ECLI:NL:GHARL:2026:4451

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
200.366.221/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verhaalsbijdrage bijstand voor minderjarige

De man en de vrouw zijn ouders van een minderjarige die bij de vrouw woont. De gemeente verstrekt sinds september 2024 bijstand aan de vrouw, ook bestemd voor de minderjarige. De rechtbank stelde in december 2025 vast dat de man €960 per maand aan verhaalsbijdrage aan de gemeente moet betalen, met ingang van februari 2025, en legde een betalingsregeling voor achterstanden op.

De man ging in hoger beroep tegen deze beslissing, terwijl de gemeente de rechtbankbeslissing steunde. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof troffen de man en de gemeente een nieuwe afspraak: de man betaalt vanaf 1 januari 2026 €260 per maand, met jaarlijkse wettelijke indexering.

Het hof toetste deze afspraak aan de openbare orde en concludeerde dat deze niet in strijd is met de wet. Het schorsingsverzoek van de man werd ingetrokken en niet-ontvankelijk verklaard. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en legde de nieuwe betalingsafspraak vast, die direct uitvoerbaar is verklaard.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en legt een verhaalsbijdrage van €260 per maand vast, ingaande 1 januari 2026, met wettelijke indexering.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.366.221/01 en 02
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 597759
beschikking van 9 juli 2026
over verhaalsbedragen in verband met verstrekte bijstand aan
[de vrouw](de vrouw) voor
[de minderjarige](de zoon)
in de zaak van
[verzoeker](de man)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M. Amrani
en
de gemeente
Utrecht(de gemeente)
gemachtigde: B. Heidbuurt.

1.Samenvatting

De rechtbank heeft het door de man aan de gemeente verschuldigde bedrag vanwege de bijstandsverlening aan de vrouw voor de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] vastgesteld op € 960,- per maand. De man en de gemeente hebben op de mondelinge behandeling bij het hof afgesproken dat de man met ingang van 1 januari 2026 € 260,- per maand aan verhaalsbijdrage zal betalen aan de gemeente. Het hof heeft de afspraak getoetst en beslist dat de afspraak tussen de man en de gemeente juist is en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [de minderjarige] , geboren [in] 2020 in Utrecht.
[de minderjarige] woont bij de vrouw.
2.2.
De gemeente verstrekt sinds 18 september 2024 bijstand aan de vrouw op grond van
de Participatiewet. Deze bijstand is ook bestemd voor [de minderjarige] .
2.3.
Bij besluit van 14 februari 2025 heeft de gemeente het door de man te betalen
verhaalsbedrag vastgesteld op € 960,- per maand, met ingang van 1 februari 2025.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De gemeente heeft de rechtbank verzocht om een verhaalsbedrag vast te stellen in verband met de bijstandsuitkering die de vrouw ontvangt. De man heeft in die procedure geen verweer gevoerd.
3.2.
De rechtbank heeft op 4 december 2025 het verzoek van de gemeente toegewezen en het verhaalsbedrag vastgesteld op € 960,- per maand, met ingang van 1 februari 2025. De rechtbank heeft daarnaast bepaald dat de man de sinds 1 februari 2025 ontstane achterstand in de betaling van de verschuldigde verhaalsbedragen moet aflossen in bedragen van € 480,- per maand, totdat die achterstand volledig is voldaan.
3.3.
De rechtbank heeft die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat die beslissing direct in werking treedt.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De manis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.
4.2.
De gemeenteis het eens met de beslissing van de rechtbank. De gemeente wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 3 maart 2026
  • het bericht van de man van 1 april 2026
  • het verweerschrift.
4.4.
Het hof heeft de op 10 juni 2026 ingediende stukken van de man geweigerd omdat deze te laat zijn ingediend en het hof deze stukken niet meer heeft kunnen lezen.
4.5.
De zitting bij het hof was op 10 juni 2026. Aanwezig waren:
  • de man met zijn advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de gemeente.

5.Het oordeel van het hof

Het schorsingsverzoek (zaaknummer 200.366.221/02)
5.1.
De man heeft zijn verzoek tot schorsing van de werking van de beslissing van de rechtbank ingetrokken. Het hof zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn schorsingsverzoek.
De hoofdzaak (zaaknummer 200.366.221/01)
5.2.
De man en de gemeente hebben op de mondelinge behandeling bij het hof afgesproken dat de man met ingang van 1 januari 2026 met € 260,- per maand aan verhaalsbijdrage zal betalen aan de gemeente, voor het eerst te indexeren volgens de wettelijke indexering op
1 januari 2027.
5.3.
Uit de door de gemeente gegeven toelichting op de zitting over onder andere het belastbaar inkomen in 2022 tot 2024 van de man, de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van de man blijkt dat deze afspraak naar het oordeel van het hof niet in strijd met de openbare orde is. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen zoals de man en de gemeente zijn overeengekomen.

6.De beslissing

Het hof:
In de zaak met nummer 200.366.221/02
6.1.
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 december 2025
In de zaak met nummer 200.366.221/01
6.2.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
4 december 2025 en beslist dat de man aan de gemeente met ingang van
1 januari 2026 € 260,- per maand aan verhaalsbijdrage zal betalen vanwege
bijstandsverlening aan [de vrouw] voor [de minderjarige] , de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen, voor het eerst te indexeren per
1 januari 2027 volgens de wettelijke indexering
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, E. de Boer en E.F. Groot, leden, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.