ECLI:NL:GHARL:2026:4320

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
200.362.819
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 2 BWArt. 3 Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009)Art. 347 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en kinderalimentatie na ontbinding geregistreerd partnerschap

Partijen zijn ouders van twee minderjarige kinderen en waren geregistreerd partners, waarvan het partnerschap is ontbonden. De rechtbank had een zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld, maar de vrouw kwam in hoger beroep om de zorgregeling en alimentatie te wijzigen. De man stelde verweer en stelde incidenteel hoger beroep in.

Het hof oordeelde dat de huidige week-op-week-af zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is en dat de vrouw onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de regeling te onrustig is. Het hof nam het advies van de raad voor de kinderbescherming over en bepaalde dat de kinderen wekelijks videobelcontact met de andere ouder kunnen hebben. Ook werd bepaald dat de man zijn adres aan de vrouw moet kenbaar maken.

Ten aanzien van de kinderalimentatie werd vastgesteld dat de draagkracht van de vrouw en man samen €1.351 per maand bedraagt, terwijl de behoefte van de kinderen €1.439 is. De man moet daarom €101 per kind per maand betalen vanaf 7 januari 2026. De kosten van het geding in hoger beroep worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.

Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling en stelt de kinderalimentatie vast op €101 per kind per maand vanaf 7 januari 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.819
(zaaknummer rechtbank Gelderland 444271)
beschikking van 2 juli 2026
inzake
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P.H.A. de Boer,
tegen
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. R.C.H. Bruinier.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 25 september 2025, uitgesproken onder zaaknummer 444271, hierna ook: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 18 december 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlagen;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlagen;
- een journaalbericht namens de man van 28 april 2026 met bijlagen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2026 plaatsgevonden. Partijen waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun advocaten en door hun tolken. Ook was een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) aanwezig.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren op [geboortedatum] ;
- [minderjarige2] , geboren op [geboortedatum] , over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
De ouders zijn op 28 september 2023 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Dat is ontbonden op 7 januari 2026 door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de beschikking van 25 september 2025.
3.2
Bij beschikking van 27 december 2024 heeft de rechtbank, voor de duur van de echtscheidingsprocedure, bepaald dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd, een
zorgregeling vastgesteld waarin de kinderen tot 3 februari 2025 om de week, in de even
weken, bij de man verblijven van donderdag uit school/BSO/kinderopvang tot dinsdag naar
school/BSO/kinderopvang en vanaf 3 februari 2025 wekelijks bij de man verblijven van
donderdag uit school/BSO/kinderopvang tot zondag 18:30 uur, met uitzondering van het
eerste weekend van de maand. Dan verblijven de kinderen bij de vrouw. Verder heeft de
rechtbank bepaald dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de man tot 3 februari 2025 met € 218,- per kind per maand en vanaf 3 februari 2025 met € 110,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
3.3
Bij beschikking van 20 februari 2025 heeft de rechtbank de beschikking van 27 december 2024 gewijzigd voor wat betreft de verdeling van de zomervakantie van 2025, in die zin dat is bepaald dat de kinderen in de weken 30 en 31 van 2025 (21 juli tot en met 3 augustus 2025) bij de man verblijven en in de weken 32 en 33 van 2025 (4 tot en met 17 augustus 2025) bij de vrouw, alsmede voor wat betreft de door de man te betalen bijdrage, in die zin dat is bepaald dat de man met ingang van 20 februari 2025 tot 3 februari 2025 met
€ 198,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van
de kinderen en vanaf 3 februari 2025 met € 55,- per kind per maand.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:
- de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;
- als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat:
*de kinderen in de even weken bij de man zijn van dinsdag uit school/buitenschoolse
opvang/kinderopvang tot dinsdag naar school/kinderopvang in de daarop volgende
(oneven) week;
*de kinderen in de oneven weken bij de vrouw zijn van dinsdag uit school/buitenschoolse opvang/kinderopvang tot dinsdag naar school/kinderopvang in de daarop volgende (even) week;
