ECLI:NL:GHARL:2026:4396

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
200.357.511/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:84 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoedingsrecht op gemeenschap voor schenkingen met uitsluitingsclausule bevestigd

Partijen waren gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen en zijn gescheiden. De vrouw ontving schenkingen van haar moeder met uitsluitingsclausule, die de man betwistte. Het hof stelde vast dat de schenkingen voldoende waren onderbouwd met schenkingsovereenkomsten, belastingaangiften en verklaringen van de accountant.

De man voerde aan dat de schenkingen waren gebruikt voor huishoudkosten en dat de vrouw daarom niet hoefde te vergoeden. Het hof oordeelde dat onvoldoende feiten waren gesteld over inkomens en kosten, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de vrouw vanuit privévermogen moest bijdragen.

Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid faalde, omdat geen afspraken waren dat de vrouw afstand deed van haar vergoedingsrecht. De man stelde dat de vrouw de schenkingsbelasting had betaald, maar dit was niet bewezen; de moeder had deze belasting voldaan.

Het hof vernietigde het bestreden deel van de beschikking en bepaalde dat de vrouw recht heeft op vergoeding van € 75.133,-, rekening houdend met een schenking aan de kinderen die in mindering kwam. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vrouw heeft recht op vergoeding van € 75.133,- van de ontbonden gemeenschap van goederen voor de schenkingen met uitsluitingsclausule.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden
Afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.511/01
(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 149875 en 150773)
beschikking van 7 juli 2026
in de zaak van
[verweerder](de man),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Zoer te Meppel,
en
[verzoekster](de vrouw),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. M.M. Wiersema te Assen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 5 juni 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 29 juli 2025;
- een journaalbericht namens de man van 15 augustus 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 19 augustus 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 18 mei 2026 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 28 mei 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door mr. Zoer;
- de vrouw, bijgestaan door mr. Wiersema.
Mr. Zoer heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn met elkaar in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd [in] 1985 te [plaats] . Zij zijn de ouders van twee inmiddels meerderjarige kinderen.
3.2
De man en de vrouw hebben ieder afzonderlijk de rechtbank verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en nevenverzoeken gedaan.
3.3
De rechtbank heeft vervolgens de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en een beslissing genomen over de gebruiksvergoeding, de woning, de bankrekeningen en andere goederen
.De echtscheiding is op 25 juni 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.Het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking van 5 juni 2025 is – voor zover nu nog van belang - bepaald dat de vrouw jegens de gemeenschap van goederen tussen partijen recht heeft op vergoeding van de schenkingen die zij - bij uitsluiting van de man – heeft verkregen van haar moeder ter hoogte van in totaal € 77.633,-.
4.2
De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van die beschikking. Deze grieven zien op het vergoedingsrecht van de vrouw. De man verzoekt de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vrouw geen vergoedingsrecht op de gemeenschap van goederen tussen partijen heeft van € 77.630,- c.q. € 71.000,-, dan wel ten aanzien van het aanwezige gezamenlijke spaargeld op de peildatum, en daarover een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.
4.3
De vrouw voert verweer en vraagt de bestreden beschikking in stand te laten.

