Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
advocaat: mr. K.R. Koopman
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift, ingekomen op 6 januari 2026, met bijlagen;
- het verweerschrift met bijlagen;
- een journaalbericht van mr. Koopman van 15 april 2026 met bijlage;
- een journaalbericht van mr. Koopman van 8 juni 2026 met bijlagen;
- een journaalbericht van mr. Van Stralen van 16 juni 2026 met bijlagen.
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
- primairde bestreden beschikking te vernietigen voor zover die betrekking heeft op het gezag, en het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] , alsnog af te wijzen;
- subsidiairanderszins te oordelen zoals het hof juist acht.
5.De motivering van de beslissing
Daar staat tegenover dat de vader betrokken is bij het leven van [de minderjarige] . Er is een zorgregeling afgesproken op basis waarvan de vader heel regelmatig contact heeft met [de minderjarige] , en die regeling verloopt goed. Op de zitting hebben beide ouders gezegd dat [de minderjarige] het heel fijn vindt om bij de vader te zijn. Wanneer een ouder zo intensief betrokken is bij de verzorging en opvoeding van zijn kind, acht het hof het in beginsel passend dat deze ouder ook het gezag heeft. Dat de vader de moeder belemmert bij het nemen van (gezags)beslissingen heeft de moeder, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader, onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft de vader de moeder geen toestemming heeft gegeven voor een reis met [de minderjarige] naar India in de periode van 5 januari 2026 tot en met 13 februari 2026, maar de vader stelt dat hij daar goede redenen voor had. Zo vond hij het belangrijk dat de voorlopige zorgregeling zou worden nageleefd en vond hij dat [de minderjarige] door de reis teveel van school zou missen. Ook maakte hij zich zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] in India. Hoewel de discussie die de ouders over deze reis voerden, bevestigt dat het onderlinge wantrouwen tussen de ouders groot is en dat zij moeizaam communiceren, maakt het hof daaruit ook op dat de vader zich zorgen maakt over het welzijn van [de minderjarige] , de continuïteit van hun contact en haar schoolgang bij een reis naar India. Het hof benadrukt dat het als (gezaghebbende) ouders met elkaar delen van dergelijke zorgen nu juist een belangrijk onderdeel vormt van het gezamenlijk uitoefenen van het gezag. [de minderjarige] heeft er baat bij dat de ouders gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor belangrijke beslissingen over haar verzorging en opvoeding. Hetzelfde geldt voor de voorgenomen reis van de moeder met [de minderjarige] naar Sri Lanka in de komende zomervakantie, waarvoor de vader (tot nu toe) geen toestemming heeft gegeven. Ook in dit geval heeft de vader serieuze bezwaren en zorgen, waarbij voor hem onder andere een rol speelt dat voor Sri Lanka op dit moment een geel reisadvies geldt. Daarnaast is gebleken dat de toestemmingsproblemen over en weer bestaan: ook het verlenen van toestemming voor een vakantie van de vader met [de minderjarige] naar Portugal verliep moeizaam.
In zijn advies op de zitting heeft de raad wel benadrukt dat het van belang is dat de ouders de hulpverlening die is gericht op hun onderlinge communicatie, voortzetten. Wanneer de communicatie niet verbetert, zal [de minderjarige] de spanningen tussen haar ouders gaan voelen en daarvan last krijgen. Het hof onderschrijft dat advies.