ECLI:NL:GHARL:2026:4506

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
21-000100-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 285 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandelingen, vernielingen, bedreiging en bezit munitie

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 10 juli 2026 het vonnis van de politierechter vernietigd en in hoger beroep opnieuw recht gedaan. Verdachte werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde zware mishandeling, maar veroordeeld voor de subsidiaire mishandeling met zwaar lichamelijk letsel, een tweede mishandeling, twee vernielingen, bedreiging en het bezit van munitie.

De bewezenverklaring steunt op verklaringen van aangevers, getuigen, camerabeelden en medisch forensisch onderzoek. Het hof verwierp de alternatieve scenario’s van verdachte en achtte het bewijs wettig en overtuigend. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. Een eerder opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel werd opgeheven.

De vordering tot schadevergoeding van één benadeelde partij werd grotendeels toegewezen voor immateriële schade van €3.000, terwijl de andere benadeelde partij niet-ontvankelijk werd verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. Het hof hield rekening met het strafblad en persoonlijke omstandigheden van verdachte bij de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf voor mishandelingen, vernielingen, bedreiging en bezit van munitie met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000100-25
Uitspraakdatum: 10 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 10 januari 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-210363-24 en 18-284104-24, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummers 18-173071-23 en 18-044873-22, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van de zitting van het hof van 29 juni 2026 en de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vrijspraak van verdachte van het aan hem in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 1 primair ten laste gelegde;
  • bewezenverklaring van het overige aan verdachte ten laste gelegde;
  • oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest;
  • oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel (te weten een contactverbod jegens aangeefster [benadeelde partij 1] en een locatieverbod voor haar woonadres) voor de duur van 2 jaren;
  • toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van
  • niet-ontvankelijkverklaring van benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vordering;
  • niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-044873-22;
  • afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-173071-23.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman, mr. E.P. Groot, en door de advocaat van de benadeelde partij, mr. A. Faber, is aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 10 januari 2025, waartegen het beroep is gericht, verdachte vrijgesproken van het aan hem in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 1 primair ten laste gelegde. Voor het overig aan hem ten laste gelegde heeft de politierechter verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. De politierechter heeft aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, te weten een contactverbod jegens aangeefster [benadeelde partij 1] en een gebiedsverbod voor haar woonadres, voor de duur van 2 jaren.
Verder heeft de politierechter de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] toegewezen tot een bedrag van € 2.011,93 en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van zijn vordering. De politierechter heeft benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Tot slot heeft de politierechter de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-044873-22 en de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-173071-23 toegewezen.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-210363-24:
1. primair
hij op of omstreeks 2 mei 2024 te [plaatsnaam] aan [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken jukbeen en een gebroken oogkasbodem, heeft toegebracht door deze [benadeelde partij 2] tegen zijn hoofd te slaan en/of stompen en/of trappen;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 2 mei 2024 te [plaatsnaam] [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door deze [benadeelde partij 2] tegen zijn hoofd te slaan en/of stompen en/of trappen terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken jukbeen en een gebroken oogkasbodem ten gevolge heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 26 juni 2024 te [plaatsnaam] [benadeelde partij 3] heeft mishandeld door deze [benadeelde partij 3] in het gezicht te slaan en/of stompen;
3.
hij op of omstreeks 27 juni 2024 te [plaatsnaam] opzettelijk en wederrechtelijk een raam en een (schuif)deur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [instelling] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Zaak met parketnummer 18-284104-24:
1.
hij op of omstreeks 2 september 2024 te [plaatsnaam] , opzettelijk en wederrechtelijk een raam, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij op of omstreeks 4 september 2024 te [plaatsnaam] , [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij 1] dreigend de volgende woorden toe te voegen:
- " ik maak alles en iedereen kapot die jou lief is, moet jij opletten!" en/of
- " Maar echt he, [benadeelde partij 1] , als ik jou zo te pakken krijg he, desnoods sleep ik je twee weken in die eh, eh, eh, douche, he, ga ik je twee weken lang behandelen." en/of
- " Ik vermoord je" en/of
- " Maar ik zweer je, ik maak je kapot, nu. Ik kom er nu aan.",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of door daarbij die [benadeelde partij 1] een afbeelding met daarop een vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een of meerdere stuks munitie te sturen;
3.
hij op of omstreeks 3 september 2024 te [plaatsnaam] , munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten twee centraalvuur kogelpatronen van het kaliber 8 millimeter voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 1 primair ten laste gelegde. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het aan verdachte in de zaak met parketnummer 18-210363-24 (zowel primair als subsidiair) ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe naar voren gebracht dat verdachte heeft verklaard dat aangever [benadeelde partij 2] zichzelf het letsel heeft toegebracht en dat verdachte heeft gehandeld ter verdediging van getuige [getuige] . Zij heeft een onjuiste verklaring van het gebeuren afgelegd en zou gehoord worden door de raadsheer-commissaris. Nu getuige [getuige] niet nader kon worden gehoord in verband met haar overlijden, is er geen sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Ten aanzien van de overige feiten is geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van het hof

