ECLI:NL:GHARL:2026:4825

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
200.361.968/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:395b BWArt. 1:402 BWArtikel 3 Alimentatieverordening nr. 4/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vaststelling kinderalimentatie en onderhoudsbijdrage jong-meerderjarige met wijziging draagkracht en ingangsdatum

De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Overijssel inzake de vaststelling van kinderalimentatie voor twee kinderen, waarvan één jong-meerderjarig. De man en vrouw, beiden van Kameroense nationaliteit, zijn uit elkaar sinds februari 2022. De vrouw verzocht om kinderalimentatie vanaf september 2023, de rechtbank stelde deze vast vanaf juni 2024. De man betwistte de hoogte en ingangsdatum en kwam in hoger beroep.

Het hof beoordeelde de draagkracht van partijen op basis van recente inkomensgegevens tot 2026, rekening houdend met schulden van de man en de zorgkorting. De man heeft een nieuwe relatie met een kind geboren in 2025 en een tweede verwacht in oktober 2026, wat invloed heeft op de verdeling van zijn draagkracht.

Het hof oordeelt dat de ingangsdatum van 7 juni 2024 gehandhaafd blijft, wijzigt de vastgestelde bedragen per periode, houdt rekening met een zorgkorting van 5%, en verdeelt de draagkracht van de man over zijn vier kinderen vanaf november 2026. Tevens wordt rekening gehouden met aflossing van schulden tot augustus 2027. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het hof stelt de onderhoudsbijdragen opnieuw vast met een gedetailleerde berekening per periode.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en stelt de kinderalimentatiebedragen met ingang van 7 juni 2024 opnieuw vast, rekening houdend met draagkracht, schulden en toekomstige gezinsuitbreiding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.968/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 301947)
beschikking van 23 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. C. Niens te Zwolle,
en
[verweerster](de vrouw),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. N.R. Breman-Kleine te Zwolle.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de meerderjarige]( [de meerderjarige] ),
die woont in [woonplaats] .

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 25 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 24 november 2025;
- een journaalbericht namens de man van 12 december 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 22 december 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 23 december 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een brief namens de vrouw van 12 juni 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 15 juni 2026 met bijlage(n), waarin een wijziging van het verzoek is geformuleerd;
- een journaalbericht namens de man van 16 juni 2026 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 25 juni 2026 plaatsgevonden. De man en de vrouw waren aanwezig, met hun advocaten. Mr. Breman-Kleine heeft een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd.

3.De feiten

3.1.
De man en de vrouw hebben beiden de Kameroense nationaliteit.
3.2.
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben tot februari 2022 samengewoond. De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [de meerderjarige] , geboren [in] 2006 in [woonplaats] , en
- [de minderjarige] , geboren [in] 2013 in [woonplaats] .
3.3.
[de meerderjarige] en [de minderjarige] wonen bij de vrouw. De man heeft sinds het uiteengaan van partijen in februari 2022 minimaal (telefonisch) contact met [de meerderjarige] en [de minderjarige] gehad.
[de meerderjarige] en [de minderjarige] zijn op 16 oktober 2023 door de man erkend.
3.4.
De vrouw heeft op 4 september 2023 een verzoek tot vaststelling kinderalimentatie ingediend. De man heeft daartegen op 3 november 2023 een verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken tot gezamenlijk ouderlijk gezag en een omgangs-/zorgregeling ingediend.
3.5.
Uit de huidige relatie van de man is [in] 2025 zoon [naam] geboren. De partner van de man is in verwachting van hun tweede kind. Haar uitgerekende bevaldatum is eind oktober 2026.

4.De omvang van het geschil

4.1.
In geschil in de onderhavige procedure is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dan wel levensonderhoud en studie van [de minderjarige] en [de meerderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie).
4.2.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover relevant, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de meerderjarige] en [de minderjarige] bepaald:
- met ingang van 7 juni 2024 op € 445,- per kind per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 op € 472,- per kind per maand;
- met ingang van 1 september 2025 op € 372,- per kind per maand.
Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.3.
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de hoogte van de onderhoudsbijdragen en komt daarom in hoger beroep. In zijn beroepschrift heeft de man het hof verzocht de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie te vernietigen en te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de meerderjarige] en [de minderjarige] :
- met ingang van 7 juni 2024 € 753,- per maand (ofwel € 376,50 per kind per maand);
- met ingang van 1 januari 2025 € 820,- per maand (ofwel € 410,- per kind per maand);
- met ingang van [datum] 2025 € 681,- per maand (ofwel € 340,50 per kind per maand).
4.4.
