers van de GI
Ter zitting heeft de GI mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota, die zij heeft overgelegd.

5.Het oordeel van het hof

De wet
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. [1] Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling ook verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar. [2]
5.2.
De kinderrechter kan een machtiging geven om een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind. [3] De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt. [4]
Hoe oordeelt het hof?
Ondertoezichtstelling
5.3.
De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] loopt op grond van de bestreden beschikking tot 19 april 2027. Voor zover er is beoogd het hoger beroep mede te laten zien op de ondertoezichtstelling of de duur daarvan, ziet het hof geen reden om het beroep op dat gebied gegrond te verklaren. Door de ouders zijn geen argumenten aangevoerd op basis waarvan het hof zou kunnen concluderen dat er niet langer sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] . Ook hebben de ouders geen omstandigheden genoemd die het passend zouden maken de ondertoezichtstelling in duur te beperken. Het hof heeft ook zelf in het dossier en het gesprek op de zitting geen aanwijzingen gevonden dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging meer is of dat de ondertoezichtstelling korter zou moeten duren. Het hof wijst de verzoeken van de ouders om de verlenging van de ondertoezichtstelling te vernietigen of in tijd te beperken daarom af.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) loopt op grond van de bestreden beschikking tot 19 augustus 2026.
5.5.
Het hof is van oordeel dat de machtiging aan de GI terecht is gegeven. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof zal dit toelichten.
5.6.
Vooropgesteld wordt dat [de minderjarige] nog niet thuis kan wonen. Dit wordt ook niet bestreden door de ouders. Een machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De ouders proberen met hun beroep er voor te zorgen dat [de minderjarige] overgeplaatst wordt van het gezinshuis, waar hij sinds oktober 2024 woont, naar zijn oma aan vaderszijde (oma (vz)).
5.7.
Het hof overweegt dat de rechter in beginsel slechts toetst of aan de gronden voor een (verlening van een) machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige wordt voldaan. Het is dan vervolgens de taak van de GI om uitvoering te geven aan de door de rechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Het is in principe niet de taak van de rechter om aan de GI op te dragen binnen welke setting de uithuisplaatsing van een minderjarige dient te worden gerealiseerd. De ouders kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen aan de kinderrechter voorleggen. Het gaat hier echter niet om de toepassing van de geschillenregeling, maar om een verzoek tot (verlenging van) een machtiging uithuisplaatsing.
5.8.
Als een minderjarige uit huis is geplaatst, bepaalt de GI zoals gezegd – binnen de grenzen van de rechterlijke machtiging – de verblijfplaats van de minderjarige. [5] Hoe ver de machtiging reikt, wordt allereerst bepaald door het verzoek waarin de GI moet vermelden voor welke categorie voorziening de machtiging gevraagd wordt. Binnen de door de GI gekozen categorie kan de kinderrechter dan bijvoorbeeld bepalen dat er in een specifieke locatie moet worden geplaatst, of een specifieke locatie uitsluiten van plaatsing. De kinderrechter kan niet een beslissing nemen die machtigt tot plaatsing in een categorie voorziening waar de GI niet om gevraagd heeft. [6] De bestreden beschikking is verleend op het verzoek van de GI tot plaatsing in een gezinsgerichte voorziening. Plaatsing bij oma zou plaatsing in een andere categorie (pleegzorg) betekenen. Dit is echter niet verzocht en het hof kan daarom ook niet beslissen dat plaatsing bij oma (pleegzorg) dient plaats te vinden.
5.9.
De ouders verzoeken om het verzoek van de GI tot plaatsing in een gezinsgerichte voorziening geheel af te wijzen. Het hof acht dit niet in het belang van [de minderjarige] . Vaststaat dat [de minderjarige] nog niet thuis kan wonen, zodat gehele afwijzing van het verzoek niet in het belang van [de minderjarige] zou zijn. [de minderjarige] verblijft al sinds oktober 2024 in de huidige gezinsgerichte voorziening en het gaat daar goed met hem.
5.10.
Daarnaast verzoeken de ouders om het verzoek van de GI tot plaatsing in een gezinsgerichte voorziening in tijd te beperken. Het hof overweegt dat de rechtbank het verzoek al in tijd beperkt heeft toegewezen, namelijk voor vier maanden, tot 19 augustus 2026. Het hof is van oordeel dat deze verlenging terecht voor slechts vier maanden is toegewezen. Een (nog) kortere verlenging van de machtiging is niet in het belang van [de minderjarige] .