Vrijspraak van zware mishandeling [benadeelde partij 2] (18-210363-24, feit 1 primair)
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende duidelijk naar voren komt dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [benadeelde partij 2] . Het hof acht daarom het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bewijsoverweging
18-210363-24, feit 1 subsidiair
Het hof twijfelt niet aan de verklaringen van aangever en getuige [getuige] , die zijn versie van de gebeurtenissen bevestigde, nu deze ook steun vinden in andere bewijsmiddelen (te weten de verklaring van een begeleider bij [instelling] over wat hij kort na de confrontatie heeft waargenomen en een letselbeschrijving van de verwondingen van aangever, zoals waargenomen ten tijde van het onderzoek in het ziekenhuis een dag na het voorval). Het betreft ernstig letsel, namelijk een gebroken jukbeen en een gebroken oogkasbodem. Het alternatieve scenario van verdachte dat aangever [benadeelde partij 2] het letsel aan zichzelf heeft toegebracht door in zijn neus te knijpen vindt geen enkele steun in het dossier en het hof acht dit scenario volstrekt onaannemelijk. Het feit dat getuige [getuige] niet nader kon worden gehoord, staat naar het oordeel van het hof niet in de weg aan een bewezenverklaring.
18-210363-24, feit 2
Het hof overweegt dat het alternatieve scenario dat verdachte schetste bij zijn politieverhoor, namelijk dat aangever [benadeelde partij 3] hem zou aanvallen, wordt weersproken door (de beschrijving van) de camerabeelden van het feit. Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
De overige ten laste gelegde feiten acht het hof wettig en overtuigend bewezen op grond van de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Verdachte heeft deze feiten ook erkend.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen.
Zaak met parketnummer 18-210363-24:
Feit 1
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 mei 2024,
opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer
PL0100-2024172452 d.d. 5 juli 2024, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 2] :
Op donderdag 2 mei 2024 was ik op mijn kamer. Ik verblijf bij de opvang [instelling] op het [adres] in [plaatsnaam] . Ik zat op dat moment, gezien vanaf de zittende positie op de bank, aan de rechterkant van de bank. [getuige] [het hof begrijpt: getuige [getuige] ] stond tegen over mij en [verdachte] [het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ] stond rechts achter mij. Uit het niks voelde ik ineens een hele hard knal tegen de rechterkant van mijn gezicht. Ik voelde een enorme pijn in mijn gezicht. De klap was zo hard dat ik denk dat [verdachte] mij in mijn gezicht geschopt heeft. Vervolgens stond ik op van de bank en ik voelde het bloed uit mijn neus komen stromen. Ik zag dat er veel bloed uit mijn neus op de grond viel. In het ziekenhuis hoorde ik dat mijn oogkas en jukbeen gebroken waren.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 mei
2024, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige] :
Ik zag dat [verdachte] met zijn hand in het gezicht van [benadeelde partij 2] [het hof begrijpt: aangever [benadeelde partij 2] ] sloeg. Ik zag dat [verdachte] een ring droeg aan de hand waar [verdachte] mee sloeg.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 mei 2024, opgenomen op pagina 30 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , sprak met een begeleider die werkzaam was bij [instelling] op het [adres] in [plaatsnaam] . Ik hoorde deze man zeggen dat hij op 2 mei 2024, tijdens dat het feit is gepleegd, aan het werk was. Ik hoorde hem zeggen dat hij naar kamer nummer 7, de kamer van [verdachte] [het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ], was gelopen. Ik hoorde hem zeggen dat hij in die kamer zag staan, [benadeelde partij 2] , [verdachte] en [getuige] . Ik hoorde hem zeggen dat hij bloed zag op het gezicht van [benadeelde partij 2] en dat er bloed lag op de grond. Ik hoorde hem zeggen dat hij had gezien dat [verdachte] bloed van de grond aan het poetsen was. [benadeelde partij 2] was vervolgens langs deze begeleider gelopen naar zijn eigen kamer toe. Ik hoorde de begeleider zeggen dat hij achter [benadeelde partij 2] was aangelopen. Ik hoorde hem zeggen dat hij dus danig in de war was, dat hij op dat moment niet heeft kunnen begrijpen dat er een mishandeling had plaats gevonden.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen) d.d. 24 december 2024, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Gezondheidscentrum [medisch centrum]

Betreft: [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 2] , geb. [geboortedatum] 1961.

Aanvullend onderzoek – CT aangezicht:
Fractuur orbitabodem rechts met enige caudaalwaartse uitpuiling van de orbita inhoud. Tevens fractuur laterale orbitawand rechts, arcus zygomatius rechts.