De vrouw voert verweer en is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. De vrouw verzoekt het hof het verzoek van de man in het principaal hoger beroep af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking ten aanzien van de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum van de kinderalimentatie per 7 juni 2024 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de kinderalimentatie te bepalen:
- met ingang van 3 september 2023 op € 445,- per kind per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 op € 472,- per kind per maand;
- met ingang van 1 september 2025 op € 372,- per kind per maand.
Daarnaast verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de man verplicht is tot nabetaling van de achterstallige kinderalimentatie vanaf 3 september 2023.
4.5.
De man voert verweer en verzoekt de verzoeken van de vrouw in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.
Wijziging verzoek in hoger beroep
4.6.
De man heeft bij journaalbericht van 15 juni 2026 zijn verzoek in hoger beroep gewijzigd in die zin dat hij thans verzoekt de bestreden beschikking van 25 augustus 2025 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie voor [de meerderjarige] en [de minderjarige] vast te stellen, alsnog af te wijzen, althans een bijdrage vast te stellen die het hof juist acht.
4.7.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De zaak heeft een internationaal karakter omdat de man en de vrouw de Kameroense nationaliteit hebben. Aangezien [de meerderjarige] en [de minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het alimentatieverzoek van de vrouw kennis te nemen (artikel 3, aanhef en sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009)). De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast, waartegen geen grief is geformuleerd. Ook het hof zal daarom uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.
Processuele positie van [de meerderjarige]
5.2.
is [in] 2024 meerderjarig geworden. Hierdoor is de alimentatie die de man voor haar moet betalen van rechtswege omgezet in een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie [artikel 1:395b van het Burgerlijk Wetboek (BW)].
5.3.
De vrouw is rechthebbende op de onderhoudsbijdrage voor [de meerderjarige] tot de dag waarop [de meerderjarige] meerderjarig is geworden. De vrouw is bevoegd en blijft ook na het meerderjarig worden van [de meerderjarige] bevoegd om over de tot bedoelde dag verschuldigde onderhoudsbijdrage te procederen.
5.4.
Vanaf de datum dat [de meerderjarige] meerderjarig is geworden, is echter alleen zijzelf rechthebbende ten aanzien van de onderhoudsbijdrage en dient zij zelf als procespartij op te treden. [de meerderjarige] is om die reden ook in de procedure betrokken. Blijkens de overgelegde stukken is de vrouw gemachtigd om voor en namens de meerderjarige [de meerderjarige] in rechte op te treden in de procedure in hoger beroep.
Procedureel (grief 1)
5.5.
Voor zover de man klaagt over de wijze van totstandkoming van de bestreden beschikking, in het bijzonder over het door de rechtbank buiten beschouwing laten van de door hem op 4 augustus 2025 in het geding gebrachte stukken (ingediend in reactie op de door de vrouw op 17 juli 2025 ingediende aanvullende financiële stukken), heeft hij nu geen belang meer bij behandeling van die grief. Het hoger beroep dient er mede toe eventuele omissies of misslagen die zich hebben voorgedaan in de eerste aanleg, te kunnen herstellen. Omdat het hof nu kennis heeft genomen van deze bij het beroepschrift onder productie P ingebrachte reactie van de man, inclusief de als bijlage overgelegde alimentatierekening, kan de grief van de man zonder verdere gevolgen blijven.
Ingangsdatum
5.6.
Artikel 1:402 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
Van de bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud over een periode in het verleden dient echter behoedzaam gebruik te worden gemaakt, nu in beginsel niet eerder dan vanaf de datum van indiening van een inleidend verzoekschrift daadwerkelijk rekening moet worden gehouden met de financiële gevolgen.
5.7.
De rechtbank heeft de ingangsdatum van de alimentatie bepaald op 7 juni 2024, de datum van een eerder gegeven tussenbeschikking. Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum vast te stellen zoals door de vrouw is verzocht.
5.8.
Het hof stelt vast dat de vrouw in haar op 4 september 2023 bij de rechtbank ingediende verzoek heeft verzocht om de door de man te betalen kinderalimentatie te bepalen op € 300,- per kind per maand. Niet in geschil is dat de man naar aanleiding van dit verzoek vrijwillig, op basis van een eigen berekening, als kinderalimentatie voor [de meerderjarige] en [de minderjarige] vanaf oktober 2023 aan de vrouw meer is gaan voldoen dan zij had verzocht, namelijk in totaal € 677,- per maand.
Verder constateert het hof dat de vrouw pas op 3 juli 2025 haar verzoek heeft gewijzigd en daarbij alsnog met terugwerkende kracht vanaf 3 september 2023 een hogere bijdrage ten behoeve van de kinderen heeft verzocht.
