ECLI:NL:GHARL:2026:4701

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
21-005010-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 38v SrArt. 38w Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en diefstal in vereniging met gevangenisstraf en vrijheidsbeperkende maatregel

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en in hoger beroep verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag op zijn levensgezel en diefstal in vereniging. Het hof acht de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar en verwierp het noodweer-verweer van verdachte.

De bewezenverklaring betreft dat verdachte zijn levensgezel meermalen heeft mishandeld, onder meer met een mes, waarbij zij ernstige verwondingen opliep. Het hof concludeerde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, mede gelet op de aard van het letsel en de omstandigheden. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte samen met een ander kleding heeft gestolen uit een winkel.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het geweldsincident, de aanwezigheid van het zoontje tijdens het geweld, het eerdere justitiële verleden van verdachte en zijn persoonlijkheidsproblematiek. Het hof legde een gevangenisstraf van vier jaren op, een contact- en locatieverbod van vijf jaar en een schadevergoedingsmaatregel van €8.965,45 aan het slachtoffer. Het verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag en diefstal, met een contact- en locatieverbod van vijf jaar en toewijzing van schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005010-23
Uitspraakdatum: 17 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 18 oktober 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-147707-22 en 16-061615-22, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in [plaats] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • veroordeling van verdachte terzake het in de zaak met parketnummer 16-147707-22 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag) en het in de zaak met parketnummer 16-061615-22 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest;
  • oplegging, met dadelijke uitvoerbaarheid, van de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met aangeefster en haar kinderen en een gebiedsverbod voor [plaats] voor de duur van vijf jaren, waarbij per overtreding 14 dagen vervangende hechtenis moet worden toegepast met een maximum van 6 maanden;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] van in totaal
€ 10.635,68, bestaande uit € 635,68 aan materiele schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen mes en de inbeslaggenomen lachgastank;
  • teruggave aan de rechthebbende van de inbeslaggenomen kleding.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.A.Th. Lemmers, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. S. Vermeulen, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 18 oktober 2023, waartegen het hoger beroep is gericht:
- verdachte veroordeeld terzake van het in de zaak met parketnummer 16-14707-22 onder het meer subsidiair tenlastegelegde (poging tot zware mishandeling) en het in de zaak met parketnummer 16-061615-22 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest;
- de maatregel als omschreven in artikel 38v Sr aan verdachte opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van 2 jaren, waarbij per overtreding 2 weken vervangende hechtenis moet worden toegepast met een maximum van 6 maanden. Deze maatregel is door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaard;
- de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van in totaal € 3.250,68, waarvan € 250,68 aan materiele schade een € 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- het inbeslaggenomen mes en de inbeslaggenomen tank lachgas onttrokken aan het verkeer en ten aanzien van de inbeslaggenomen kleding teruggave aan de rechthebbende gelast.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en tot een andere strafoplegging dan de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zaak met parketnummer 16-147707-22:
hij op of omstreeks [datum] te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade van het leven te beroven,
- meermalen, dan wel eenmaal, tegen het hoofd heeft geschopt en/of geslagen, en/of
- meermalen, dan wel eenmaal, met een riem tegen het lichaam heeft geslagen, en/of
- met een stoel tegen het hoofd en/of bovenlichaam heeft geslagen, en/of
- met een mes in de vingers en/of handen en/of benen, in elk geval in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks [datum] te [plaats] aan zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel, te weten beenletsel en/of hoofdletsel en/of handletsel heeft toegebracht door
- meermalen, dan wel eenmaal, tegen het hoofd te schoppen en/of te slaan, en/of
- meermalen, dan wel eenmaal, met een riem tegen het lichaam te slaan, en/of
- met een stoel tegen het hoofd en/of bovenlichaam te slaan, en/of
- met een mes in de vingers en/of handen en/of benen, in elk geval in het lichaam te steken en/of snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks [datum] te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen, dan wel eenmaal, tegen het hoofd heeft geschopt en/of geslagen, en/of
- meermalen, dan wel eenmaal, met een riem tegen het lichaam heeft geslagen, en/of
- met een stoel tegen het hoofd en/of bovenlichaam heeft geslagen, en/of
- met een mes in de vingers en/of handen en/of benen, in elk geval in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks [datum] te [plaats] zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld door
- meermalen, dan wel eenmaal, tegen het hoofd te schoppen en/of te slaan, en/of
- meermalen, dan wel eenmaal, met een riem tegen het lichaam te slaan, en/of
- met een stoel tegen het hoofd en/of bovenlichaam te slaan, en/of
- met een mes in de vingers en/of handen en/of benen, in elk geval in het lichaam te steken en/of snijden.
