ECLI:NL:GHARL:2026:4449

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
200.365.734/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251 lid 2 BWArt. 1:253n BWArt. 1:251a lid 1 BWArt. 1:250 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gezagsregeling: gezamenlijk gezag blijft gehandhaafd

De rechtbank Gelderland had het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder eenhoofdig gezag gegeven over hun minderjarige kind. De vader ging hiertegen in hoger beroep en verzocht het hof de beslissing te herroepen en het gezamenlijk gezag te handhaven.

Het hof oordeelt dat hoewel er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, niet is vastgesteld dat het kind een onaanvaardbaar risico loopt door het gezamenlijk gezag. Communicatieproblemen tussen de ouders zijn onvoldoende om eenhoofdig gezag toe te kennen. De vader is betrokken bij het kind en verzorgt een deel van de opvoeding.

Het hof wijst het verzoek van de moeder af en handhaaft het gezamenlijk gezag. Verzoeken tot hulpverlening en benoeming van een bijzondere curator worden afgewezen wegens gebrek aan rechtsgrond en onderbouwing. Proceskosten worden gecompenseerd tussen partijen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof handhaaft het gezamenlijk gezag en wijst het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.734
(zaaknummer rechtbank Gelderland 454461)
beschikking van 9 juli 2026
inzake
[de vader]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A. Neermawatie Nandoe
en
[de moeder]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. C.J.M. van Gent

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd en bepaald dat de moeder alleen het gezag over [de minderjarige] uitoefent. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom niet.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben samen één kind, [de minderjarige] . [de minderjarige] is op [geboortedatum] geboren.
2.2.
De ouders hadden tot aan de bestreden beschikking het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De moeder heeft de rechtbank verzocht de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat de moeder zal worden belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
3.2.
De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat het gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. Ook heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld en bepaald dat de moeder gerechtigd is tot een extra week vakantie met [de minderjarige] in de meivakantie 2026.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 24 november 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank over het gezag ongedaan maakt. Ook wil hij dat wordt bepaald dat de ouders moeten deelnemen aan een ouderschapstraject (zoals Ouderschap Na Scheiding of het SCHIP-traject) of in ieder geval een vorm van hulpverlening gericht op herstel van de ouderlijke communicatie en samenwerking. Verder verzoekt hij te bepalen dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan het gezamenlijk gezag en eventuele hulpverlening, op straffe van een door het hof te bepalen dwangsom bij niet-naleving. Ten slotte verzoekt de vader een bijzondere curator in de zin van 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te benoemen.
4.2.
De moederis wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 23 februari 2026
  • het verweerschrift
4.4.
De zitting bij het hof was op 23 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad) als adviseur