Onder deze omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om de vrouw te volgen in haar grief, voor zover deze betrekking heeft op de periode van 3 september 2023 tot 7 juni 2024, in het bijzonder omdat de man pas vanaf 3 juli 2025 rekening heeft kunnen houden met een mogelijke vaststelling van hogere kinderalimentatie. Hetgeen de vrouw (verder) met betrekking tot de ingangsdatum heeft aangevoerd kan dit oordeel niet anders maken.
Het hof zal dan ook als ingangsdatum van de vast te stellen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de meerderjarige] en [de minderjarige] 7 juni 2024 hanteren, zoals de rechtbank heeft gedaan.
Behoefte van [de meerderjarige] en [de minderjarige]
5.9.
De behoefte van [de meerderjarige] en [de minderjarige] is niet in geschil en staat daarmee vast. Deze behoefte bedraagt in totaal € 1.000,- per maand in 2022. Geïndexeerd naar 2024 is dit, afgerond, € 1.098,- per maand, in 2025 € 1.196,- per maand en in 2026 € 1.223,- per maand.
Draagkracht van partijen
5.10.
De aanbevelingen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatie zullen worden toegepast bij de beoordeling van de draagkracht van partijen.
5.11.
Het hof volgt de vrouw niet in haar standpunt dat voor de berekening van de draagkracht van zowel de man als de vrouw over de periode vanaf oktober 2024 tot en met heden dient te worden uitgegaan van de cijfers over 2024.
Anders dan de rechtbank beschikt het hof over de meest recente gegevens van partijen, namelijk tot in het jaar 2026. Daarom zal het hof, mede gelet op de gewijzigde situatie van partijen, bij de berekening van de kinderalimentatie uitgaan van die recente gegevens.
Inkomen van de vrouw
Jaar 2024
5.12.
Uit de IB-aangifte van de vrouw over 2024 blijkt een bruto jaarinkomen van in totaal
€ 22.193,-. Dit inkomen is niet in geschil. Voor het berekenen van het kindgebonden budget (KGB) gaat het hof uit van dit inkomen, dat leidt tot een KGB van € 5.916,-, zoals ook de rechtbank heeft berekend.
Jaar 2025
5.13.
De man heeft een grief ingesteld ten aanzien van het inkomen van de vrouw over 2025.
5.14.
Nu de vrouw per 10 oktober 2024 een nieuwe baan bij [naam2] heeft gekregen, voor gemiddeld 24 uur per week, is haar inkomen over 2025 substantieel hoger dan in 2024. Het hof zal dan ook voor het jaar 2025 de door de vrouw in hoger beroep overgelegde jaaropgave 2025 tot uitgangspunt nemen, zoals door de man is verzocht. Hieruit blijkt van een fiscaal loon van € 26.165,-.
Jaar 2026
5.15.
Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij in verband met haar studie in 2026 vier uur per week minder is gaan werken en dat haar inkomen en draagkracht daardoor zijn verminderd. De man is van mening dat er geen rekening dient te worden gehouden met deze vermindering, omdat de vrouw daarmee haar verdiencapaciteit niet volledig benut. Volgens de man moet ook nu nog het inkomen van 2025 worden gehanteerd voor het berekenen van de draagkracht van de vrouw.
5.16.
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat haar studie gericht is op verbetering van haar inkomenspositie. In deze omstandigheid ziet het hof voldoende aanleiding om uit te gaan van het nieuwe, lagere inkomen van de vrouw, zoals dit blijkt uit de door haar in hoger beroep overgelegde salarisspecificaties over januari tot en met mei 2026.
Uit die specificaties blijkt van een maandloon van € 1.555,-, te verminderen met premies pensioen, WW Loyalis en WGA Hiaat en te vermeerderen met vakantiegeld van 8%. Rekening houdend met de door de vrouw gemiddeld ontvangen onregelmatigheidstoeslag (ORT) van € 185,- per maand en de eindejaarsuitkering van € 1.548,- (Opbouw EJU
€ 129,53 per maand) becijfert het hof haar bruto jaarinkomen over 2026 op € 23.921,-.
Inkomen van de man
Jaar 2024
5.17.
Het hof zal voor het jaar 2024 de door de man in hoger beroep overgelegde jaaropgave over 2024 tot uitgangspunt nemen, als niet in geschil. Hieruit blijkt van een fiscaal loon van de man over 2024 van € 71.453,-.
Jaar 2025
5.18.