Zaak met parketnummer 16-061615-22 (gevoegd):
hij op of omstreeks [datum] te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een broek en/of een jas, in elk geval kleding, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-147707-22 primair tenlastegelegde
De raadsvrouw heeft bepleit verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangeefster meermalen met een mes heeft gestoken. Volgens de raadsvrouw zijn de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar omdat zij wisselend en inconsistent heeft verklaard over hetgeen er zou zijn voorgevallen. Deze verklaringen zijn daarom niet bruikbaar voor het bewijs. Omdat de verklaringen van aangeefster en verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan en met name aangeefster volgens de raadsvrouw wisselend heeft verklaard dient verdachte te worden vrijgesproken.
Oordeel van het hof
Net als de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof niet bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de primair impliciet tenlastegelegde poging tot moord.
Voorts is het hof van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Betrouwbaarheid aangeefster
Aangeefster is meermalen gehoord. Ze is op 15 en 17 juni 2022 door de politie gehoord, op 17 november 2022 bij de rechter-commissaris en op 16 maart 2026 bij de raadsheer-commissaris. Ze heeft verklaard dat verdachte haar heeft mishandeld waarbij hij haar (onder andere) met de vuisten in het gezicht heeft geslagen, haar met een riem heeft geslagen en haar tweemaal heeft gestoken/gesneden met een mes.
Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat aangeefster tijdens deze verhoren wisselend en inconsistent heeft verklaard over de avond van het incident. Het hof ziet echter dat deze wisselingen en inconsistenties voornamelijk zien op de manier waarop de ontmoeting tussen verdachte en aangeefster tot stand is gekomen. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster in de kern, waar het gaat om het door verdachte toegepaste geweld, juist consistent zijn en niet tegenstrijdig. Dat de verklaringen van aangeefster op niet-essentiële onderdelen enige inconsistenties vertonen, leidt niet tot een ander oordeel. De inconsistenties zijn naar het oordeel van het hof namelijk van ondergeschikte aard en zien niet op de kern van de tenlastegelegde geweldshandelingen.
Aangeefster heeft een verklaring gegeven over de reden dat ze wisselend heeft verklaard over de aanloop van de avond en de manier waarop ze verdachte heeft ontmoet. Ze zegt daarover dat ze bang was dat haar kinderen uit huis zouden worden geplaatst, wanneer ze contact zou hebben met verdachte wegens een contactverbod tussen hen beiden. Het hof vindt deze verklaring authentiek en geloofwaardig.
Daarnaast is er onafhankelijk bewijs dat het verhaal van het slachtoffer ondersteunt. Dit geldt vooral voor haar verwondingen. Dit bewijs bestaat onder andere uit een medische verklaring over de verwondingen en een mes van de verdachte dat in de hotelkamer is gevonden.
Het letsel dat aangeefster blijkens de letselrapportage van de GGD van 12 juli 2022 heeft opgelopen bestaat uit een snijverwonding aan de buitenzijde van het linker onderbeen
(‘een scherprandige lijnvormige onderbreking met wijkende wondranden, waarbij onderhuids vet zichtbaar is, de wonduiteinde is scherp, dit letsel past het meest bij een snee/steekwond, 8 hechtingen’)en een snijverwonding bij de ringvinger van de rechterhand. Beide letsels passen bij de verklaring van aangeefster dat zij op twee momenten de steek- en snijbewegingen van verdachte met het mes heeft afgeweerd. Eenmaal met haar hand toen verdachte haar in het gezicht wilde steken en eenmaal met haar been toen verdachte met het mes snijbewegingen naar haar buik maakte.
Verder blijkt uit voornoemd letselrapport dat aangeefster bloeduitstortingen, zwellingen en striemen op de borst, het gelaat, de neus en het hoofd heeft opgelopen. Dit letsel past bij de verklaring van aangeefster over het overige door verdachte toegepaste geweld, zoals het slaan met de vuisten en het slaan met een broeksriem.
