ECLI:NL:GHARL:2026:4454

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
200.365.869/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 827 lid 1 sub f RvArt. 7:266 lid 5 BWArt. 7 lid 1 Brussel II-ter
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdverblijfplaats kinderen en huurrecht echtelijke woning na echtscheiding

De man en vrouw zijn gescheiden en het geschil betreft de hoofdverblijfplaats van hun kinderen en het huurrecht van de echtelijke woning. De rechtbank bepaalde dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en dat zij huurder wordt van de woning. De man ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. Het hof bevestigt dat het ouderschapsplan onvoldoende duidelijkheid biedt over de hoofdverblijfplaats, en dat de zorgregeling feitelijk inhoudt dat de kinderen meer dan de helft van de tijd bij de vrouw verblijven. Financiële motieven van de man wegen niet zwaarder dan het belang van de kinderen.

Ten aanzien van het huurrecht weegt het belang van de vrouw en de kinderen zwaarder dan dat van de man, mede omdat de kinderen meer tijd bij de vrouw doorbrengen en de man geen aantoonbare inspanningen heeft geleverd om alternatieve woonruimte te vinden. De procedurekosten worden door partijen zelf gedragen. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de rechtbankbeslissing dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw blijft en dat zij huurder blijft van de echtelijke woning.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.869
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 578384
beschikking van 9 juli 2026
over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het huurrecht van de echtelijke woning
in de zaak van
[de man]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. C.L. Berkel
en
[de vrouw]die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. J.F.W. Veraar
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
als adviseur van het gerechtshof

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat de vrouw vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster is van de woning van partijen. Het hof zal die beslissingen in stand laten en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn op 4 juli 2019 in [trouwplek] met elkaar getrouwd.
2.2.
De man heeft de Iraakse nationaliteit. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige1] en [minderjarige2] . [minderjarige1] is geboren op [geboortedatum] en [minderjarige2] is geboren op [geboortedatum] .
2.4.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.5.
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 juli 2024 de kinderen voor de duur van de echtscheidingsprocedure toevertrouwd aan de vrouw en bepaald dat de man voorlopig gerechtigd is tot het gebruik van de woning.
2.6.
Het huwelijk van partijen is op 21 april 2026 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2025 in de registers van de burgerlijke stand.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De man en de vrouw hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zowel de man als de vrouw hebben verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem respectievelijk bij haar te bepalen en om het huurrecht van de woning aan het [woonadres] (hierna: de woning) aan hem respectievelijk aan haar toe te kennen. Daarnaast heeft de vrouw verzocht om de inhoud van het ouderschapsplan op te nemen in de beschikking.
3.2.
De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken, bepaald dat de inhoud van het ouderschapsplan onderdeel uitmaakt van de beschikking, een exemplaar van het ouderschapsplan aangehecht aan de beschikking, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald en bepaald dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster is van de woning.
3.3.
Die beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 12 december 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De man is het niet eens met de beschikking van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en over het huurrecht van de woning ongedaan maakt, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem bepaalt en bepaalt dat hij ook na inschrijving van de beschikking van 12 december 2025 huurder zal zijn van de woning.
4.2.
De vrouw is het wel eens met de beschikking van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank in stand laat.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 6 maart 2026
  • het verweerschrift
  • de stukken van de vrouw, ingediend op 8 mei 2026
  • de stukken van de man, ingediend op 22 mei 2026
4.4.
De zitting bij het hof was op 2 juni 2026. Aanwezig waren:
  • de man met mr. L.S. Meijer (als waarnemer voor de advocaat van de man) en een tolk
  • de vrouw met haar advocaat en een tolk
  • een vertegenwoordiger van de raad