Forensisch geneeskundig letselverslag GGD [provincie]

Vermoeden van inwendig letsel: ja, gebroken jukbeen en oogkasbodem rechts.

Feit 2
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 juni 2024,
opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij 3]
:
Ik verblijf bij [instelling] aan de [adres] te [plaatsnaam] , dit is een zorginstelling. Hier verbleef [verdachte] ook, hier heb ik [verdachte] leren kennen. Op dinsdag 26 juni 2024 omstreeks 23:45 uur zag ik dat [verdachte] kwam. Hij was aan het mompelen en pakte zo zonder vragen mijn telefoon van het tafeltje en stak deze in zijn broekzak. Inmiddels was het woensdag 26 juni 2024 rond 00:30 uur en ik zag dat [verdachte] weg wilde gaan. Ik ben achter [verdachte] aan gegaan omdat hij mijn telefoon nog steeds had. Ik zag dat [verdachte] zich naar mij toe draaide en mij met zijn vuist hard tegen mijn linkerkaak sloeg.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni
2024, opgenomen op pagina 46 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op vrijdag 28 juni 2024, omstreeks 19:30 uur, bekeek ik, verbalisant [verbalisant 2] , de aangeleverde camerabeelden. Ik zag het volgende op de door mij bekeken beelden. De grote persoon loopt op de kleinere in. De kleinere deinst hierdoor achteruit. Ik bedoel hiermee dat de kleine persoon steeds een paar stappen achteruitloopt, als de grote op hem in komt lopen. Vervolgens beweegt de grote zijn rechterarm naar achteren en beweegt deze vervolgens met kracht in de richting van het gezicht van de kleinere. Hij raakt de kleinere op de linkerzijde van zijn hoofd, ter hoogte van zijn oor.
Feit 3
Het hof volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door de verdediging geen vrijspraak is bepleit.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 juni 2024,
opgenomen op pagina 52 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verbalisant 3]
;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni
2024, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van
verbalisant [verbalisant 2] ;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29
juni 2024, opgenomen op pagina 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring
van verdachte.
Zaak met parketnummer 18-284104-24:
Het hof volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door de verdediging geen vrijspraak is bepleit.
Feit 1
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 september
2024 (met fotobijlage), opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-
Nederland met nummer PL0100-2024240900 d.d. 6 september 2024, inhoudende de
verklaring van [benadeelde partij 1] ;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 september 2024, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de
verklaring van verdachte.
Feit 2
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 3 september 2024, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] ;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2024, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] ;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3
september 2024, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de
verklaring van verdachte.
Feit 3
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2024, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 6] ;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2024, opgenomen op pagina 77 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] ;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3
september 2024, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 18-284104-24 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-210363-24:
1.subsidiair
hij op 2 mei 2024 te [plaatsnaam] [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door deze [benadeelde partij 2] tegen zijn hoofd te stompen terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken jukbeen en een gebroken oogkasbodem ten gevolge heeft gehad;
2.
hij op 26 juni 2024 te [plaatsnaam] [benadeelde partij 3] heeft mishandeld door deze [benadeelde partij 3] in het gezicht te stompen;
3.
hij op 27 juni 2024 te [plaatsnaam] opzettelijk en wederrechtelijk een raam en een schuifdeur die aan [instelling] toebehoorden heeft vernield.
Zaak met parketnummer 18-284104-24:
1.
hij op 2 september 2024 te [plaatsnaam] , opzettelijk en wederrechtelijk een raam dat aan [benadeelde partij 1] toebehoorden heeft vernield;
2.
hij omstreeks 4 september 2024 te [plaatsnaam] , [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde partij 1] dreigend de volgende woorden toe te voegen:
- " Ik maak alles en iedereen kapot die jou lief is, moet jij opletten!"
- " Maar echt he, [benadeelde partij 1] , als ik jou zo te pakken krijg he, desnoods sleep ik je twee weken in die eh, eh, eh, douche, he, ga ik je twee weken lang behandelen."
- " Ik vermoord je."
- " Maar ik zweer je, ik maak je kapot, nu. Ik kom er nu aan.",
en door daarbij die [benadeelde partij 1] een afbeelding met daarop een vuurwapen en meerdere stuks munitie te sturen;
3.
hij op 3 september 2024 te [plaatsnaam] , munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten twee centraalvuur kogelpatronen van het kaliber 8 millimeter voorhanden heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Het in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Het in de zaak met parketnummer 18-284104-24 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Het in de zaak met parketnummer 18-284104-24 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het in de zaak met parketnummer 18-284104-24 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee mishandelingen, waarvan één bij de aangever zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van anderen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan twee vernielingen en hiermee geen enkel respect getoond voor andermans eigendom. Verdachte heeft aangeefster [benadeelde partij 1] bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Hij heeft hiermee bij haar angstgevoelens teweeggebracht. Tot slot heeft verdachte munitie voorhanden gehad. Ongecontroleerd bezit hiervan vormt een onaanvaardbaar risico voor de maatschappij.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 1 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Ook blijkt uit het strafblad dat verdachte na het plegen van onderhavige feiten opnieuw meermaals onherroepelijk is veroordeeld. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof heeft kennisgenomen van een verdachte betreffend reclasseringsrapport van 18 juni 2026. De reclassering schrijft dat verdachte sinds mei 2025 (weer) op de veelplegerslijst staat. In het verleden heeft verdachte gebruik heeft gemaakt van verschillende (forensische) beschermd- en begeleid woontrajecten die vrijwel alle voortijdig negatief zijn beëindigd. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.
Gelet op het voorgaande is, naar het oordeel van het hof, een (deels) voorwaardelijke straf niet passend. Het hof zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
Alles afwegende acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Vrijheidsbeperkende maatregel (contact- en gebiedsverbod)
De advocaat-generaal heeft (voor aangeefster [benadeelde partij 1] ) oplegging gevorderd van een vrijheidsbeperkende maatregel die inhoudt dat verdachte gedurende een periode van 2 jaren geen contact mag opnemen, zoeken of hebben met aangeefster [benadeelde partij 1] en dat hij zich niet in of bij haar woning mag bevinden. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
De advocaat-generaal heeft als onderbouwing van de vordering een proces-verbaal van bevindingen overgelegd waarin mutaties staan opgesomd van confrontaties tussen verdachte en aangeefster [benadeelde partij 1] . Naar het oordeel van het hof vindt de noodzaak voor de maatregel die de advocaat-generaal benadrukt echter onvoldoende steun in dit proces-verbaal. Immers blijkt hieruit dat er na februari 2025 geen meldingen meer zijn gedaan van contacten van verdachte jegens aangeefster.
Gelet hierop is het naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten dat verdachte een contact- en/of gebiedsverbod krijgt opgelegd. Het hof zal daarom geen vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Voor de volledigheid merkt het hof hierbij op dat de dadelijke uitvoerbaarheid tegelijk met de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgeheven.

