ECLI:NL:GHARL:2026:4616

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
21-000420-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor hennepteelt en diefstal van elektriciteit

Verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld voor het telen, verwerken en aanwezig hebben van ongeveer 225 hennepplanten en diefstal van elektriciteit door middel van verbreking. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. Op basis van wettige en overtuigende bewijsmiddelen achtte het hof bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het telen van hennep in een pand en het illegaal aftappen van elektriciteit van Liander door middel van braak en verbreking. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de aard en ernst van de feiten, waaronder de maatschappelijke schade van hennepteelt en de brandgevaarlijke situatie door stroomaftapping. Ook werd de persoonlijke situatie van verdachte meegewogen, waarbij het hof constateerde dat verdachte in het verleden veroordeeld was, maar dat dit niet strafverzwarend woog. De overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en de niet voortvarende behandeling in hoger beroep leidden tot matiging van de straf.

Het hof legde een taakstraf van 75 uren op, subsidiair 37 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. De raadsman van verdachte had verzocht om een geheel voorwaardelijke taakstraf, maar het hof vond dit niet passend gezien de ernst van de feiten. De straf is gebaseerd op de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 75 uur taakstraf, subsidiair 37 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer:21-000420-26
Uitspraakdatum:15 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad,
van 16 juni 2021 met parketnummer 16-204048-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 1 juli 2026 en wat op de zitting van de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. B.A. Bakkeren, naar voren is gebracht.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 16 juni 2021, waartegen het hoger beroep is gericht:
  • verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde (telen van hennep) en 2 tenlastegelegde (diefstal van elektriciteit door middel van verbreking) veroordeeld;
  • aan verdachte een taakstraf opgelegd van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2015 tot en met 09 januari 2017 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 225, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.
2.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2016 tot en met 09 januari 2017 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in de periode van 01 september 2015 tot en met 09 januari 2017 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld, verwerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres] een hoeveelheid van in totaal 225 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2.
hij in de periode van 12 september 2016 tot en met 09 januari 2017 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit, toebehorende aan Liander, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 75 uren, subsidiair 37 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. De overschrijding van de redelijke termijn is in deze strafeis verdisconteerd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het hof primair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de pleegperiode en het moment van bestraffen. In de tussenliggende periode hebben geen nieuwe veroordelingen plaatsgevonden. Verdachte heeft de feiten bekend en vanaf het eerste moment verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Bovendien heeft verdachte alleen gehandeld en ging het om een kleinschalige hennepkwekerij.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennep in zijn woning. Dit is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Het is een feit van algemene bekendheid dat gebruik van de uit hennepplanten verkregen stof de gezondheid van gebruikers kan schaden. Bovendien gaat de kweek van hennep vaak - direct of indirect - gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Verdachte lijkt met de opbrengst van de hennepkwekerij zijn financiële problemen te hebben willen oplossen. Door aldus te handelen heeft hij zijn eigen financiële gewin boven de belangen gesteld die door strafbaarstelling van hennepteelt worden gediend. Om het telen van hennep mogelijk te maken heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan diefstal van stroom door de stroomvoorziening op illegale wijze af te tappen. Hiermee heeft hij niet alleen inbreuk gemaakt op het eigendom van een ander, maar heeft hij ook meegewerkt aan het laten ontstaan van een (brand)gevaarlijke situatie.
Persoon van verdachte
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte van 2 juni 2026. Hieruit volgt dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het gaat om oude feiten en deze wegen daarom niet in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
Over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is weinig bekend geworden, nu de verdachte niet op de zittingen van de politierechter en het hof is verschenen, het dossier hierover weinig informatie bevat en de raadsman op de zitting van het hof hierover slechts beperkte informatie kon geven. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden die invloed zouden kunnen hebben op de op te leggen straf is het hof niet gebleken.
Op te leggen straf
De raadsman heeft het hof verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van het hof doet toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht onvoldoende recht aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde. Dit geldt ook voor het opleggen van een geheel voorwaardelijke taakstraf.
Wel zal het hof bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof stelt vast dat verdachte op 9 januari 2017 in verzekering is gesteld en dat de politierechter op 16 juni 2021 vonnis heeft gewezen. Hierdoor is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van ongeveer twee jaren en vijf maanden. Het hof acht de door de politierechter opgelegde straf in beginsel passend en houdt daarbij tevens rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Het hof stelt verder vast dat verdachte pas op 10 februari 2026 hoger beroep heeft ingesteld en dat op 15 juli 2026 arrest wordt gewezen. Het hof is van oordeel dat de behandeling en afdoening in hoger beroep niet voldoende voortvarend is geweest. Dit is zowel het gevolg van het feit dat het Openbaar Ministerie onvoldoende inspanningen heeft verricht om het verstekvonnis te betekenen als van het feit dat verdachte zich gedurende de gehele tussenliggende periode aan het zicht van justitie heeft onttrokken en zich tot en met de inhoudelijke behandeling bij het hof onvindbaar heeft gehouden. Nu de behandeling en afdoening van de zaak niet met de vereiste voortvarendheid hebben plaatsgevonden, het inmiddels oude feiten betreft en dit niet alleen aan verdachte te wijten is, ziet het hof aanleiding de door de politierechter opgelegde taakstraf te matigen tot 75 uren, subsidiair 37 dagen hechtenis. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient op deze straf in mindering te worden gebracht.
De raadsman heeft op de zitting van het hof toegezegd dat voor de uitvoering van de taakstraf contact kan worden gelegd met zijn kantoorgenoot mr. W.B. Lisi, die als contactpersoon voor verdachte optreedt (adres kantoor Moszkowicz Advocaten: Willem II Singel 70, 6041 HV Roermond, telefoonnummer Moszkowicz Advocaten: +31 (0) 475 – 745114).

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
75 (vijfenzeventig) uren,
indien niet naar behoren verricht te vervangen door
37 (zevenendertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest beslissing is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. L.J. Hofstra en mr. J. Bijlsma,
in aanwezigheid van de griffier mr. J.J. Zieleman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 15 juli 2026.