Daarnaast is op de hotelkamer een mes van verdachte aangetroffen. Ook die omstandigheid ondersteund de verklaring van aangeefster. Dit geldt te meer vanwege de bevindingen van The Maastricht Forensic Institute met betrekking tot het sporenonderzoek aan dit mes. Uit het rapport van dit instituut van 13 augustus 2022 volgt dat op het lemmet van het mes voornamelijk DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met dat van aangeefster, en op het heft van het mes met name DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met dat van verdachte. Dit past bij het scenario van aangeefster dat zij door verdachte met een mes is gestoken/gesneden.
Tegenover de verklaringen van aangeefster staan de verklaringen van verdachte. Die komen er op neer dat aangeefster hem heeft aangevallen en dat hij daarbij door aangeefster met een scherf boven zijn oor is gestoken, waarna hij zich heeft verdedigd. Verdachte ontkent dat hij aangeefster met een mes heeft gestoken. De verwondingen van aangeefster zouden volgens verdachte zijn veroorzaakt, doordat hij zich tegen aangeefster verdedigde. Verdachte zou aangeefster hebben vastgepakt om haar in bedwang te houden, waarbij aangeefster - toen ze ‘rollebollend’ over de grond gingen – gewond is geraakt door de scherven die op de grond lagen.
Naar het oordeel van het hof is dit scenario niet aannemelijk geworden omdat er op de aangetroffen scherven geen bloed is aangetroffen. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat het letsel van aangeefster te verklaren zou zijn doordat zij zich in de worsteling met verdachte aan de scherven zou hebben verwond. Het hof heeft hierbij tevens in aanmerking genomen dat uit de letselverklaring volgt dat er sprake was van een diepe, rechte snijwond.
Het hof constateert bovendien dat de verklaringen van verdachte vragen oproepen nu deze verklaringen op essentiële punten inconsistent zijn.
Zo heeft verdachte tijdens zijn eerste verhoor bij de politie op 15 juni 2022 uit zichzelf helemaal niets gezegd over het feit dat er een mes bij het incident is gebruikt. Hij heeft naar aanleiding van vragen van de politie met betrekking tot het mes alleen verklaard dat hij het mes niet heeft vastgehad. Ter zitting van de rechtbank op 4 oktober 2023 (toen de onderzoeksresultaten van The Maastricht Forensic Institute bekend waren) heeft hij verklaard dat aangeefster hem met het mes wilde steken en hij het mes van haar heeft afgepakt.
Daarnaast wordt de verklaring van verdachte, dat hij door aangeefster met een scherf boven zijn oor is verwond, ontkracht door objectieve bewijsmiddelen.
Zo heeft verdachte ter zitting van het hof verklaard:
‘Ze heeft me gestoken. Ik zag bloed stromen. Ik wist niet hoe groot de verwonding was. Ik had witte schoenen aan. Alles werd rood. Alle artikelen die ik aanhad waren besmeurd met bloed. Alle items zaten onder het bloed’.Op de camerabeelden is echter te zien dat verdachte in een (bijna) smetteloos wit shirt de hotelkamer verlaat. Ook uit onderzoek aan de kleding van verdachte die hij ten tijde van het incident droeg, is niet gebleken dat zijn kleding ‘besmeurd’ was met bloed.
Bovendien is er, zoals hiervoor al overwogen, geen bloed aangetroffen op de scherven die in de hotelkamer lagen.
Tot slot heeft verdachte ontkend dat hij die avond een broeksriem droeg en heeft hij verklaard dat hij na de worsteling met aangeefster als eerste de hotelkamer is uit gevlucht. Uit de verschillende onderzoeken is anders gebleken. Op de eerder genoemde camerabeelden is te zien dat verdachte na aangeefster de hotelkamer verlaat. Verder is uit het onderzoek aan de door verdachte gedragen kleding gebleken dat verdachte deze bewuste avond een broeksriem droeg.
Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig en schuift deze terzijde. Dat verdachte op het moment dat hij werd aangehouden een klein wondje boven zijn oor had maakt dit niet anders. Verdachte is pas drie uur na het incident aangehouden, zodat dit wondje ook op een andere manier kan zijn ontstaan.