5.Het oordeel van het hof

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De man heeft de Iraakse nationaliteit, zodat deze zaak een internationaal karakter heeft. Het hof zal daarom eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
5.2.
Het verzoek over de hoofdverblijfplaats van de kinderen heeft betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid. Gelet op artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter zijn ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid de gerechten van de lidstaat bevoegd op het grondgebied waarvan het kind de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat de kinderen op het moment van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, 12 juli 2024, hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.3.
Op grond van artikel 4 lid 3 sub a van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het huurrecht van de in Nederland gelegen woning.
5.4.
De rechtbank heeft Nederlands recht van toepassing verklaard op de verzoeken. Omdat tegen dit oordeel geen grief is gericht, zal ook het hof bij de beoordeling Nederlands recht tot uitgangspunt nemen.
De hoofdverblijfplaats
Wat staat in de wet?
5.5.
De ouders hebben samen het gezag. De rechter kan op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, omvatten. [1]
Hoe oordeelt het hof?
5.6.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw moet worden bepaald. De beslissing van de rechtbank zal dan ook in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof kan zich vinden in de door de rechtbank gegeven motivering. Het hof neemt die motivering na eigen onderzoek over en voegt daar het volgende aan toe.
5.7.
De man stelt zich op het standpunt dat uit het ouderschapsplan blijkt dat de (hoofd)verblijfplaats van de kinderen zowel bij hem als bij de vrouw is, zodat de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen ten onrechte bij de vrouw heeft bepaald.
Voor het hof is echter niet komen vast te staan dat de ouders in het ouderschapsplan (‘parenting plan’) een keuze hebben gemaakt over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Het ouderschapsplan is daarover onvoldoende duidelijk, nu bij het hoofdverblijf weliswaar de namen van beide partijen wordt genoemd maar dit met een /-teken wordt gesplitst. Dit zou ook kunnen impliceren dat er een keuze gemaakt had moeten worden, wat partijen niet is gelukt nu er geen doorhaling van één van de namen heeft plaatsgevonden. Voor die uitleg vindt het hof steun in de procedure in eerste aanleg. Zo blijkt uit de echtscheidingsbeschikking dat ouders het eens zijn geworden over het ouderschapsplan, maar niet over het hoofdverblijf van de kinderen. Dit staat in rechtsoverweging 3.6, waaruit blijkt dat de man één kind bij hem ingeschreven wil hebben om financiële redenen en de vrouw beide kinderen bij haar ingeschreven wil hebben. Dat partijen geen overeenstemming hadden over het hoofdverblijf, blijkt ook uit het bericht van de advocaat van de man van 6 maart 2025 aan de rechtbank, waarin staat:
“Bijgaand treft u aan een F9-formulier met het verzoek datum en tijdstip vast te stellen voor een nog in te plannen zitting, dit nupartijen weliswaar een ondertekend ouderschapsplan hebben opgesteld maar geen regeling hebben getroffen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen.”Als de man of zijn advocaat daadwerkelijk van mening waren dat er overeenstemming was over het hoofdverblijf, had het in de rede gelegen dat standpunt ook al bij de rechtbank in te nemen of in ieder geval een deugdelijke verklaring te geven in onderhavige procedure voor het thans innemen van het tegenovergestelde standpunt. Dat is niet gebeurd. Naar het oordeel van het hof blijkt aldus niet uit het ouderschapsplan dat partijen overeenstemming hebben over het hoofdverblijf van de kinderen.
5.8.
De man stelt zich daarnaast op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de kinderen meer dan de helft van de tijd bij de vrouw verblijven en door haar worden verzorgd. In de door de ouders overeengekomen zorgregeling hebben zij afgesproken dat de kinderen per week vier dagen bij de vrouw verblijven en drie dagen bij de man, zodat het zwaartepunt van de zorg feitelijk bij de vrouw ligt. Dit laat onverlet dat de man nu ook een groot deel van de zorgtaken voor zijn rekening neemt (en in die zin sprake is van een co-ouderschap). Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat deze regeling wordt uitgevoerd zoals overeengekomen. Dat de vrouw de man wel eens vraagt om de kinderen ook op andere momenten op te vangen, zoals de man tijdens de zitting heeft gesteld, maakt het voorgaande niet anders. Immers, van een ouder kan worden verwacht dat hij of zij zich flexibel opstelt in de uitvoering van een zorgregeling, zonder dat dit meteen tot gevolg heeft dat de zorgtaken structureel worden gewijzigd.
