ECLI:NL:GHARL:2026:4529

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
200.352.943/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 3 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek omgangsregeling wegens onvoldoende stabiliteit vader met drugsproblematiek

De vader en moeder zijn gescheiden ouders van een 8-jarige minderjarige die bij de moeder woont. De vader heeft een geschiedenis van alcohol- en drugsgebruik, psychische problematiek en is betrokken geweest bij huiselijk geweld. Na de scheiding is omgang met de vader sporadisch en onder begeleiding geweest, maar sinds 2023 is er nauwelijks contact.

De rechtbank wees het verzoek van de vader tot omgang af omdat hij onvoldoende kon aantonen dat hij het belang van de minderjarige voorop kon stellen en dat omgang veilig kon plaatsvinden. Het hof liet een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming uitvoeren, die een begeleide omgangsregeling adviseerde met een uitgebreid stappenplan.

Het hof oordeelt dat ondanks het belang van contact met de vader, de huidige situatie van de vader onvoldoende stabiel is. Zijn persoonlijke en psychische problemen, terugval in drugsgebruik en gebrek aan openheid maken het risico op schade voor de minderjarige te groot. De stabiliteit en rust in het leven van de minderjarige moeten worden beschermd.

Daarom wordt het verzoek tot omgang afgewezen. Het hof stelt dat de vader een nieuw verzoek kan indienen zodra hij kan aantonen dat hij stabiel is, geen drugs meer gebruikt en verantwoordelijkheid neemt. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot omgangsregeling af vanwege onvoldoende stabiele situatie van de vader en het belang van de stabiliteit van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.943/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 325570)
beschikking van 14 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. G.J.J. van Dam-Lolkema te Zwolle.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 22 juli 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van de raad van 16 december 2025 over de voortgang van het onderzoek;
- een rapport van de raad van 9 februari 2026;
- een brief namens de vader van 23 februari 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 25 februari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 2 juni 2026 met bijlage(n).
1.3
[de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek. Zij heeft het hof bij schrijven van 20 mei 2026 laten weten dat zij niet met de rechter wil komen praten en haar mening ook niet schriftelijk wil geven.
1.4
Op 19 juni 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.