Het hof acht de verklaringen van aangeefster dat zij door verdachte is mishandeld dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Poging tot doodslag
Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat verdachte opzet had op de dood van aangeefster. Aan dat vereiste is voldaan als (ten minste) sprake is van voorwaardelijk opzet op dat gevolg. Bij voorwaardelijk opzet gaat het om het willens en wetens aanvaarden van de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg – in casu de dood van aangeefster – zal intreden. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte riep dat hij haar dood ging maken, dat hij met een mes snijbewegingen naar haar buik maakte en dat hij heeft geprobeerd haar in het gezicht te steken. Dankzij het feit dat aangeefster deze stekende/snijdende bewegingen ternauwernood heeft kunnen afweren heeft ze voorkomen dat verdachte haar aldaar raakte.
Bij dit afweren heeft aangeefster letsel opgelopen, bestaande uit een steekwond in haar hand en een forse snijwond in haar been.
De snijwond in haar linker kuit was enkele centimeters lang en diep, waarbij het vetweefsel uitstak. De wond is met 8 hechtingen gedicht. Het hof leidt hieruit af dat verdachte met kracht heeft uitgehaald met een scherp mes.
Bij het steken/snijden heeft verdachte op kwetsbare onderdelen van het lichaam gericht. In het gezicht (en dichtbij het gezicht) en in de buik bevinden zich vitale organen. Dit geldt voor aangeefster temeer nu ze op dat moment 15 weken zwanger was, wat verdachte wist.
De kans dat een steek/snijwond in/nabij het gezicht (hals) en/of de buik de dood tot gevolg heeft, is – naar algemene ervaringsregels – aanmerkelijk. Zeker wanneer er, zoals in dit geval wordt gestoken/gesneden met een keukenmes met, volgens verdachte, een lemmet van ongeveer 8 centimeter. Het hof betrekt in zijn oordeel dat de geweldshandelingen bovendien hebben plaatsgevonden in een kleine ruimte, tijdens een worsteling. Verdachte had hierdoor beperkt controle over hoe en waar hij aangeefster zou raken.
Nu het algemene ervaringsregels betreffen, moet ook verdachte geacht worden van deze aanmerkelijke kans op de hoogte te zijn geweest. De hiervoor beschreven geweldshandelingen van verdachte moeten naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de dood van aangeefster dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.
Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte in voorwaardelijke zin opzet had op de dood van aangeefster.
Gelet op het bovenstaande komt het hof tot een bewezenverklaring van primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Bewijsoverweging in de zaak met parketnummer 16-061615-22
De raadsvrouw heeft bepleit verdachte van de diefstal in vereniging vrij te spreken in verband met onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Volgens de raadsvrouw kan op grond van het dossier niet worden uitgesloten dat de bewuste jas is gestolen door de donkere man met de tatoeage in zijn gezicht van wie verdachte de jas even mocht passen op het moment dat de politie verdachte aansprak. Omdat deze persoon ook lijkt op het signalement dat is doorgegeven door de manager van [bedrijf] is er op grond van het dossier volgens de raadsvrouw op zijn minst twijfel over de betrokkenheid van verdachte zodat vrijspraak zou moeten volgen.
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof merkt daarbij op dat het hof het alternatieve scenario van verdachte - dat hij iemand op straat is tegengekomen met deze jas en dat verdachte deze jas alleen even wilde passen - evenals de rechtbank ongeloofwaardig acht. Het dossier biedt hiervoor geen ondersteuning en verdachte is bovendien ter zitting van de rechtbank pas met deze verklaring gekomen. Daar komt nog eens bij dat – zoals de rechtbank ook al had heeft vastgesteld – in het pleidooi van de raadsvrouw elementen zitten die verdachte in het geheel niet heeft verklaard, te weten dat de persoon van wie verdachte de jas mocht passen een donkere huidskleur had en een tatoeage in het gezicht. Hierdoor mist het verweer dat er sprake kan zijn geweest van een ‘persoonsverwisseling’ feitelijke grondslag.