5.Het oordeel van het hof

5.1.
Het hof komt tot een andere beslissing dan de rechtbank. Het hof is van oordeel dat het verzoek van de moeder om te worden belast met het eenhoofdig gezag moet worden afgewezen, zodat de ouders gezamenlijk met het gezag belast blijven. De beslissing van de rechtbank zal op dat punt ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd). Het hof zal hierna uitleggen waarom.
5.3.
Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders die gezamenlijk het gezag hebben dit ook als zij niet meer samen zijn gezamenlijk blijven uitoefenen. [1] Alleen in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat dit wordt gewijzigd en een van de ouders alleen met het gezag wordt belast. Zo moet zich een relevante wijziging van omstandigheden hebben voorgedaan of er is bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens uitgegaan. Daarnaast moet sprake zijn van een situatie waardoor handhaving van het gezamenlijk gezag ofwel het onaanvaardbaar risico met zich brengt dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders ofwel het anderszins in zijn of haar belang noodzakelijk is dat voortaan alleen één ouder met het gezag belast is. [2]
5.3.
Tussen de ouders is niet in geschil is dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een beoordeling van het gezag rechtvaardigt.
5.4.
Overeenkomstig het advies van de raad is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat er een onaanvaardbaar risico is dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders wanneer de ouders samen het gezag zouden houden. Ook is het naar het oordeel van het hof niet in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de moeder alleen met het gezag wordt belast. Het hof constateert net als de raad dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt. Maar het enkele bestaan van communicatieproblemen is in dit geval onvoldoende om te kunnen oordelen dat de moeder alleen het gezag over [de minderjarige] moet krijgen. Dat de vader de moeder belemmert bij het nemen van (gezags)beslissingen heeft de moeder, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader, onvoldoende onderbouwd. Ook is niet voldoende onderbouwd dat [de minderjarige] door genoemde communicatieproblemen van de ouders klem of verloren dreigt te raken of is geraakt. Weliswaar heeft de moeder in februari 2024 aan de rechtbank vervangende toestemming moeten vragen voor een reis met [de minderjarige] naar Suriname, maar de vader stelt dat hij goede redenen had om zijn toestemming te weigeren. Zo gold op dat moment een geel reisadvies voor Suriname, wat betekent dat er veiligheidsrisico’s zijn, aldus de vader. Ook heeft de vader uiteindelijk, hoewel dat lang duurde, toestemming gegeven voor speltherapie voor [de minderjarige] . Dat de vader [de minderjarige] in de meivakantie van 2025 ten onrechte twee weken in plaats van één week bij zich heeft gehouden, wordt door de moeder zelf mede verklaard doordat de rechtbank de zorgregeling onvoldoende duidelijk had vastgesteld. Recente voorbeelden van situaties waarin de vader gezagsbeslissingen heeft tegengehouden, ontbreken. Daar staat tegenover dat de vader een duidelijke plek heeft in het leven van [de minderjarige] en dat de contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] inmiddels goed verloopt. De vader is betrokken bij [de minderjarige] en bij haar school en de vader verzorgt ook een deel van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Mede tegen die achtergrond komt naar het oordeel van het hof eenhoofdig gezag niet tegemoet aan de belangen van [de minderjarige] . Bovendien zou eenhoofdig gezag de meeste van de door de moeder gestelde problemen niet oplossen. De raad heeft op de zitting de vader geadviseerd een traject Parallel Solo Ouderschap te volgen, ook indien de moeder niet bereid zou zijn tot het volgen van een dergelijk traject. Zulke hulpverlening kan eraan bijdragen dat het nemen van gezagsbeslissingen soepeler verloopt, hetgeen in het belang van [de minderjarige] is. Het hof onderschrijft dat advies.
Hulpverlening
5.5.
De vader verzoekt het hof te bepalen dat de ouders moeten deelnemen aan een ouderschapstraject (zoals Ouderschap Na Scheiding of het SCHIP-traject) of in ieder geval een vorm van hulpverlening gericht op herstel van de ouderlijke communicatie en samenwerking. Verder verzoekt hij te bepalen dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan het gezamenlijk gezag en eventuele hulpverlening, op straffe van een door het hof te bepalen dwangsom bij niet-naleving.
Het hof overweegt dat een rechtsgrond voor deze verzoeken ontbreekt en zal deze verzoeken afwijzen.
Bijzondere curator (1:250 BW)
5.6.
Het verzoek van de vader om een bijzondere curator in de zin van artikel 1:250 BW Pro te benoemen zal het hof afwijzen nu de vader dat verzoek niet nader heeft onderbouwd. Voor een ambtshalve benoeming van een bijzondere curator zoals de vader verzoekt, ziet het hof geen aanleiding.
Proceskosten
5.7.
De moeder verzoekt de vader te veroordelen in de proceskosten. De vader heeft, hoewel hij op de hoogte was van de procedure en de inhoud van de verzoeken, ervoor gekozen niet op de zitting bij de rechtbank te verschijnen en geen verweer te voeren. De moeder wordt nu gedwongen kosten te maken. Bovendien brengt het voeren van een hoger beroepsprocedure extra spanningen met zich.
5.8.
Het hof ziet in het door de moeder aangevoerde onvoldoende aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het staat de vader vrij om in hoger beroep te gaan tegen de beslissing van de rechtbank. Het hof zal de proceskosten compenseren, omdat de moeder en de vader met elkaar gehuwd zijn geweest en deze rechtszaak over hun kind gaat. Dit betekent dat de moeder en de vader ieder hun eigen proceskosten moeten betalen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
Deze beslissing kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
24 november 2025, voor zover het betreft de beslissing over het gezag, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de moeder om haar eenhoofdig met het gezag over [de minderjarige] te belasten alsnog af;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, E. de Boer en L.D.M. Rubens-Snijders en is op 9 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:251 lid 2 BW Pro
2.Artikel 1:253n in combinatie met artikel 1:251a lid 1 BW