Het bruto jaarinkomen van de man zoals dit blijkt uit de IB-aangifte 2025 is niet in geschil. Dit inkomen bestaat uit een fiscaal (basis)loon van € 68.860,-, incidentele inkomsten van € 7.153,- en een uitkering i.v.m. ouderschapsverlof van € 3.403,-.
Dit komt neer op een totaalbedrag van € 79.416,-.
Jaar 2026
5.19.
Ten aanzien van de door de man in 2025 genoten incidentele inkomsten (€ 7.153,-) heeft de man toegelicht dat hij, om de alimentatie te kunnen blijven betalen en omdat er een baby op komst was, gedurende zes of zeven maanden in de weekenden extra heeft gewerkt, als bezorger bij [naam3] . Dit is niet in geschil.
5.20.
Het hof acht het, gezien de door de man gegeven toelichting, redelijk om deze extra inkomsten niet in aanmerking te nemen bij de berekening van de draagkracht van de man in 2026 nu naar het oordeel van het hof niet van de man kan worden gevergd dat hij naast zijn fulltime baan en de zorg voor zijn gezin in de weekenden blijft werken. Daarom zal voor het jaar 2026, net als bij de vrouw, worden uitgegaan van de door de man in hoger beroep overgelegde salarisspecificaties over januari tot en met mei 2026.
Uit die specificaties blijkt van een bruto maandloon van € 5.788,41, te verminderen met pensioenpremie en te vermeerderen met vakantiegeld van € 4.921,- per jaar en een eindejaarsuitkering (profit sharing) van € 1.155,-. Dit komt neer op een jaarinkomen van € 75.537,-.
Inkomen uit verkoop boek
5.21.
De vrouw heeft nog gesteld dat er naast voormeld inkomen rekening dient te worden gehouden met eventuele inkomsten uit de verkoop van het boek dat de man op 18 september 2025 heeft uitgebracht. De man heeft gesteld dat geen sprake is van daadwerkelijke inkomsten uit de verkoop van het boek nu hij hiervoor ook kosten heeft moeten maken. Het hof is niet gebleken dat het hier gaat om substantiële en structurele inkomsten. Omdat de vrouw geen verdere conclusies heeft verbonden aan haar stelling, laat het hof deze buiten de beschouwing en zal het alleen uitgaan van voornoemd inkomen uit arbeid.
Schulden van de man
5.22.
De man vraagt het hof om bij de berekening van zijn draagkracht rekening te houden met de aflossing op zijn schulden. Hij stelt dat hij in 2024 € 1.009,- per maand en in 2025 € 910,- per maand heeft afgelost en dat hij in 2026 € 599,- per maand aflost. Hij voert aan dat zijn schulden niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn. Ze zijn deels ontstaan op een moment dat partijen nog samen waren en ook zijn ze een gevolg geweest van het uiteengaan van partijen. Partijen gingen namelijk uit elkaar kort nadat de man voor het hele gezin een nieuwe woning had gekocht, waarna de man bleef zitten met de kosten van die aankoop, alsmede met de kosten van herinrichting van de woning. Hiervoor heeft hij leningen moeten afsluiten. Ook heeft hij schulden gemaakt ten behoeve van het afscheid van zijn in Kameroen overleden vader, waarvoor hij als oudste zoon verantwoordelijk was. Verder heeft de man, na een auto-ongeluk, ook nog geld moeten lenen om een auto te kopen die hij nodig had voor zijn werk.
5.23.
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man pas tien dagen voor de zitting in hoger beroep met de schulden is gekomen en dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden omdat deze schulden er ook in 2023 al waren en dat dit nieuwe standpunt van de man gelet op de tweeconclusieregel buiten beschouwing moeten blijven. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat de (aflossing op deze) schulden geen voorrang moeten krijgen op de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn kinderen. De vrouw heeft het bestaan van de schulden, de oorzaak daarvan en de aflossing hierop niet betwist.
5.24.