Het hof acht, evenals de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de winkeldiefstal samen met een ander heeft gepleegd. Uit de aangifte en de camerabeelden blijkt duidelijk dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering. Verdachte en zijn medeverdachte komen kort na elkaar de winkel binnen en gaan naar de herenafdeling. Verdachte pakt een jas en een broek uit een stelling. De medeverdachte overhandigt verdachte vervolgens een tas, en hier doet verdachte de jas en de broek in. Vervolgens passeren zij de kassa zonder de goederen ter betaling aan te bieden, en lopen zij beiden de winkel uit.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-147707-22 primair en in de zaak met parketnummer 16-061615-22 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zaak met parketnummer 16-147707-22:
hij omstreeks [datum] te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- tegen het hoofd heeft geschopt en/of geslagen, en/of
- met een riem tegen het lichaam heeft geslagen, en/of
- met een stoel tegen het hoofd en/of bovenlichaam heeft geslagen, en
- met een mes in de hand en het been heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
zaak met parketnummer 16-061615-22 (gevoegd):
hij op [datum] te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een broek en een jas die aan [bedrijf] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 16-147707-22
De verdediging heeft (subsidiair) aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van aangeefster, waartegen hij zich heeft verdedigd door aangeefster vast te pakken waarbij ze op de grond terecht is gekomen en gewond is geraakt.
Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden. Zoals hiervoor al is overwogen wordt de verklaring van verdachte dat hij door aangeefster met een scherf boven zijn oor is gestoken ontkracht door objectieve bewijsmiddelen.
Het hof leidt uit de door aangeefster afgelegde verklaringen af dat er geen sprake was van een noodweersituatie aan de zijde van verdachte.
Het verweer wordt derhalve verworpen.
Nu geen sprake was van een noodweersituatie van oordeel dat er geen reden bestaat om verdachte van alle rechtsvervolging te ontslaan. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 16-147707-22 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het in de zaak met parketnummer 16-061615-22 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en maatregel
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op de moeder van zijn kind terwijl zij op dat moment 15 weken zwanger was. Verdachte heeft aangeefster in het bijzijn van hun zoontje die destijds 17 maanden oud was (onder andere) meermalen tegen het hoofd geslagen en geschopt, heeft haar met een riem geslagen en hij heeft geprobeerd om aangeefster in het gezicht en haar buik te steken/snijden met een mes. Doordat aangeefster deze steek/snijbewegingen met het mes adequaat heeft afgeweerd is ernstiger letsel voorkomen, maar aangeefster is desondanks gewond geraakt. Uit de stukken volgt dat aangeefster onder andere een diepe snijwond aan haar been heeft opgelopen die in het ziekenhuis is gehecht.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een buitengewoon ernstig misdrijf waarbij de verdachte een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Het feit dat het geweldsincident zich heeft afgespeeld in een gezinssituatie, waarbij hun zoontje aanwezig was is extra kwalijk. Het feit dat verdachte en aangeefster mogelijk op dat moment geen relatie meer hadden, maakt dit niet anders.
Slachtoffers van huiselijk geweld ondervinden in regel nog geruime tijd klachten als gevoelens van angst, schaamte en onveiligheid. Dit blijkt ook zo te zijn bij aangeefster. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat aangeefster tot op heden nog steeds last heeft van depressies, stemmingswisselingen en paniekaanvallen. Aangeefster heeft verklaard dat ze iedere dag bang is dat verdachte haar van het leven zal beroven en dat ze zich nergens veilig voelt. Ook heeft ze door de snijwond nog steeds pijn aan haar been en wordt ze dagelijks geconfronteerd met het grote litteken.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal in vereniging.
Hoewel het zwaartepunt in deze zaak niet bij deze winkeldiefstal ligt hecht het hof eraan op te merken dat dit een zeer hinderlijk en overlastgevend feit is. Verdachte heeft door aldus te handelen er blijk van gegeven het eigendomsrecht van die winkel niet te respecteren. Hij heeft enkel gehandeld uit eigen financieel gewin.
Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van
5 juni 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens (onder andere) geweldsfeiten en vermogensdelicten. Ook is verdachte op 2 maart 2022 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden wegens mishandeling van hetzelfde slachtoffer. Verder blijkt uit het uittreksel dat verdachte ook ná de bewezenverklaarde feiten is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Het hof zal hier op grond van het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht rekening mee houden.
Het hof houdt bij de strafoplegging verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die door verdachte en zijn de raadsvrouw naar voren zijn gebracht ter terechtzitting van het hof en blijken uit de over verdachte opgemaakte rapportages.
