ECLI:NL:GHARL:2026:442

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
200.355.894
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 282 lid 4 RvArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging partneralimentatie na wijziging omstandigheden en beoordeling behoeftigheid vrouw

De vrouw en de man zijn van 1987 tot 2021 getrouwd geweest. In het echtscheidingsconvenant is afgesproken dat de man partneralimentatie betaalt aan de vrouw, met een indexering vanaf 2023. De man verzocht de alimentatie te verlagen of te beëindigen, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelde om de alimentatie te verhogen.

Het hof oordeelt dat het verzoek van de vrouw tot verhoging niet in hoger beroep kan worden gedaan, en wijst dit af. Er is een wijziging van omstandigheden doordat de vrouw meer is gaan werken, maar het hof stelt vast dat zij niet in staat is haar werkuren verder uit te breiden vanwege leeftijd, beperkte ervaring en gezondheidsklachten.

De behoefte van de vrouw wordt vastgesteld op €3.400 netto per maand, met een resterende behoefte van €1.241 netto. De man heeft geen voldoende onderbouwd draagkrachtverweer gevoerd, maar het hof gaat ervan uit dat hij voldoende draagkracht heeft om de alimentatie te betalen. Het hof bevestigt daarom de eerdere beschikking en wijst verdere verzoeken af. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de eerdere beschikking en wijst de verzoeken tot wijziging van partneralimentatie af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.894
(zaaknummer rechtbank Gelderland 432805)
beschikking van 27 januari 2026
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. Ҫ. Bayrak te Bergen op Zoom.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 20 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Het hof zal deze beschikking ook noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 juni 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie;
- een journaalbericht van mr. Ҫ. Bayrak van 29 oktober 2025 met productie;
- een journaalbericht van mr. W.F. Wienen van 4 november 2025 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 13 november 2025 plaatsgevonden. Hierbij aanwezig waren:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
De vrouw en de man zijn met elkaar getrouwd geweest van [datum] 1987 tot
[datum] 2021.
3.2
In het convenant dat aan de echtscheidingsbeschikking van [datum] 2021 is gehecht hebben partijen afgesproken dat de man aan de vrouw een bedrag van € 1.706,- bruto per maand zal betalen als partneralimentatie, waarbij dit bedrag voor het eerst op
1 januari 2023 zal worden geïndexeerd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man, te bepalen dat de partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift wordt gewijzigd in nihil, subsidiair in € 751 bruto per maand en meer subsidiair op een door de rechtbank te bepalen lager bedrag, afgewezen.
4.2
De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien alleen op de behoeftigheid van de vrouw. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de man alsnog toe te wijzen en aldus de echtscheidingsbeschikking van [datum] 2021 en het daarvan deel uitmakende convenant te wijzigen in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van de datum van indiening verzoekschrift in eerste aanleg primair op nihil wordt gesteld, althans subsidiair op een door het hof in goede justitie te bepalen lager bedrag, kosten rechtens.
4.3
De vrouw is op haar beurt met een grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de draagkracht van de man. De vrouw vraagt het hof de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen en verzoekt bij zelfstandig verzoek de bestreden beschikking te vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad - te bepalen dat de beschikking van [datum] 2021 en het daarvan uitmakende convenant word gewijzigd, in die zin dat de man met ingang van 20 maart 2025 een bedrag van
€ 2.401,- per maand aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, dan wel met ingang van een datum die het hof in goede justitie bepaald, kosten rechtens.
4.4
De man voert verweer en hij vraagt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren althans het verzoek van de vrouw af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Incidenteel hoger beroep van de vrouw
5.1
De vrouw doet haar verzoek om de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud te verhogen voor het eerst in dit incidenteel hoger beroep. Een dergelijk zelfstandig tegenverzoek kan echter niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan ingevolge het bepaalde in artikel 362 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 282 lid 4 Rv Pro. Op grond hiervan zal het hof dit verzoek afwijzen.
Wijziging van omstandigheden
5.2