Het hof gaat er op basis van de verklaringen van de man van uit dat in ieder geval een deel van de schulden niet verwijtbaar tot stand is gekomen, zoals de schulden die het gevolg zijn geweest van het aankopen en inrichten van een nieuwe woning in de tijd dat partijen uit elkaar gingen. Het is voor het hof echter niet duidelijk hoeveel de man destijds heeft moeten lenen zodat ook niet precies kan worden vastgesteld welk deel van de aflossingen hierop ziet. De door de man gestelde noodzaak om later ook geld te lenen voor het afscheid van zijn vader en de aanschaf van een andere auto na een ongeval kan het hof niet goed beoordelen nu de man niet heeft aangetoond hoeveel hij heeft moeten lenen en waarom dit daadwerkelijk tot dat bedrag noodzakelijk was. Daarmee staat voor het hof niet vast dat deze schulden volledig onvermijdelijk waren voor de man. Gelet op het inkomen van de man, de omstandigheid dat hij zes tot zeven maanden elk weekend extra heeft gewerkt om financieel rond te komen en op de geschiedenis van partijen rondom het uiteengaan terwijl net een woning gekocht was en de onderhoudsverplichting van de man in aanmerking nemend, vindt het hof het redelijk om een maandelijkse aflossing van € 300,- als extra noodzakelijke last in aanmerking te nemen. Dat de man in eerste aanleg de schulden niet heeft opgevoerd en in hoger beroep pas op een laat moment een beroep heeft gedaan op het bestaan van deze schulden en zijn daardoor verminderde draagkracht, doet, mede gelet op de aard van de procedure, hieraan niet af. Het late opvoeren van de schulden is ter zitting van het hof uitgebreid besproken. Op dit punt acht het hof de toelichting van de man op de gang van zaken geloofwaardig. Bovendien heeft de vrouw ruimschoots de gelegenheid gehad daarop te reageren.
5.25.
Uit de stukken blijkt verder dat de man op het moment van de zitting nog een resterende schuld heeft van in totaal € 4.392,95 en dat de man nog 14 maanden moet aflossen op zijn schulden. Het hof gaat er daarom van uit dat de man op 1 augustus 2027 schuldenvrij is. Gelet hierop zal het hof vanaf de ingangsdatum van 7 juni 2024 tot 1 augustus 2027 rekening houden met de schulden van de man, voor het bedrag van € 300,- per maand.
Zorgkorting
5.26.
De man verzoekt de zorgkorting op een hoger percentage vast te stellen dan de door de rechtbank bepaalde 5%. Volgens de man valt de vrouw te verwijten dat er geen contact is tussen de man en de kinderen. De man meent dat er een financiële prikkel dient te zijn voor de vrouw om het contact tussen de man en de kinderen tot stand te laten komen. De man verzoekt daarom de zorgkorting vast te stellen op 25%.
De vrouw betwist dat en stelt dat geen rekening moet worden gehouden met een hogere zorgkorting, omdat geen sprake is van omgang tussen de man, [de meerderjarige] en [de minderjarige] . De vrouw heeft in de door haar in geding gebrachte draagkrachtberekeningen een zorgkorting van 5% toegepast.
5.27.
Het hof overweegt als volgt. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Het hof houdt evenals de rechtbank rekening met een zorgkorting van 5% en volgt daarmee de aanbevelingen in het rapport alimentatienormen. Daaruit volgt dat de zorgkorting ten minste 5% van de behoefte bedraagt, omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. Omdat feitelijk al langere tijd geen contact tussen de man, [de meerderjarige] en [de minderjarige] plaatsvindt, draagt de man geen kosten die een hoger percentage rechtvaardigen. Evenmin ziet het hof aanleiding een hoger zorgkortingspercentage toe te passen als financiële prikkel voor de vrouw.
Verdeling van de draagkracht van de man over al zijn kinderen
5.28.
Het uitgangspunt is dat de draagkracht van de onderhoudsplichtige gelijkelijk wordt verdeeld over de kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. Het hof ziet geen aanleiding om daar in de onderhavige situatie anders over te oordelen.
5.29.
Zoon [naam] is geboren [in] 2025. Het hof zal dan ook per die datum rekening houden met de onderhoudsplicht van de man voor [naam] .
5.30.
De man vraagt het hof verder om bij de berekening van zijn onderhoudsverplichting voor [de meerderjarige] en [de minderjarige] rekening te houden met de geboorte van het tweede kind van hem en zijn nieuwe partner, die naar verwachting in oktober 2026 zal plaatsvinden. De vrouw heeft ter zitting van het hof ingestemd met de verdeling van de draagkracht van de man over de kinderen waar hij onderhoudsplichtig voor is. Het hof acht het redelijk om, nu de baby naar verwachting eind oktober zal worden geboren, met ingang van 1 november 2026 rekening te houden met de onderhoudsverplichting van de man voor deze baby.
5.31.
Beide partijen hebben een standpunt ingenomen over de draagkracht van de huidige partner van de man. De man stelt dat uitgegaan moet worden van een minimale draagkracht. Op grond van de door hem in geding gebrachte recente salarisspecificaties constateert het hof dat de partner van de man een beperkt inkomen heeft en dus een minimale draagkracht. De vrouw heeft aangevoerd dat aan de partner van de man een hogere verdiencapaciteit toegekend zou moeten worden, maar heeft hieraan verder geen consequenties verbonden, zodat het hof aan deze stelling voorbij gaat.