5.11.
[de minderjarige] verblijft al lange tijd in het huidige gezinshuis. Het gaat er goed met hem en hij is er gehecht. Een overplaatsing heeft daarom ingrijpende gevolgen voor hem en de belangen van [de minderjarige] moeten goed worden bekeken. Om uit te zoeken of een overplaatsing naar oma (vz) in het belang van [de minderjarige] is, heeft de GI advies ingewonnen bij de raad en [naam1] ( [naam1] ). De GI is van mening dat het onderzoek van [naam1] ontoereikend is, met name waar het ziet op de mate waarin oma (vz) zich staande zal kunnen houden in de gespannen verhoudingen tussen de ouders en hun netwerken, en of zij voldoende standvastig zal zijn om steeds het belang van [de minderjarige] voorop te stellen. De GI heeft [naam2] ( [naam2] ) bereid gevonden om hier nogmaals onderzoek naar te doen en op dit moment wordt gewacht op een financieringsbeslissing van de gemeente. Het is de GI niet bekend of [naam2] wachtlijsten heeft.
5.12.
Het hof begrijpt dat de GI goed onderzoek wil verrichten in het belang van [de minderjarige] , maar acht de GI hierin onvoldoende voortvarend. Gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige] is er een reëel risico dat een onderzoek, dat pas gestart kan worden na een lange wachtlijstperiode en/of in zichzelf lang duurt, de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] zal gaan doorkruisen. De kinderrechter heeft op 10 april 2026 gekozen voor het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor een termijn van vier maanden en om het verzoek tot verlenging voor het overige aan te houden. De kinderrechter heeft daarbij de GI verzocht om binnen die tijd duidelijkheid te geven over de vraag wat de te verwachten effecten zijn op de ontwikkeling van [de minderjarige] als hij bij oma (vz) wordt geplaatst en om aan te geven of de GI de overplaatsing in het belang van [de minderjarige] vindt. Deze duidelijkheid is er nog niet en de kans dat het onderzoek van [naam2] is afgerond tegen de tijd dat de mondelinge behandeling voor het aangehouden deel wordt voortgezet, is nagenoeg nihil. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof, bijna drie maanden na de beschikking van de kinderrechter, had de GI nog geen inzicht in de te verwachten start, laat staan de duur, van het onderzoek van [naam2] . De tijd waarin er duidelijkheid moet komen voor [de minderjarige] dringt. De verlenging van de machtiging voor vier maanden – en niet een kortere termijn - was nodig om de GI tijd te geven om onderzoek te verrichten. Maar daar staat tegenover dat de machtiging terecht niet voor een langere termijn is verlengd, omdat de aanvaardbare termijn om spoedige duidelijkheid vraagt over of [de minderjarige] bij oma (vz) kan worden geplaatst.
5.13.
Het hof spoort de GI aan andere routes te zoeken om op korte termijn meer inzicht te krijgen in de geschiktheid van oma (vz) als pleegmoeder voor [de minderjarige] . Een alternatief voor het afwachten van het onderzoek van [naam2] zou kunnen zijn het maken van afspraken met oma (vz) waarbij zij (mede) verantwoordelijk wordt voor het coördineren van de omgang tussen [de minderjarige] en zijn ouders (en overige familieleden). Mogelijk kan hierbij ook het (concept)veiligheidsplan gebruikt worden dat is opgesteld door oma (vz), waarnaar verwezen wordt in het beroepschrift van de ouders. Zo kan op laagdrempelige wijze geobserveerd worden of oma (vz) over een langere periode in staat is de belangen van [de minderjarige] voorop te zetten, ook wanneer er binnen zijn netwerk sprake is van conflicterende wensen of belangen. Dit zal tijd en inspanning van oma (vz) vergen en een periode van verhoogde interactie met de GI, maar die tijd en inspanning worden ook van oma (vz) gevraagd als zij de zorg voor [de minderjarige] fulltime zou dragen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 10 april 2026, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Jong-de Goede, mr. J.G. Knot en
mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 23 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:260 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 1:265b lid 1 BW.
4.Artikel 1:265c lid 2 BW.
5.HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948.