2.De motivering van de beslissing

2.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is 8 jaar oud en woont bij de moeder, die alleen het gezag over haar heeft. De ouders zijn in 2020 uit elkaar gegaan. De eerste jaren van [de minderjarige] haar leven waren turbulent. Tijdens en in de eerste periode na de relatie van de ouders zijn Veilig Thuis, de politie en justitie betrokken geweest bij het gezin. Er was sprake van huiselijk geweld en stalking van de moeder door de vader. Een aangifte van de moeder tegen de vader wegens mishandeling heeft strafrechtelijk geen vervolg gekregen onder de voorwaarden dat de vader zich onder meer hield aan een contactverbod met de moeder en een verplichte (ambulante) behandeling onderging. Na hun relatiebreuk hebben de ouders meer dan eens geprobeerd via mediation afspraken te maken over [de minderjarige] .
Dat is niet gelukt. De vader staakte steeds het overleg.
2.2
Sinds de geboorte van [de minderjarige] is de vader zowel klinisch als ambulant meermalen onder behandeling geweest vanwege alcohol- en (hard)drugsgebruik (3MMC). Tussentijds was sprake van terugval in gebruik. De vader heeft tot mei 2023 met tussenpozen en onder begeleiding omgang gehad met [de minderjarige] . De vader is eind 2023 in een burn-out geraakt en uit contact gegaan. Met uitzondering van een onverwacht bezoek van de vader aan de BSO van [de minderjarige] in november 2024 heeft [de minderjarige] haar vader al drie jaar niet gezien. De vader wil graag tot contactherstel komen. Gezien de ervaringen in het verleden durft de moeder dat niet aan. Zij heeft geen vertrouwen in de vader en wil [de minderjarige] beschermen tegen nieuwe teleurstellingen.
2.3
De rechtbank heeft het verzoek van de vader afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat de vader onvoldoende had onderbouwd dat het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] in het belang van [de minderjarige] is. De rechtbank oordeelde op 17 februari 2025 dat de vader onvoldoende had laten zien dat hij het belang van [de minderjarige] op dat moment op nummer één kon zetten en dat hij in staat was structureel vorm te geven aan een vorm van omgang met [de minderjarige] . Evenmin had de vader volgens de rechtbank laten zien dat de omgang op een voor [de minderjarige] veilige manier kon plaatsvinden en dat hij de voor [de minderjarige] noodzakelijke veiligheid kon vasthouden. Het lag volgens de rechtbank op de weg van de vader om dit aan de hand van verifieerbare stukken voldoende te onderbouwen, helemaal omdat [de minderjarige] de voorgaande jaren al veel onrust en onduidelijkheid in haar leven had meegemaakt.
2.4
De vader is in hoger beroep gegaan. In zijn tussenbeschikking van 22 juli 2025 heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de (on)mogelijkheden van de door de vader verzochte omgangsregeling met [de minderjarige] en daarover te adviseren. In afwachting van de uitkomsten van het raadsonderzoek heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden.
2.5
De raad heeft op 9 februari 2026 een rapport uitgebracht. In het belang van [de minderjarige] adviseert de raad een begeleide omgangsregeling met de volgende opbouw:
- de moeder meldt zich bij [naam1] met de vraag voor het opzetten van een begeleide omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader;
- de ouders voeren gesprekken met de hulpverlening zodat er een eenduidig verhaal naar [de minderjarige] verteld wordt waarom er de afgelopen jaren geen omgang is geweest en waarom er nu contactherstel zal plaatsvinden. De ouders nemen verantwoordelijkheid naar het eigen netwerk dat ook zij ditzelfde verhaal uitdraagt naar [de minderjarige] ;
- met de hulpverlenende instantie worden afspraken gemaakt hoe het contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] zal plaatsvinden en wat hierin goed is voor [de minderjarige] ;
- er is een begeleide omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader van eens per drie weken op een nader te bepalen dag voor de duur van bijvoorbeeld één uur;
- in overleg met de ouders en de omgangsbegeleider kan er, indien er een positieve ontwikkeling is in de begeleide omgang, gekeken worden welke uitbreiding er mogelijk is van de begeleide omgangsregeling.
De raad adviseert het hof om de behandeling aan te houden voor een periode van negen maanden om de ouders de gelegenheid te geven in de tussenliggende periode hulpverlening in te roepen, waarbij bovenstaande opbouwregeling wordt ingezet.
2.6
Het hof deelt de visie van de raad dat het voor de (identiteits)ontwikkeling van
[de minderjarige] van belang is dat zij een band met haar vader kan opbouwen en onderhouden.
Gezien haar belaste voorgeschiedenis acht het hof het echter minstens zo belangrijk dat
[de minderjarige] duidelijkheid, voorspelbaarheid en rust ervaart in haar dagelijks leven. [de minderjarige]
heeft veel last (gehad) van wat zij in het verleden met de vader heeft meegemaakt en de
spanningen die dit bij de moeder heeft veroorzaakt. Zo is de vader bij herhaling niet
betrouwbaar geweest voor [de minderjarige] . Het lukte hem niet het contact met [de minderjarige] vol te
houden. Ook heeft [de minderjarige] speltherapie gehad vanwege zorgen over haar sociaal emotionele ontwikkeling. Zij heeft daar geleerd om haar emoties beter te reguleren en om te gaan
met gevoelens van afwijzing in relatie tot haar vader. Uit de speltherapie kwam naar voren
dat [de minderjarige] veel baat heeft bij duidelijkheid en structuur. Ten slotte is [de minderjarige] na het onverwachte bezoek van de vader aan de BSO is erg van slag geweest. Het gaat nu goed met [de minderjarige] . Zij heeft sinds januari 2026 vanuit school een kindercoach. De moeder vertelde ter zitting dat [de minderjarige] het afgelopen jaar op school voor het eerst een stijgende lijn in haar ontwikkeling laat zien. De moeder heeft daar echter hard voor moeten werken. Zij en [de minderjarige] zijn van ver gekomen.