5.32.
Op pagina 11 van de bestreden beschikking ziet het hof in de berekening van de verdeling van de kosten van de kinderen in periode 2025-2 dat de rechtbank uitgaat van een behoefte van € 585,- per kind voor [de meerderjarige] en [de minderjarige] en staat bij “onbekend” een bedrag van € 565,- als behoefte vermeld. Hieruit leidt het hof af dat de rechtbank voor [naam] een behoefte van € 565,- in 2025 in aanmerking heeft genomen. Hiertegen is in hoger beroep niet gegriefd, zodat het hof ook van deze behoefte zal uitgaan. Gelet op de beperkte draagkracht van de partner van de man en de hoogte van de behoefte van [naam] is sprake van een tekort aan draagkracht in het huidige gezin van de man. Dit leidt ertoe dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat de man zijn draagkracht gelijkelijk wordt verdeeld over de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is aangezien ook voor [de meerderjarige] en [de minderjarige] sprake is van een tekort aan draagkracht bij de man en de vrouw.
5.33.
Gelet op het voorgaande, zal het hof bepalen dat met ingang van 16 augustus 2025 nog twee derde van de draagkracht van de man beschikbaar is voor de onderhoudsbijdrage ten behoeve [de meerderjarige] en [de minderjarige] . En met ingang van 1 november 2026 zal de draagkracht van de man gelijkelijk worden verdeeld over zijn vier kinderen, zodat de helft van de draagkracht van de man beschikbaar is voor [de meerderjarige] en [de minderjarige] .
Vaststelling bijdragen
5.34.
Gelet op de wijzigingen in de (financiële) omstandigheden van partijen en hetgeen daarover hiervoor is beslist ziet het hof aanleiding berekeningen te maken over de navolgende periodes.
Periode vanaf 7 juni 2024 tot 1 januari 2025
5.35.
Gelet op het voorgaande berekent het hof de draagkracht van de man ten behoeve van de kinderalimentatie in deze periode op € 893,- per maand en de draagkracht van de vrouw op € 258,- per maand. Omdat 7 juni 2024 de ingangsdatum is, zijn hierbij de tarieven van 2024-2 gehanteerd.
Het hof verwijst naar de achter deze beschikking gevoegde draagkrachtberekeningen.
5.36.
De geïndexeerde behoefte van [de meerderjarige] en [de minderjarige] bedraagt in 2024 afgerond € 1.098,- per maand. De draagkracht van de man en de vrouw samen (€ 893,- + € 258,-) van in totaal € 1.151,- per maand is voldoende om volledig in de kosten van [de meerderjarige] en [de minderjarige] te voorzien. Het hof moet vervolgens bepalen wie welk deel van de kosten voor zijn/haar rekening moet nemen.
5.37.
Dit wordt berekend door ieders draagkracht te delen door de totale draagkracht en te vermenigvuldigen met de behoefte:
- het aandeel van de man bedraagt: (€ 893/ € 1.151) x € 1.098 = € 852,-
- het aandeel van de vrouw bedraagt: (€ 258/ € 1.151) x € 1.098 = € 246,-
samen € 1.098,-.
5.38.
Rekening houdend met een zorgkorting van afgrond € 54,- (5% van € 1.098,-) resteert een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 798,-, ofwel € 399,- per kind per maand. Het hof zal dit bedrag toewijzen.
5.39.
Zoals hiervoor reeds overwogen onder 5.2 is de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie voor [de meerderjarige] per [datum] oktober 2024 op grond van artikel 1:395b BW van rechtswege omgezet in een door de man aan [de meerderjarige] verschuldigde bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, in verband met haar meerderjarigheid.
Periode vanaf 1 januari 2025 tot 16 augustus 2025
5.40.
Met ingang van 1 januari 2025 berekent het hof de draagkracht van de man ten behoeve van de kinderen op € 1.046,- per maand en de draagkracht van de vrouw op
€ 392,- per maand. Hierbij zijn de tarieven van 2025-1 gehanteerd.
Het hof verwijst naar de achter deze beschikking gevoegde draagkrachtberekeningen.
5.41.
De geïndexeerde behoefte van [de meerderjarige] en [de minderjarige] bedraagt in 2025 afgerond € 1.196,- per maand. Ook in deze periode is de draagkracht van de man en de vrouw samen (€ 1.046,- + € 392,-) van in totaal € 1.438,- per maand, voldoende om volledig in de kosten van [de meerderjarige] en [de minderjarige] te voorzien.
5.42.