Over de persoon van verdachte zijn meerdere rapportages opgemaakt, waaronder een Pro Justitia rapportage (PBC-rapport) en verschillende reclasseringsrapporten.
Uit het PBC-rapport van 27 januari 2023 volgt dat verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek. Desondanks is er vanuit het milieurapport op basis van alle voorhanden zijnde gegevens wel een beeld naar voren gekomen over verdachtes levensloop. Op basis van de verkregen informatie concluderen de deskundigen dat verdachte niet in staat is gebleken om te komen tot een duurzaam en stabiel niveau van functioneren op verschillende belangrijke levensgebieden. Zo kan gesproken worden van langer bestaande problemen op het gebied van wonen, relaties en werken. Naar de mening van de deskundigen is het disfunctioneren op meerdere levensgebieden toe te
schrijven aan elementen in verdachtes persoonlijkheid. De deskundigen zien sterke aanwijzingen voor de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling in het kader van waarschijnlijk persoonlijkheidsproblematiek. Verdergaande conclusies dan dat zijn niet mogelijk gezien het feit dat verdachte zoals gezegd niet heeft willen meewerken.
Uit het meest recente reclasseringsrapport d.d. 14 november 2025 volgt dat er vermoedens zijn van persoonlijkheidsproblematiek, maar dat verdachte nog nooit is gediagnosticeerd. Eerdere reclasseringstrajecten zijn negatief beëindigd en er is nooit een samenwerkingsrelatie met verdachte tot stand gekomen. Vanwege de geconstateerde problemen op het gebied van relaties en houding in combinatie met het justitieel verleden acht de reclassering een hoog risico op recidive en letsel aanwezig. De reclassering ziet echter geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden met daarbij in het kader van slachtofferbescherming een contact- en gebiedsverbod.
Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft willen meewerken aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum omdat hij van mening is dat hij geen dader is maar slachtoffer in deze zaak. Verdachte heeft tevens verklaard dat er bij hem geen sprake is van agressieproblematiek en dat hij het niet nodig vindt om een agressietraining te volgen. Ten aanzien van het door de reclassering geadviseerde contact- en gebiedsverbod heeft verdachte verklaard dat hij dit prima vindt en dat hij afstand doet van aangeefster en de kinderen.
Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf met name gelet op de poging tot doodslag. Gezien de ernst van dit feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en het gegeven dat de verdachte eerder meermalen voor geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld, is het hof van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op de straf die voor soortgelijke gevallen van poging tot doodslag worden opgelegd. Het hof weegt verder mee dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en geen inzicht heeft getoond in de kwalijkheid daarvan.
Omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank zal het hof aan verdachte een hogere straf opleggen dan de rechtbank heeft gedaan.
Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf van vier jaren passend en geboden. De straf zoals geëist door de advocaat-generaal doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het feit.
Het hof constateert dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn welke is gelegen tussen het moment van instellen van het hoger beroep op 30 oktober 2023 en de einduitspraak van het hof op 17 juli 2026. Het hof stelt vast dat er sprake is van een overschrijding van bijna zeven maanden.
Deze overschrijding is echter voornamelijk ontstaan om redenen liggende in de invloedssfeer van verdachte. Zo is de zaak op 17 oktober 2025 toen de zaak voor inhoudelijke behandeling stond gepland aangehouden in verband met ziekte van verdachte en is de zaak op 17 november 2025 aangehouden in verband het verzoek om aangeefster te horen, waarna de zaak is verwezen naar de raadsheer-commissaris. Op 16 maart 2026 is aangeefster gehoord, waarna de zaak voor de inhoudelijke behandeling is gepland op de zitting van 3 juli 2026. Gelet hierop zal het hof aan de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn geen gevolgen verbinden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafvordering
Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en het voorliggende strafdossier is het hof van oordeel dat – ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten – aan verdachte een maatregel die strekt tot de beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Sr moet worden opgelegd, zoals ook geadviseerd door de reclassering in het rapport van 14 november 2025.
Deze vrijheidsbeperkende maatregel houdt in dat verdachte op geen enkele wijze, direct of indirect contact zoekt, maakt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] en haar kinderen [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 3] . Daarnaast legt het hof een locatieverbod op dat inhoudt dat verdachte zich niet begeeft in [plaats] en [plaats] .