2.7
De vader heeft het hof er niet van kunnen overtuigen dat zijn persoonlijke
omstandigheden inmiddels zodanig zijn verbeterd en stabiel genoeg zijn om contactherstel
voor [de minderjarige] op dit moment verantwoord te laten zijn. De vader is, althans was, onder behandeling bij [naam2] die in 2025 complexe PTSS en persoonlijkheids-problematiek bij de vader heeft vastgesteld. De vader zegt wel dat hij daarvoor een heel behandeltraject heeft doorlopen (schematherapie en EMDR) en dat hij daarin positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, maar de resultaten daarvan blijken nergens uit. Net als in eerste aanleg heeft de vader in hoger beroep onvoldoende openheid van zaken gegeven. De zorgen over (het verleden van) de vader maken dat er hoge eisen worden gesteld aan wat hij moet laten zien van zichzelf voordat hernieuwd contact met [de minderjarige] kan worden toegestaan. Ondanks dat de rechtbank duidelijk heeft gezegd dat de vader aan zet is om te laten zien dat hij zijn leven op de rit heeft en structureel beschikbaar kan zijn voor [de minderjarige] , heeft hij in hoger beroep nauwelijks stukken overgelegd om zijn persoonlijke situatie inzichtelijk te maken. Het weinige dat hij wel heeft ingebracht is inmiddels meer dan een jaar oud.
2.8
Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 22 juli 2025 overwogen dat de vader de periode van de aanhouding zou kunnen benutten om te laten zien dat hij de door hem gezette positieve stappen kan vasthouden, dat zijn behandelingen effect hebben en dat hij geen drugs meer gebruikt. Van dit alles heeft het hof niets gezien. Wel is duidelijk geworden dat de vader in ieder geval in oktober 2025 nog weer harddrugs heeft gebruikt. Naar zijn zeggen is dat de laatste keer geweest. Het hof kan dat echter niet controleren.
2.9
Navragen van de raad bij [naam2] op de dag van de zitting leerde dat het behandeltraject bij [naam2] weliswaar is afgesloten, maar dat de vader is doorverwezen naar [naam3] (GGZ) in verband met spanning en angstklachten. Gedurende de wachttijd bij [naam3] blijft de vader onder controle van de psychiater van [naam2] die toezicht houdt op zijn medicatie.
De vader heeft uit eigen beweging niets over dit vervolgtraject gezegd. In reactie op de informatie van de raad zei de vader dat het hem wel verstandig leek om bij [naam3] aan de slag te gaan met zijn spanning en angsten, maar dat hij dit nog even moest aanzien. Het omfloerste antwoord van de vader stelt het hof niet gerust.
2.1
Uit het dossier blijkt verder dat de vader tot voor kort bij zijn moeder woonde en op een wachtlijst voor begeleid wonen stond. Blijkens zijn reactie op het raadsrapport van
9 februari 2026 vond de vader toen nog dat hij ook na afronding van zijn behandeling verdere ondersteuning nodig heeft om stabiel te blijven. Desondanks kwam ter zitting naar voren dat de vader inmiddels ergens zelfstandig woont. Nadere informatie over deze gang van zaken ontbreekt. Het hof vraagt zich af wat maakt dat een begeleide woonplek nu ineens niet meer nodig is voor de vader.
2.11
Tot slot heeft de vader geen dagbesteding of concreet plan in die richting. Hij leidt een betrekkelijk geïsoleerd leven. Sociale contacten roepen veel spanning bij hem op.
2.12
Alles bij elkaar is het hof niet gebleken van een duurzame en stabiele leefsituatie, waarin de vader gedurende een langere periode aantoonbaar vrij is gebleven van middelengebruik en het risico op terugval voldoende is ingeperkt.
2.13
De raad adviseert een heel traject in aanloop naar een begeleide omgangsregeling, waarbij ook nog eens aan allerlei voorwaarden moet worden voldaan. Het door de raad opgetuigde stappenplan geeft wel aan dat het niet makkelijk is om de omgang op een voor [de minderjarige] veilige manier vorm en inhoud te geven. De uitvoering van een en ander zal van alle betrokkenen veel inspanning en energie vragen. Het hof denkt daarbij in het bijzonder aan de moeder, die na alle hectische jaren nog maar relatief kort een zekere mate van rust heeft gevonden met [de minderjarige] . [de minderjarige] is voor haar verzorging en opvoeding volledig afhankelijk van de moeder. De draagkracht van de moeder moet dan ook niet uit het oog worden verloren. Het hof ziet niet voor zich hoe de vader en de moeder tot een eenduidig verhaal richting [de minderjarige] kunnen komen zoals de raad voorschrijft. De ouders hebben zo’n verschillende kijk op wat zich in het verleden heeft afgespeeld dat dat op dit moment een te moeilijke opgave lijkt.
2.14
Na afweging van alle belangen is het hof van oordeel dat de persoonlijke problemen en onduidelijkheden aan de kant van de vader het door de raad geadviseerde intensieve traject tot contactherstel niet haalbaar maken. Bij zoveel onzekerheid over het functioneren van de vader mag de huidige stabiliteit in [de minderjarige] ’s opvoedsituatie niet doorbroken worden. Het hof is van oordeel dat de omgang in de gegeven omstandigheden ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] en in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] (artikel 1:377a lid 3, aanhef en onder a en d van het Burgerlijk Wetboek).
2.15
Tegen de tijd dat de vader kan aantonen dat hij niet meer terugvalt in het gebruik van drugs, dat hij de inzet van hulpverlening blijft accepteren en dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen handelen en de gevolgen daarvan voor [de minderjarige] kan hij een nieuw verzoek tot omgang indienen. Voor het opnieuw aanhouden van de beslissing ziet het hof dan ook geen aanleiding.

3.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als volgt.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel. Locatie Zwolle, van 17 februari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. K.H.P. Selcraig en mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 14 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.