Vergelijking van ieders aandeel in de kosten van [de meerderjarige] en [de minderjarige] leidt tot het oordeel dat:
- het eigen aandeel van de man bedraagt: (€ 1.046 /€ 1.438) x € 1.196 = afgerond € 870,-
- het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: (€ 392 /€ 1.438) x € 1.196 = afgerond € 326,-
samen € 1.196,-.
5.43.
Rekening houdend met een zorgkorting van afgerond € 60,- (5% van € 1.196,-) resteert een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , respectievelijk in de kosten van levensonderhoud en studie van [de meerderjarige] € 810,- per maand, ofwel € 405,- per kind per maand. Het hof zal dit bedrag toewijzen.
Periode vanaf [datum] 2025 tot 1 januari 2026
5.44.
Met ingang van [datum] 2025 (geboorte van [naam] ) berekent het hof de voor [de meerderjarige] en [de minderjarige] beschikbare draagkracht van de man op € 698,- per maand.
5.45.
De man en de vrouw hebben vanaf [datum] 2025 samen niet genoeg draagkracht om in de totale behoefte van [de meerderjarige] en [de minderjarige] van € 1.196,- per maand te voorzien. Het tekort moeten zij ieder voor de helft dragen en daarom zal het hof de zorgkorting van € 60,- niet volledig in mindering brengen op de door de man te betalen bijdrage. Het tekort bedraagt € 106,- en dus de helft van het tekort € 53,-. Het restant van de zorgkorting (€ 60,- minus € 53,-) van € 7,- wordt afgetrokken van het bedrag dat de man moet betalen ten behoeve van [de meerderjarige] en [de minderjarige] (€ 698,- minus € 7,-).
5.46.
Vanaf [datum] 2025 moet de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen betalen van € 691,- per maand, dat is € 345,50 per kind per maand. Het hof zal dit bedrag toewijzen.
Periode vanaf 1 januari 2026 tot 1 november 2026
5.47.
Met ingang van 1 januari 2026 berekent het hof de draagkracht van de man ten behoeve van de kinderen op € 937,- per maand, waarvan twee derde, te weten € 625,-, beschikbaar is voor [de meerderjarige] en [de minderjarige] en de draagkracht van de vrouw op € 191,- per maand. Hierbij zijn de tarieven van 2026-1 gehanteerd.
Het hof verwijst naar de achter deze beschikking gevoegde draagkrachtberekeningen.
5.48.
De man en de vrouw hebben samen niet genoeg draagkracht om in de totale behoefte van [de meerderjarige] en [de minderjarige] van € 1.223,- (na indexatie) te voorzien. Gelet op de hoogte van het tekort kan de man de zorgkorting van afgerond € 62,- (ofwel 5% van € 1.223,-) niet verzilveren.
5.49.
Het vorenstaande betekent dat de man met ingang van 1 januari 2026 zijn volledige beschikbare draagkracht van afgerond € 625,- per maand dient aan te wenden voor de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de meerderjarige] en [de minderjarige] . Dat is € 312,50 per kind per maand. Het hof zal dit bedrag toewijzen.
Periode vanaf 1 november 2026 tot 1 augustus 2027
5.50.
Na de geboorte van het in oktober 2026 te verwachten tweede kind van de man en zijn partner zal de man onderhoudsplichtig zijn voor vier kinderen. Zoals hiervoor bepaald dient de man vanaf 1 november 2026 zijn draagkracht te verdelen over [de meerderjarige] , [de minderjarige] , [naam] en de baby. Daarom zal het hof bepalen dat met ingang van 1 november 2026 nog slechts de helft van de draagkracht van de man beschikbaar is voor kinderalimentatie ten behoeve van [de meerderjarige] en [de minderjarige] , ofwel afgerond € 469,- per maand.
5.51.
Gelet op de hoogte van het tekort aan draagkracht kan de man ook in deze periode de zorgkorting niet verzilveren. Het hof zal de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [de meerderjarige] en [de minderjarige] met ingang van 1 november 2026 dan ook vaststellen op € 234,50 per kind per maand.
Deze bijdrage dient vanaf 1 januari 2027 te worden vermeerderd met de per die datum geldende wettelijke indexering. Evident is immers dat de onderhoudsgerechtigden belang hebben bij toepassing van een indexering gelijk aan de wettelijke indexering en aannemelijk is dat het inkomen van partijen zal meestijgen met de wettelijke indexeringspercentages.
Periode vanaf 1 augustus 2027
5.52.