Beslag

Onder verdachte is een mobiele telefoon (merk Samsung) in beslag genomen en nog niet teruggegeven. Het is onduidelijk wie de rechthebbende van deze mobiele telefoon is. Daarom zal het hof de bewaring van deze telefoon ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.011,93 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 2.011,93. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de oorspronkelijke vordering.
Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof dat onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij de gevorderde reiskosten zelf heeft betaald, nu uit het dossier blijkt dat hij door de begeleiding van [instelling] naar het ziekenhuis is gebracht. Nu het hof niet kan vaststellen dat de benadeelde partij de schade heeft geleden, wijst het hof de vordering tot materiële schade af.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan onder meer een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het verzoek tot schadevergoeding is onderbouwd met een medische verklaring, waaruit blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde een gebroken jukbeen en een gebroken oogkasbodem opliep, en dat hij last had van zwellingen en bloeduitstortingen in het gezicht.
Het hof leidt uit voorgaande af dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, zodat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef Pro en onder b BW in aanmerking komt voor schadevergoeding.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar billijkheid schatten op een bedrag van € 3.000,00, waarbij is gelet op de ernst en de gevolgen van het bewezenverklaarde en op bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend.
Verdachte moet de schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,00 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de oorspronkelijke vordering.
Het hof is van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd om te kunnen vaststellen of de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte, nu wordt aangevoerd dat zij al jaren angstig is voor verdachte. De behandeling van de vordering levert daarmee een onevenredige belasting van de strafprocedure op. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

18-044873-22
In de zaak met parketnummer 18-044873-22 is verdachte op 20 oktober 2022 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke taakstraf opgelegd van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke taakstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
De politierechter heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging. Het hof sluit zich aan bij deze beslissing, neemt deze over en zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.
18-173071-23
In de zaak met parketnummer 18-173071-23 is verdachte op 18 januari 2024 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 10 dagen, met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, omdat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf op 28 oktober 2025 al in een andere strafzaak van verdachte is bevolen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 63, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 18-284104-24 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 18-284104-24 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Heft op de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel van 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contact- en gebiedsverbod.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK GSM (omschrijving, Zwart, merk: Samsung J4, nummer G1730699).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-210363-24 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 mei 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 12 december 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 18 januari 2024, parketnummer 18-173071-23, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen, met een proeftijd van 2 jaren.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 18-044873-22.
Dit arrest is gewezen door mr. A.J. Rietveld, mr. M.C. Fuhler en mr. R.R.H. Laurens, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 juli 2026.