5.9.
De door de man gestelde financiële redenen zijn zonder andere bijkomende belangen voor het hof onvoldoende reden voor een ander oordeel. Geschillen over de financiering en de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding moeten primair via het alimentatierecht en overleg tussen de ouders beslecht worden.
Het huurrecht
Wat staat in de wet?
5.10.
In geval van echtscheiding kan de rechter op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. De rechter bepaalt daarbij ook de dag van ingang van de huur met deze echtgenoot. Op dezelfde dag eindigt de huur met de andere echtgenoot. [2]
5.11.
Voor de toewijzing van het huurrecht van de woning aan één van partijen dient door het hof een afweging van de belangen van elk van de partijen te worden gemaakt.
Hoe oordeelt het hof?
5.12.
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het belang van de vrouw (en de kinderen) bij het huurrecht van de woning zwaarder weegt dan het belang van de man, zodat de vrouw de huurder van de woning dient zijn. De beslissing van de rechtbank zal dan ook in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof kan zich vinden in de door de rechtbank gegeven motivering. Het hof neemt die motivering na eigen onderzoek over en voegt daar het volgende aan toe.
5.13.
De man stelt zich op het standpunt dat zijn belang bij het huurrecht zwaarder weegt dan dat van de vrouw, omdat hij geen andere woonruimte ter beschikking heeft en een noodgedwongen vertrek uit de woning zou leiden tot een ernstige verstoring van de bestaande zorgregeling. Zoals de rechtbank echter al heeft overwogen en de raad tijdens de zitting bij het hof heeft benadrukt, zal ook de vrouw op zoek moeten naar andere woonruimte, mocht het huurrecht niet aan haar worden toegekend. Van belang is dat de kinderen de ruimte hebben om te spelen, zeker in het weekend wanneer zij niet naar school gaan en volgens het ouderschapsplan altijd bij de vrouw zijn. Die ruimte hebben ze op dit moment niet bij de vrouw, zodat het heel onwenselijk voor de kinderen is dat die woonsituatie nog langer duurt. Voor het hof is dan ook voldoende duidelijk dat de ouder aan wie het huurrecht niet wordt toegekend binnen afzienbare tijd op zoek moet naar een nieuwe woonruimte. Omdat de kinderen, gelet op de bestaande zorgregeling, meer dan de helft van de tijd bij de vrouw verblijven, waaronder in de weekenden, weegt het belang van de vrouw en de kinderen bij het huurrecht van de woning zwaarder dan dat van de man.
Daarbij vindt het hof mede van belang dat niet is gebleken dat de man zich sinds de beschikking van de rechtbank heeft ingezet om een andere woonruimte te vinden en dat de man binnen een groter zoekgebied vanaf het centrum van het leven van de kinderen kan zoeken naar een andere woning zonder dat dit van invloed hoeft te zijn op de zorgregeling omdat hij, anders dan de vrouw, een auto bezit. Dat de beslissing van de rechtbank, zoals de man stelt, mogelijk niet uitvoerbaar is omdat de vrouw bij de woningbouwvereniging op een ‘zwarte lijst’ staat, is niet gebleken. Dat de woning voor de man belangrijk is vanwege problemen met zijn knie, is onvoldoende onderbouwd en doet er niet aan af dat het hof grotere waarde toekent aan het belang van de kinderen.
5.14.
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Zoals de raadsvertegenwoordiger tijdens de zitting heeft benadrukt en hiervoor ook is overwogen kan de geldende zorgregeling, gelet op de verdeling van de zorgtaken, worden aangemerkt als een co-ouderschapsregeling. De man zou daarom kunnen navragen c.q. onderzoeken of hij in aanmerking komt voor een urgentieverklaring om zijn zoektocht naar een nieuwe woning te bespoedigen.
De proceskosten
5.15.
Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten), omdat partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure gaat over de hoofdverblijfplaats van hun kinderen en het huurrecht van de voormalige echtelijke woning.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 december 2025 ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en het huurrecht;
6.2.
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, D.J.M. van de Voort en L.R. Davila Talavera, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is uitgesproken op 9 juli 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:253a BW
2.artikel 827 lid 1 sub f Rv Pro in verbinding met artikel 7:266 lid 5 BW Pro