Nu de man over 14 maanden (te rekenen van de datum van de zitting) schuldenvrij zal zijn, hetgeen draagkracht verhogend is omdat dan de extra noodzakelijke last van de aflossing buiten beschouwing blijft, heeft het hof ook een berekening gemaakt waarin geen rekening wordt gehouden met de aflossing. Daarbij is uitgegaan van de bij het hof bekende financiële gegevens over 2026 en zijn de tarieven van 2026-2 gehanteerd.
Het hof berekent de draagkracht van de man dan op € 1.147,- per maand, welke draagkracht de man dient te verdelen tussen zijn vier kinderen. Dat betekent dat er zodra de man schuldenvrij is voor [de meerderjarige] en [de minderjarige] afgerond € 287,- per kind per maand beschikbaar is.
Deze bijdrage dient te worden vermeerderd met de per 1 januari 2027 geldende wettelijke indexering.
Het hof zal dan ook de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de meerderjarige] en [de minderjarige] met ingang van 1 augustus 2027 stellen op een bedrag van € 287,- per kind per maand, vermeerderd met de wettelijke indexering per 1 januari 2027.
De eventuele nabetalingsverplichting en terugbetalingsverplichting
5.53.
De man heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij tot de datum van de beschikking van de rechtbank (25 augustus 2025) maandelijks € 677,- aan de vrouw betaalde voor [de meerderjarige] en [de minderjarige] . Met ingang van de september 2025 is de man de door de rechtbank vastgestelde onderhoudsbijdrage aan de vrouw gaan voldoen, aldus de man. Tussen partijen is niet in geschil dat de man over de periode tussen 7 juni 2024 en september 2025 te weinig heeft betaald op grond van de beslissing van de rechtbank. Weliswaar stelt het hof nu een lagere onderhoudsbijdrage vast dan de rechtbank, maar er blijft sprake van een achterstand over de genoemde periode omdat de onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] en [de meerderjarige] hoger dan € 677,- per maand wordt. De man is dit bedrag nog verschuldigd aan de vrouw (en deels aan [de meerderjarige] ).
5.54.
Tegelijkertijd heeft de man vanaf 25 augustus 2025 teveel aan de vrouw betaald voor [de meerderjarige] en [de minderjarige] omdat het hof nu lagere onderhoudsbijdragen vaststelt dan de rechtbank. In beginsel geldt dat de vrouw en [de meerderjarige] aan de man moeten terugbetalen wat zij teveel hebben ontvangen. Op grond van de informatie die het hof heeft over de door de man betaalde bedragen, geldt echter dat de achterstand van de man tot 25 augustus 2025 groter zal zijn dan het bedrag dat de vrouw en [de meerderjarige] sindsdien teveel hebben ontvangen. Het hof gaat er op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd van uit dat de man in staat zal zijn de resterende achterstand (dus na verrekening met hetgeen de vrouw en [de meerderjarige] teveel hebben ontvangen) te betalen, al dan niet in termijnen.

6.Slotsom

Het hof zal de beschikking van de rechtbank vernietigen, voor zover het de kinderalimentatie betreft. Het hof zal opnieuw beslissen zoals hieronder nader aangegeven.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 25 augustus 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2013:
- met ingang van 7 juni 2024 tot 1 januari 2025 op € 399,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 tot [datum] 2025 op € 405,- per maand;
- met ingang van [datum] 2025 tot 1 januari 2026 op € 345,50 per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 tot 1 november 2026 op € 312,50 per maand;
- met ingang van 1 november 2026 tot 1 augustus 2027 op € 234,50 per maand, met dien verstande dat de bijdrage in 2027 dient te worden vermeerderd met de wettelijke indexering zoals die zal gelden per 1 januari 2027;
- met ingang van 1 augustus 2027 op € 287,- per maand, vermeerderd met de wettelijke indexering zoals die zal gelden per 1 januari 2027;
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de meerderjarige] , geboren [in] 2006:
- met ingang van 7 juni 2024 tot [datum] 2024 op € 399,- per maand;
bepaalt de door de man aan [de meerderjarige] te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie:
- met ingang van [datum] 2024 tot 1 januari 2025 op € 399,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 tot [datum] 2025 op € 405,- per maand;
- met ingang van [datum] 2025 tot 1 januari 2026 op € 345,50 per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 tot 1 november 2026 op € 312,50 per maand;
- met ingang van 1 november 2026 tot 1 augustus 2027 op € 234,50 per maand, met dien verstande dat de bijdrage in 2027 dient te worden vermeerderd met de wettelijke indexering zoals die zal gelden per 1 januari 2027;
- met ingang van 1 augustus 2027 op € 287,- per maand, vermeerderd met de wettelijke indexering zoals die zal gelden per 1 januari 2027;
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. van der Meulen, mr. E. Leentjes en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 23 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.