Uitspraak
advocaat: mr. J.F.W. Veraar
1.Samenvatting
2.De feiten
3.De procedure bij de rechtbank
4.De procedure bij het hof
- het beroepschrift, ontvangen op 6 maart 2026
- het verweerschrift
- de stukken van de vrouw, ingediend op 8 mei 2026
- de stukken van de man, ingediend op 22 mei 2026
- de man met mr. L.S. Meijer (als waarnemer voor de advocaat van de man) en een tolk
- de vrouw met haar advocaat en een tolk
- een vertegenwoordiger van de raad
5.Het oordeel van het hof
“Bijgaand treft u aan een F9-formulier met het verzoek datum en tijdstip vast te stellen voor een nog in te plannen zitting, dit nupartijen weliswaar een ondertekend ouderschapsplan hebben opgesteld maar geen regeling hebben getroffen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen.”Als de man of zijn advocaat daadwerkelijk van mening waren dat er overeenstemming was over het hoofdverblijf, had het in de rede gelegen dat standpunt ook al bij de rechtbank in te nemen of in ieder geval een deugdelijke verklaring te geven in onderhavige procedure voor het thans innemen van het tegenovergestelde standpunt. Dat is niet gebeurd. Naar het oordeel van het hof blijkt aldus niet uit het ouderschapsplan dat partijen overeenstemming hebben over het hoofdverblijf van de kinderen.
Daarbij vindt het hof mede van belang dat niet is gebleken dat de man zich sinds de beschikking van de rechtbank heeft ingezet om een andere woonruimte te vinden en dat de man binnen een groter zoekgebied vanaf het centrum van het leven van de kinderen kan zoeken naar een andere woning zonder dat dit van invloed hoeft te zijn op de zorgregeling omdat hij, anders dan de vrouw, een auto bezit. Dat de beslissing van de rechtbank, zoals de man stelt, mogelijk niet uitvoerbaar is omdat de vrouw bij de woningbouwvereniging op een ‘zwarte lijst’ staat, is niet gebleken. Dat de woning voor de man belangrijk is vanwege problemen met zijn knie, is onvoldoende onderbouwd en doet er niet aan af dat het hof grotere waarde toekent aan het belang van de kinderen.