Het hof legt het contactverbod en het locatieverbod op voor de duur van vijf jaren. Elke keer dat verdachte zich niet aan deze maatregel houdt, kan vervangende hechtenis voor de duur van twee weken worden toegepast. Daarbij geldt dat de vervangende hechtenis voor een maximale duur van zes maanden kan worden opgelegd en dat toepassing van de vervangende hechtenis verdachte niet ontheft van deze maatregel.
De maatregel zal dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer.
Verdachte heeft immers tijdens zijn detentie in onderhavige zaak tweemaal het contactverbod met aangeefster, wat hem door de rechtbank bij het vonnis waarvan beroep was opgelegd en uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, overtreden door vanuit de penitentiaire inrichting contact te zoeken met aangeefster.

Beslag in de zaak met parketnummer 16-147707-22

Onttrekking aan het verkeer
Onder verdachte is een keukenmes en een lachgastank in beslag genomen.
Het hof zal het keukenmes onttrekken aan het verkeer omdat het bewezenverklaarde is begaan met behulp van het keukenmes, terwijl dat mes van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.
Het hof zal de lachgastank eveneens onttrekken aan het verkeer omdat het bewezenverklaarde is begaan onder invloed van deze drugs en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Teruggave rechthebbende(n)
Het hof zal de teruggave van de inbeslaggenomen kleding aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon gelasten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.575,45 ingediend, bestaande uit een bedrag van € 2.575,45 aan materiele schade en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 3.250,68.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.
Het hof oordeelt als volgt.
Materiele schade
Eigen risico
De benadeelde vordert in totaal een bedrag van € 770,00 aan eigen risico met betrekking tot de ziektekostenverzekering over de jaren 2022 en 2023. Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde als gevolg van verdachtes handelen haar eigen risico heeft moeten betalen voor de jaren 2022 en 2023. De benadeelde partij heeft de posten voldoende onderbouwd in de toelichting op de vordering tot schadevergoeding. Dit deel van de vordering wordt volledig toegewezen.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de benadeelde partij ten tijde van het incident zwanger was en de kosten voor het eigen risico daardoor toch al moest maken. Op 15 juni 2022 had de benadeelde partij de kosten voor het eigen risico nog niet gemaakt zodat deze kosten in een rechtstreeks verband staan met verdachtes handelen.
Eigen bijdrage voor het blijf-van-mijn-lijfhuis
De benadeelde vordert een bedrag van € 681,06 voor de eigen bijdrage bij de opvang in het blijf-van-mijn-lijfhuis. Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde als gevolg van verdachtes gewelddadige handelen een veilig plek heeft gezocht in de vorm van het wonen in een blijf-van-mijn-lijfhuis. Naar het oordeel van het hof is er dan ook sprake van causaal verband. Het hof zal dit deel van de vordering toewijzen.
Reiskosten
De benadeelde vordert een bedrag van € 263,71 voor een NS-abonnement. Aangeefster is na het onderhavige gewelddadige incident gaan wonen in een blijf-van-mijn-lijfhuis, moest om die reden noodgedwongen verhuizen waardoor ze op grote afstand van haar familie, de dokter en het ziekenhuis kwam te wonen. Hierdoor heeft ze op verzoek van haar bewindvoerder een NS-abonnement afgesloten teneinde de reiskosten zoveel mogelijk te beperken. Naar het oordeel van het hof bestaat er voldoende causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en abonnement, zodat het hof deze kosten zal toewijzen.
Kleding
De benadeelde vordert in totaal € 340,00 aan kledingkosten, bestaande uit € 130,00 voor een trainingspak, waarvan ze te ten tijde van het incident de broek droeg, en € 210,00 voor een boxpakje voor haar zoontje.
De rechtbank zal het gevorderde bedrag voor deze schadepost deels toewijzen, nu deze deels betrekking heeft op de kleding die de benadeelde partij ten tijde van het feit aan had, en waarvan uit het dossier volgt dat die kleding (broek) als gevolg van het bewezenverklaarde onbruikbaar is geworden. Gelet op het feit dat niet het gehele trainingspak, maar alleen de broek onbruikbaar is geworden maakt het hof gebruik van haar schattingsbevoegdheid. Het hof schat deze schadepost op € 30,00. Het hof wijst het overige deel van de vordering af.
