ECLI:NL:GHARL:2026:4829

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
200.365.916/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BWArt. 3:34 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging echtscheiding wegens duurzame ontwrichting en afwijzing verzoek hoofdverblijf kinderen

De vader en moeder zijn in 2013 getrouwd en hebben vier minderjarige kinderen. De moeder heeft in april 2025 verzocht om echtscheiding, welke door de rechtbank in december 2025 is toegewezen. De kinderen zijn sinds november 2024 uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld, met verlenging van de uithuisplaatsing tot december 2026.

De vader is in hoger beroep gekomen tegen de echtscheiding en het afwijzen van zijn verzoek om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen na afloop van de uithuisplaatsing. Hij betwist de duurzame ontwrichting en stelt dat de moeder psychische problematiek heeft die haar wil beïnvloedt.

Het hof oordeelt dat de moeder voldoende heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat zij in staat is haar wil te bepalen. De echtscheiding wordt daarom bekrachtigd. Ten aanzien van het hoofdverblijf van de kinderen kan het hof geen beslissing nemen omdat de uithuisplaatsing nog loopt en het perspectiefonderzoek door de gecertificeerde instelling nog niet is afgerond. De samenwerking tussen vader en GI is slecht en de vader heeft momenteel geen omgang met de kinderen.

Het hof wijst het verzoek van de vader af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank. De beslissing is op 23 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de echtscheiding wegens duurzame ontwrichting en wijst het verzoek van de vader af om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.916/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 331753)
beschikking van 23 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. N.R. Breman-Kleine te Zwolle,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. J. de Ruiter te Kampen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI),
die is gevestigd in Zwolle.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Oost-Nederland, locatie Zwolle.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 8 december 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 5 maart 2026;
- een journaalbericht namens de vader van 16 maart 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de moeder met bijlage(n);
- een brief van de GI;
- een bericht namens de vader van 22 juni 2026 met bijlage(n);
- communicatie namens de raad op 23 juni 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
2.2.
[de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn uitgenodigd om met de rechter te komen praten of op
te schrijven wat hun mening is. [de minderjarige1] en [de minderjarige3] wilden dit allebei niet. [de minderjarige2] heeft haar
mening opgeschreven.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 26 juni 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vader met zijn advocaat en de advocaat van de moeder. De moeder en twee vertegenwoordigers van de GI waren vanwege de weersomstandigheden via een videoverbinding aanwezig. Ter zitting heeft de advocaat van de vader mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota, die zij heeft overgelegd.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder zijn [in] 2013 met elkaar getrouwd. Op 10 april 2025 heeft de moeder in een verzoekschrift gevraagd de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 8 december 2025 het verzoek tot echtscheiding toegewezen.
3.2.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2012,
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2014,
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2017, en
- [de minderjarige4] , geboren [in] 2021,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.3.
In november 2024 is de moeder uit de echtelijke woning vertrokken. De kinderen zijn bij de vader in de echtelijke woning achtergebleven. In december 2024 zijn de kinderen op vrijwillige basis in twee gastgezinnen geplaatst, waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] samen zijn gebleven en [de minderjarige3] en [de minderjarige4] ook. Op 6 maart 2025 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en is een machtiging gegeven om hen (formeel) uit huis te plaatsen in een netwerk (pleeg)gezin. De plaatsing van de kinderen is op 18 juli 2025 veranderd naar een plaatsing in een accommodatie jeugdhulp voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , en een plaatsing in een voorziening pleegzorg voor [de minderjarige3] en [de minderjarige4] .
3.4.
Bij beschikking van 3 juni 2026 van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, is de ondertoezichtstelling voor de kinderen verlengd tot 6 juni 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 6 december 2026, waarbij een beslissing over het overige gevraagde deel van de machtigingen tot uithuisplaatsing is aangehouden.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen na afloop van de uithuisplaatsing is afgewezen.
