Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
- € 129.627,30 inclusief btw aan loon, te vermeerderen met rente
- € 2.071,27 aan buitengerechtelijke incassokosten
De rechtbank heeft ook geoordeeld dat [appellant] de overeenkomst op 19 december 2024 rechtsgeldig heeft opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee kalendermaanden en dat dus de overeenkomst van opdracht is geëindigd op 14 februari 2025.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
- “
- “
Betaling zal plaatsvinden binnen 14 dagen na ontvangst van de factuur bij Opdrachtgever.”
Hierbij bevestigen wij onze afspraken met betrekking tot de beëindiging van onze samenwerking. Na ons gesprek op 2 oktober jongstleden hebben wij gezamenlijk in goed overleg besloten de samenwerking te beëindigen, waarbij het voorstel was dat je deze week (week 40) nog zou uitwerken. Wij begrijpen echter dat je ervoor hebt gekozen om het werk per direct neer te leggen en het bedrijf te verlaten. Zoals besproken, lever je nu op donderdag 3 oktober alle goederen die eigendom zijn van [appellant] in.
Woensdag 13.00 gesprek gevoerd conclusie: dat we niet bij elkaar passen, hierna heeft[ [geïntimeerde] ]
een pauze gehad om de info te laten bezinken.(…)
Na een uur bezinktijd, om ongeveer 14.30 uur opnieuw om tafel gegaan met de conclusie dat we niet verder met elkaar gaan. Hij vroeg wat wij in gedachten hadden, aangegeven dat het idee was om de week 40 uit te werken.[ [geïntimeerde] ]
was direct van overtuigd dat 2 weken tot een maand doorbetaald zou willen hebben, en hij heeft zelf besloten per direct te stoppen, en heeft zijn laptop dicht gedaan en is naar huis gegaan.”
[geïntimeerde] komt na het tweede gesprek met[de bedrijfsleider]
op de afdeling, begint zijn spullen in te pakken. Hij geeft aan vanwege het gebrek aan vertrouwen bij[ [appellant] ]
te stoppen bij[ [appellant] ]
.[ [geïntimeerde] ]
geeft iedereen een hand met bedankt voor de samenwerking (heb nog spullen thuis liggen kom ik morgen brengen).”
Na het gesprek met[de bedrijfsleider]
kwam[ [geïntimeerde] ]
ons kantoor binnen en gaf ons vrijwel snel een hand, deelde mee dat hij dan per direct zou stoppen.(…) [ [geïntimeerde] ]
pakte zijn spullen en is vertrokken.”
Bewijsaanbod [appellant] in hoger beroep
Tussenconclusie
Hierbij bevestigen wij onze afspraken met betrekking tot de beëindiging van onze samenwerking.” In het document van 3 oktober 2024 staat vervolgens “
Na ons gesprek op 2 oktober jongstleden hebben wij gezamenlijk in goed overleg besloten de samenwerking te beëindigen.” [appellant] wilde dat [geïntimeerde] dat document voor akkoord ondertekende. De gebruikte bewoordingen in het document van 3 oktober 2024 duiden niet op een wens van [appellant] om over te gaan tot een formele beëindiging – in de vorm van opzegging of ontbinding – van de overeenkomst, maar alleen op de wens van [appellant] om de overeenkomst van opdracht gezamenlijk te beëindigen.
4.De beslissing
veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 61.800,75, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,”