Het hof zal eveneens de vordering ten aanzien van de kleding van haar zoontje afwijzen. De benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd dat de kleding van haar zoontje door het bewezenverklaarde is beschadigd of onbruikbaar is geworden. Dit blijkt niet uit het dossier en is ook niet op andere wijze onderbouwd.
Littekencrème
Het hof zal het gevorderde bedrag van € 220,68 voor de schadepost Litteken crème
Biodermal toewijzen. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij een groot litteken op haar been heeft overgehouden aan het geweldsincident. Uit de toelichting op het verzoek tot
schadevergoeding volgt dat de benadeelde partij twaalf maanden littekencrème heeft
gebruikt, ter verzorging van dat litteken. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt als gevolg van het
bewezenverklaarde.
Het hof komt daarmee in totaal op € 1.965,45 aan materiële schadevergoeding.
Eigen bijdrage verhuiskosten
Het hof zal de gevorderde eigen bijdrage bij de verhuiskosten ad € 300,00 die gemaakt zijn in verband met de verhuizing van het blijf-van-mijn-lijfhuis naar een eigen woning afwijzen wegens het ontbreken van voldoende causaal verband.
Immateriële schade
De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 aanhef Pro en sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij is door verdachte, haar ex-partner, onder andere tweemaal met een mes gestoken waarbij de benadeelde letsel aan haar been heeft opgelopen waarvan het litteken blijvend is. Uit de onderbouwing van de vordering is duidelijk geworden dat het geweldsincident naast lichamelijk letsel ook psychisch leed met zich heeft gebracht. Om met de psychische gevolgen om te gaan staat de benadeelde partij tot op heden onder behandeling van een psycholoog.
Gebruik makend van de schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW Pro schat het gerechtshof de hoogte van de immateriële schade, gelet op de motivering en de onderbouwing van de immateriële schadepost en wat in vergelijkbare gevallen aan immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, op € 7.000,00. Het hof zal de vordering tot dit bedrag toewijzen.
Voor het overige verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk. Het hof kan niet vaststellen of de gehele door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade direct is veroorzaak door het handelen van verdachte op 15 juni 2022.
Het totaalbedrag van € 8.965,45 zal worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente
vanaf 15 juni 2022.
Kostenveroordeling
Gelet op het bovenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op € 50,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Afwijzing verzoek tot schorsing of opheffen voorlopige hechtenis
De raadsvrouw heeft verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen dan wel de voorlopige hechtenis te schorsen.
Het hof wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af, gelet op de bewezenverklaring en de straf die in hoger beroep aan verdachte wordt opgelegd.
Het verzoek tot schorsing wordt eveneens afgewezen nu door de verdediging geen persoonlijke omstandigheden zijn aangevoerd - anders dan dat de detentie verdachte bijzonder zwaar valt - ter onderbouwing van het schorsingsverzoek waardoor een belangenafweging niet mogelijk is en het algemeen belang van voortduring van de voorlopige hechtenis moet prevaleren.
Wetsartikelen
De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 36b, 36c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 63, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-147707-22 primair en in de zaak met parketnummer 16-061615-22 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-147707-22 primair en in de zaak met parketnummer 16-061615-22 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt opde maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de verdachte voor de duur van vijf jaren zich niet zal begeven in [plaats] en [plaats] .
Legt opde maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de verdachte voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (aangeefster), geboren op [geboortedatum] en haar kinderen [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 3] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: het keukenmes en de lachgastank.
Gelast de
teruggaveaan rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven kleding.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-147707-22 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 8.965,45 (achtduizend negenhonderdvijfenzestig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 1.965,45 (duizend negenhonderdvijfenzestig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 610,00 (zeshonderdtien euro) aan materiële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
50,00 (vijftig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-147707-22 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.965,45 (achtduizend negenhonderdvijfenzestig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 1.965,45 (duizend negenhonderdvijfenzestig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 69 (negenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 juni 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Godthelp, mr. T.H. Bosma en mr. M.C. van Linde, in aanwezigheid van de griffier H. Pool en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 juli 2026.
Mr. Godthelp voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.