5.De overwegingen voor de beslissing

De schenkingen
5.1
Tussen partijen is in geschil of er schenkingen zijn gedaan aan de vrouw door haar moeder. De man erkent een schenking van € 6.633,- in 2024, toen partijen al uit elkaar waren . Over die schenking verschillen partijen niet meer van mening en die staat daarom vast. De overige door de vrouw gestelde schenkingen van € 27.000,- in 2007, € 13.000,- in 2008, € 26.000,- in 2009 en € 5.000,- in 2021, oftewel in totaal € 71.000,- betwist de man.
5.1
De man heeft ter zitting van het hof zijn eerste grief ingetrokken en deze behoeft daarom geen bespreking.
5.1
In zijn tweede grief betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte uitgaat van voldoende bewijs dat de genoemde schenkingen daadwerkelijk zijn ontvangen en gestort op de gezamenlijke rekening van partijen.
De vrouw heeft van alle ter discussie staande schenkingen schenkingsovereenkomsten overgelegd. Daarin is steeds een uitsluitingsclausule opgenomen. Verder is door haar overgelegd een brief van de accountant van de moeder van 2 september 2025 waarin staat vermeld dat de schenkingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, een bankafschrift van de moeder van 2021 met een overboeking van € 5.000,- op de gezamenlijke rekening en de aangiften schenkingsbelasting voor schenkingen in 2007, 2008 en 2009 waarin de geschonken bedragen (en data) overeenkomen met de schenkingsovereenkomsten. Hoewel de vrouw stelt niet de beschikking meer te hebben over de rekeningafschriften van 2007 tot en met 2009, is naar het oordeel van het hof - mede in het licht van de niet-onderbouwde betwisting van de man - voldoende komen vast te staan dat de moeder de gestelde schenkingen heeft gedaan en dat deze zijn ontvangen. Ondersteunend zijn ook de bankafschriften van de zus van de vrouw waaruit blijkt dat ook zij € 27.000,- in juli 2007 geschonken heeft gekregen van de moeder, € 13.000,- in februari 2008 en € 26.000,- in 2009 en € 5.000,- in 2021.
De man heeft overigens ter zitting opgemerkt dat er schenkingen zijn geweest en het goed mogelijk is dat hij van een schenking in 2007 van € 27.000,- een bankafschrift heeft gezien; hij ging er echter van uit dat de schenkingen steeds voor het gezin bestemd waren. Uit de schenkingsovereenkomsten maakt het hof echter op dat de schenkingen steeds onder uitsluiting hebben plaatsgevonden en alleen voor de vrouw waren bedoeld.
De man heeft nog aangegeven dat de moeder bij de overboeking in 2021 niet heeft vermeld dat het een schenking betrof, maar daarbij de omschrijving ‘donatie’ heeft gebruikt. Gelet evenwel op de schenkingsovereenkomst en de omstandigheid dat een donatie in het algemeen spraakgebruik een synoniem is voor schenking, ziet het hof in die omschrijving geen aanleiding om deze overboeking niet als schenking aan de vrouw aan te merken.
De tweede grief slaagt niet.
5.1
De man stelt in zijn derde grief dat de schenkingen zijn aangewend door de voldoening van kosten van de huishouding en dat de vrouw op grond van artikel 1:84 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) gehouden was de aan haar geschonken bedragen aan de gemeenschap met dat doel ter beschikking te stellen.
5.5
Artikel 1:84 BW Pro bepaalt de onderlinge draagplicht voor voldoening van de kosten van de huishouding. Deze kosten komen eerst ten laste van het gemeenschappelijke inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun privé-inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemeenschappelijke vermogen en, pas als ook dit ontoereikend is, ten laste van de privévermogens naar evenredigheid daarvan.
De man heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel moeten leiden dat er ten tijde van het huwelijk een tekort was aan gezamenlijke inkomsten om de kosten van de huishouding te voldoen. Niet is gesteld wat de inkomens van partijen waren, wat de kosten van de huishouding zijn geweest en wat daaraan door elk van partijen is bijgedragen. Reeds bij gebreke van die gegevens kan het hof niet vaststellen dat de vrouw gehouden was vanuit haar privévermogen bij te dragen aan de kosten van de huishouding en in welke mate dat het geval zou zijn geweest.
De derde grief slaagt niet.
5.6
De man doet in zijn vierde grief een beroep op de redelijkheid en billijkheid die zich zouden verzetten tegen een vergoedingsrecht van de vrouw. Hij stelt in dat verband dat de vrouw tijdens het huwelijk nooit de intentie heeft gehad de aan haar geschonken bedragen terug te vorderen van de gemeenschap.
Het hof stelt vast dat niet is gesteld of gebleken dat partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend hebben afgesproken dat de vrouw geen aanspraak meer zou maken op haar vergoedingsrecht. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich er niet tegen dat de vrouw pas in het kader van de financiële afwikkeling van het huwelijk voor het eerst aanspraak maakt op haar vergoedingsrecht.
De vierde grief slaagt niet.
5.7
Eerst ter zitting van het hof heeft de man nog gesteld dat de vrouw de schenkingsbelasting van in totaal € 2.642,- zelf heeft moeten voldoen en dat dit bedrag ten laste is gekomen van hetgeen haar is geschonken en daarom in mindering moet komen op het vergoedingsrecht. Daargelaten dat de man dit eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat de vrouw de schenkingsbelasting heeft voldaan. De vrouw heeft aangegeven dat haar moeder die belasting heeft betaald en nooit heeft verzocht dit aan haar terug te betalen. Dat de moeder van de vrouw de belasting heeft voldaan vindt bovendien steun in de verklaringen van de accountant bij de schenkingsovereenkomsten.
De schenking van de vrouw van in totaal € 2.500,- aan de kinderen van partijen, waarover partijen het eens zijn, strekt wel in mindering op het vergoedingsrecht van de vrouw omdat deze schenking door de vrouw is voldaan vanuit de haar geschonken bedragen en de gemeenschap daarmee niet is gebaat.
5.8
Het hof zal daarom de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de beslissing over het vergoedingsrecht als genoemd onder 3.4 van de bestreden beschikking betreft en bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft van (€ 77.633,- - € 2.500,-) € 75.133,-.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 5 juni 2025, voor zover het de beslissing over het vergoedingsrecht onder 3.4 betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vrouw jegens de inmiddels ontbonden gemeenschap van goederen van partijen recht heeft op vergoeding van in totaal € 75.133,-;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. M.A.F. Veenstra en mr. M.M. Kemmers, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 7 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.