ECLI:NL:GHARL:2026:4397

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
200.368.753/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253 BWArt. 1:254 BWArt. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd tot 12 april 2027. De vader is tegen deze verlenging in hoger beroep gegaan, waarbij het hof alleen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing beoordeelt.

De minderjarige woont sinds september 2025 in een voorziening voor netwerkpleegzorg. De ouders zijn gescheiden sinds 2023 en er is intensieve hulpverlening vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling van het kind en de persoonlijke problematiek van de vader. Na een geweldsincident is de minderjarige uit huis geplaatst en bij grootouders gaan wonen, later weer terug bij de vader, maar door aanhoudende problemen is zij opnieuw uit huis geplaatst.

De GI stelt dat de opvoedingssituatie bij de vader onvoldoende is en pleit voor een perspectiefonderzoek om het woonperspectief van de minderjarige te bepalen. Het hof constateert dat de minderjarige bij haar oom en tante meer structuur ervaart en vaker naar school gaat. Hoewel de vader verbeteringen toont, zijn deze nog onvoldoende om terugplaatsing te rechtvaardigen.

Het hof acht de verlenging van de machtiging noodzakelijk en wijst af het verzoek van de vader om deze te beëindigen. Het perspectiefonderzoek moet spoedig plaatsvinden om de rol van de vader en de toekomst van de minderjarige te bepalen. De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 12 april 2027.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.368.753/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 253160)
beschikking van 7 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. H.D. Postma te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling,
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
gevestigd te Leeuwarden.
Als overige belanghebbende(n) is aangemerkt:
[belanghebbende1](de moeder),
die woont in [woonplaats2] .
In zijn adviserende en/of toetsende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 12 april 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben samen één kind, genaamd [de minderjarige] . Zij is geboren [in] 2012. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] staat sinds 12 april 2023 onder toezicht van de GI en woont sinds 24 september 2025 in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 12 april 2027.
3.3.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de beslissing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4.
Die beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 31 maart 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vaderis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt - het hof begrijpt voor zover het gaat om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De vader heeft laten weten dat zijn hoger beroep niet ziet op de beslissing van de kinderrechter om de ondertoezichtstelling te verlengen.
4.2.
De GIwil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift van 6 mei 2026;
  • een brief van de raad van 22 mei 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • een journaalbericht namens de vader van 8 juni 2026 met bijlagen;
  • het verweerschrift van de GI.
4.4.
[de minderjarige] heeft op 15 juni 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter een samenvatting van het gesprek gegeven.
4.5.
De zitting bij het hof was op 16 juni 2026. Aanwezig waren de vader met mr. L. Hoekstra (waarnemend voor haar advocaat) en twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

De wet
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen. De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken.
De motivering van het oordeel van het hof
5.2.
Het hof is van oordeel dat de gronden voor de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] aanwezig zijn en heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen.
5.3.
Uit de stukken komt naar voren dat de ouders van [de minderjarige] in 2023 uit elkaar zijn gegaan en dat er sindsdien intensieve hulpverlening betrokken is vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] en de persoonlijke problematiek van de vader. Na een geweldsincident waarbij de vader betrokken was, is [de minderjarige] uit huis geplaatst en bij haar grootouders gaan wonen, dichtbij haar vader. Ondanks die uithuisplaatsing bracht [de minderjarige] veel tijd bij haar vader door. Na een positieve beoordeling van de thuissituatie is [de minderjarige] weer bij haar vader gaan wonen, maar door aanhoudende ernstige zorgen over o.a. de vervuilde leefomgeving, schoolverzuim en een nieuwe veroordeling van de vader is de hulpverlening opnieuw aangescherpt en is [de minderjarige] uiteindelijk weer uit huis geplaatst. Zij woont sinds september 2025 bij haar oom en tante. De vader is het niet eens met deze beslissing en stelt dat [de minderjarige] veilig bij hem kan wonen.
5.4.
De GI geeft aan dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is omdat de opvoedingssituatie bij de vader nog steeds onvoldoende is. Aan basale opvoedingstaken wordt niet toegekomen. De GI vindt een gezinsopname bij [naam1] het meest passend om te kunnen beoordelen wat de mogelijkheden zijn om [de minderjarige] thuis te laten wonen. De vader staat hier echter niet voor open. Uiteindelijk heeft de GI ingezet op een perspectiefonderzoek door [naam2] (hierna: [naam2] ). Ter zitting is gebleken dat het gezin van [de minderjarige] momenteel bovenaan de wachtlijst staat. De GI wil door [naam2] laten onderzoeken welk woonperspectief het meest wenselijk is voor [de minderjarige] en haar verdere ontwikkeling en hoopt op basis van de resultaten een veilige en stabiele leefsituatie voor [de minderjarige] te creëren.
5.5.
Het hof ziet dat [de minderjarige] door de plaatsing bij haar oom en tante meer structuur in haar leven heeft en dat zij onder andere vaker naar school gaat. De rapportages die zijn gemaakt over de thuissituatie van [de minderjarige] bij de vader waren erg zorgelijk. Er is veel intensieve zorg ingezet, die vader onvoldoende accepteerde en waarvan de vader onvoldoende leek te leren. Het hof merkt wel op dat de vader sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige] hard aan zichzelf heeft gewerkt. Zo maakt hij zijn huis nu vaker schoon en is hij gestopt met roken. De GI heeft ter zitting ook beaamd dat verbetering wordt gezien. De vader verdient hiervoor waardering. Gelet op het langdurige karakter en de ernst van de zorgen over de thuissituatie van [de minderjarige] bij de vader, is deze verbetering echter nog niet zodanig dat al aan een thuisplaatsing kan worden gedacht. Het hof is van oordeel dat een uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Het hof acht het daarbij wel van belang dat het door de GI geadviseerde perspectiefonderzoek zo snel mogelijk plaatsvindt, zodat uitgezocht kan worden hoe de rol van de vader in het leven van [de minderjarige] kan worden vormgegeven en wat zij nodig heeft om eventueel teruggeplaatst te kunnen worden bij haar vader. Het hof hoopt daarnaast dat de vader deze hulpverlening zal accepteren en dat hij de positieve ontwikkeling zal voortzetten.
5.6.
Het hof ziet geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlengen. Gebleken is dat het perspectiefonderzoek gemiddeld negen tot twaalf maanden duurt. Dit maakt dat het onderzoek niet tijdig zal zijn afgerond, wanneer de machtiging voor een kortere periode zal worden verleend.
5.7.
Gelet op het voorgaande, zal het hof de bestreden beschikking wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in stand laten (bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 31 maart 2026 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
6.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. F. van der Meulen en mr. M.J. van Lingen, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 7 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.