In hoger beroep staat tussen partijen niet ter discussie dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro die een onderzoek rechtvaardigt naar de vraag of de partneralimentatie moet worden gewijzigd. Deze wijziging van omstandigheden is gelegen in het feit dat de vrouw sinds de vorige vaststelling meer is gaan werken. Of deze omstandigheid daadwerkelijk moet leiden tot een wijziging van de partneralimentatie zal het hof hierna beoordelen.
De behoefte
5.3
De hoogte van de behoefte van de vrouw is niet in geschil. In het convenant is het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) bepaald op € 5.010 per maand. In de bestreden beschikking is berekend dat de huwelijksgerelateerde behoefte bij scheiding (60% x 5.010 =) € 3.006 bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte nu
€ 3.400 netto. Hiertegen zijn geen grieven gericht, de behoefte van de vrouw staat daarmee vast.
De behoeftigheid
5.4
Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft, en deze in redelijkheid niet kan verwerven, om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien.
De man stelt dat de vrouw volledig in haar behoefte kan voorzien en voert aan dat zij haar parttime werk kan uitbreiden. De vrouw betwist dit en stelt dat zij zich, binnen haar mogelijkheden, optimaal heeft ingespannen om (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Volgens de vrouw is het voor haar niet mogelijk om nog meer te gaan werken.
Binnen haar huidige functie is geen ruimte voor uitbreiding van haar uren en haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt zijn beperkt door haar leeftijd, beperkte werkervaring en gebrek aan zelfvertrouwen.
5.5
Gezien de duur van het huwelijk van partijen, de leeftijd van de vrouw (zij is op dit moment 61 jaar), haar arbeidsgeschiedenis (zij heeft vanaf 2008 parttime gewerkt) en de recente uitbreiding van het dienstverband van de vrouw (van 16 uur per week naar 24 uur per week), kan naar het oordeel van het hof van de vrouw niet verwacht worden dat zij zich inspant om haar verdiencapaciteit nog verder te vergroten. Door de vrouw is toegelicht, en zij heeft dit ook met stukken onderbouwd, dat zij zich na de echtscheiding van partijen heeft ingespannen om haar werkzaamheden te kunnen blijven uitvoeren. De vrouw heeft rouwtherapie gehad om de echtscheiding te verwerken en zij is op dit moment nog onder behandeling van een haptotherapeut. Door de vrouw is onbetwist gesteld dat de het verzoek tot wijziging van de alimentatie opnieuw tot hevige stress- en angstklachten heeft geleid. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, niet van de vrouw gevergd worden dat zij meer uren gaat werken dan de 24 uur per week die zij nu werkt. Het hof zal voor het bepalen van de aanvullende behoefte van de vrouw dan ook rekenen met het inkomen van de vrouw op basis van een 24-urige werkweek. Hierbij hoort een netto besteedbaar inkomen van € 2.159,- per maand. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw hoger zou moeten zijn. De man heeft deze stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd en bewezen. De resterende behoefte van de vrouw berekent het hof, net als de rechtbank, op € 1.241,- netto per maand (€ 2.398 bruto per maand).
De draagkracht
5.6
Vervolgens onderzoekt het hof de draagkracht van de man en dient de vraag beantwoord te worden of en in hoeverre de man de door de vrouw verzochte bijdrage kan betalen. Hiervoor zijn de financiële gegevens, een jaaropgave maar ook de aangifte inkomstenbelasting van de man, nodig. Door de man zijn in eerste aanleg en in zijn beroepschrift geen financiële gegevens overgelegd. In het verweerschrift in incidenteel appel heeft de man een (voorwaardelijk) draagkrachtverweer gevoerd en zijn er een jaaropgave 2024 en salarisspecificaties overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de man toegelicht dat zijn draagkrachtverweer alleen ziet op de situatie dat het incidenteel hoger beroep van de vrouw zal slagen. Nu het hof het incidenteel hoger beroep van de vrouw zal afwijzen, voert de man geen draagkrachtverweer en kan het hof ervan uitgaan dat de man over voldoende draagkracht beschikt om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien. Dit betekent dat de man in staat moet worden geacht om aan de vrouw een bedrag van € 2.398 bruto per maand te betalen als partneralimentatie.
Conclusie
5.7
Het hiervoor berekende bedrag aan partneralimentatie is hoger dan het bedrag dat de man nu moet betalen. Omdat de man niet in een nadeliger positie mag raken als gevolg van zijn eigen hoger beroep (het zogenoemde verbod van reformatio in peius) en de vrouw niet-ontvankelijk is in haar incidenteel appel zal het hof de bestreden beschikking bevestigen (bekrachtigen) waardoor de hoogte van het bedrag aan partneralimentatie van de man aan de vrouw niet verandert.
De proceskosten
5.8
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 20 maart 2025;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, P.B. Kamminga en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op 27 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.