4.2.
De vader is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op het uitspreken van de echtscheiding en de afwijzing van zijn verzoek de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. De vader vraagt de echtscheiding te vernietigen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken of die verzoeken af te wijzen. Mocht de echtscheiding in stand blijven, dan vraagt de vader opnieuw om het hoofdverblijf van de kinderen na afloop van de uithuisplaatsing bij hem te bepalen.
4.3.
De moeder voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en het beroep van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Het hof zal de beschikking van de rechtbank bekrachtigen. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt die na onderzoek tot de zijne en voegt hier het volgende aan toe.
echtscheiding
5.2.
Op grond van artikel 1:151 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de echtscheiding op verzoek van een van de echtgenoten uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Uit de memorie van toelichting bij artikel 1:151 BW Pro volgt dat "als de eisende echtgenoot onder aanvoering van gronden stelt en blijft stellen dat hij, hoe ook, met de gedaagde echtgenoot niet meer kan samenleven, dit door de rechter moet worden opgevat als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van 'duurzame ontwrichting' inderdaad bestaat". (Kamerstukken II 1970/71, 10 213, nr. 9, blz. 2).
5.3.
De vader is van mening dat er geen sprake is van een duurzame ontwrichting, dat de moeder ernstige psychische problematiek heeft en dat zij beïnvloed is door haar familie en de hulpverlening. De moeder heeft ter zitting nogmaals bevestigd dat het haar eigen wens is om te scheiden, dat dit nog steeds haar wens is, en dat ze geen toekomst met de vader ziet.
5.4.
Het hof stelt voorop dat uit het feit dat de moeder in het verleden psychologische begeleiding had en nog steeds heeft, niet kan worden afgeleid dat er sprake is van een zodanige psychische stoornis dat zij niet in staat zou zijn om haar wil te bepalen, zoals bedoeld in artikel 3:34 BW Pro. De vader heeft niet voldoende onderbouwd gesteld in welke mate de psychische gesteldheid van de moeder haar keuzes en uitingen beïnvloed zou hebben en heeft ook niet kunnen uitleggen waarom meer informatie over de periodes waarin de moeder behandeld is, zijn standpunt zou kunnen ondersteunen.
5.5.
Het is het hof niet gebleken dat de moeder niet in staat zou zijn haar wil te bepalen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de moeder ten tijde van het indienen van het verzoek tot echtscheiding of nadien leed of lijdt aan een geestelijke stoornis op grond waarvan zij niet in staat was om haar wil te bepalen. of dat zij dat verzoek gedaan heeft onder invloed van bedreiging of misbruik van omstandigheden. Het hof is van oordeel dat de moeder voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat het huwelijk duurzaam ontwricht is. Sinds haar verzoek tot echtscheiding van 10 april 2025 is haar standpunt hetzelfde gebleven. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder duidelijk verklaard over haar beweegredenen en de bestendigheid van haar wens om te scheiden van de vader. Partijen wonen ook al sinds november 2024 niet meer samen en zij hebben niet of nauwelijks contact.
Het hof acht de ontwrichting, nu deze volgens de moeder nog immer aan de orde is, duurzaam, en zal daarom het uitspreken van de echtscheiding door de rechtbank bekrachtigen.
hoofdverblijfplaats kinderen
5.6.
De vader wil een beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. De rechter neemt op zo’n verzoek een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
5.7.
Vast staat dat de kinderen uit huis zijn geplaats en dus niet bij een van de ouders wonen. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat er in deze procedure niet vooruitgelopen kan worden op het verdere verloop van de uithuisplaatsing en vooral over waar de kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben als de uithuisplaatsing zou eindigen. De uithuisplaatsing is recent verlengd voor de duur van een half jaar, in afwachting van de uitkomst van het perspectiefonderzoek door de GI. Op de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat de samenwerking tussen de vader en de GI niet goed is. De vader houdt zich niet aan veiligheidsafspraken en heeft op dit moment geen omgang met de kinderen.
Het hof kan nu geen beslissing nemen over het hoofdverblijfplaats van de kinderen na afloop van de uithuisplaatsing. Dat is een toekomstige gebeurtenis waar nu niet op vooruitgelopen kan worden.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 8 december 2025.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Leentjes, mr. L. Pieters en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 23 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.