*de kinderen op Vaderdag bij de man en op Moederdag bij de vrouw zijn vanaf de zaterdag daaraan voorafgaand 18.30 uur tot Vader- respectievelijk Moederdag 18.30 uur;
*de kinderen in de oneven jaren bij de man zijn op eerste kerstdag van 09.30 tot 18.30 uur en tijdens oud & nieuw en bij de vrouw op tweede kerstdag van 09.30 uur tot 18.30 uur en in de oneven jaren bij de vrouw op eerste kerstdag van 09.30 tot 18.30 uur en tijdens oud & nieuw en bij de man op tweede kerstdag van 09.30 uur tot 18.30 uur;
*de kinderen in de zomervakantie gedurende twee aaneengesloten weken bij de ene ouder zijn en twee aaneengesloten weken bij de andere ouder, waarbij de man in de oneven jaren uiterlijk per 1 februari als eerste mag aangeven (schriftelijk) welke twee aaneengesloten weken de kinderen bij hem zijn en de vrouw in de even jaren uiterlijk per 1 februari als eerste mag aangeven (schriftelijk) welke twee aaneengesloten weken de kinderen bij haar zijn, voor de overige twee weken geldt de reguliere zorgregeling;
- de man veroordeeld om aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 141,50 per kind per maand te betalen met ingang van de datum waarop de ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.
4.2
De vrouw is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen ten aanzien van de daarin vastgelegde zorgregeling en kinderalimentatie en de zorgregeling aan te passen ten aanzien van de aaneengesloten periodes, de overdracht plek en de videobelmomenten en de kinderalimentatie vast te stellen op € 269,- per kind per maand, te indexeren op 1 januari 2026.
De vrouw vraagt daarnaast een beslissing te nemen over de proceskosten.
4.3
De man heeft verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij vraagt het hof om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in het principaal hoger beroep dan wel dat verzoek af te wijzen.
Hij verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en:
*. te bepalen dat de man vanaf 7 januari 2026 en bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te
voldoen een bedrag van € 72,- per kind per maand als bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] ;
*. te bepalen dat [minderjarige1] en [minderjarige2] - in afwijking van de reguliere zorg- en contactregeling -
gedurende de oneven jaren van 24 december om 18:30 uur tot en met eerste kerstdag
(25 december) om 18:30 uur bij hem verblijven en direct aansluitend tot en met tweede
kerstdag (26 december) om 18:30 uur bij de vrouw;
*. te bepalen dat [minderjarige1] en [minderjarige2] - in afwijking van de reguliere zorg- en contactregeling -
gedurende de even jaren van 24 december om 18:30 uur tot en met eerste kerstdag (25
december) om 18:30 uur bij de vrouw verblijven en direct aansluitend tot en met tweede
kerstdag (26 december) om 18:30 uur bij hem;
*. te bepalen dat [minderjarige1] en [minderjarige2] - in afwijking van de reguliere zorg- en contactregeling -
gedurende de oneven jaren van 31 december om 17:00 uur tot en met 1 januari om 17:00
uur bij hem verblijven;
*. te bepalen dat [minderjarige1] en [minderjarige2] - in afwijking van de reguliere zorg- en contactregeling -
gedurende de even jaren van 31 december om 17:00 uur tot en met 1 januari om 17:00
uur bij de vrouw verblijven;
*. te bepalen dat [minderjarige1] en [minderjarige2] in de zomervakantie gedurende twee (2) aaneengesloten
weken bij de ene ouder zijn en twee (2) aaneengesloten weken bij de andere ouder,
waarbij hij in de even jaren uiterlijk per 1 december van het vorige jaar als eerste mag
aangeven (schriftelijk) welke twee (2) aaneengesloten weken [minderjarige1] en [minderjarige2] bij hem zijn
en de vrouw in de even jaren uiterlijk per 1 december van het vorige jaar als eerste mag
aangeven (schriftelijk) welke twee (2) aaneengesloten weken [minderjarige1] en [minderjarige2] bij haar zijn,
voor de overige (twee) weken geldt de reguliere zorg- en contactregeling;
*. een verklaring voor recht af te geven, inhoudende dat op de vrouw als ouder waarbij [minderjarige1]
en [minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats in beginsel de verplichting rust hun verblijfsoverstijgende
kosten voor haar rekening te nemen, bestaande uit in ieder geval schoolgeld,
schoolbenodigdheden, contributie voor sport, kleding, netto kosten kinderopvang, kosten
van hobby's, kosten kinderfeestjes, medische kosten, vervoersmiddelen en zwemlessen;
*. de vrouw te veroordelen tot nakoming van de op haar rustende verplichting om in het
kader van de zorg- en contactregeling structureel een hoeveelheid setjes kleding,
waaronder ondergoed, ten behoeve van [minderjarige1] en [minderjarige2] mee te geven gelijk aan het aantal
dagen dat zij bij hem verblijven, vermeerderd met één (1) set, met een maximum van acht
(8) sets kleding per kind en waarbij de sets kleding tevens moeten zijn afgestemd op het
(te verwachten) weer, zulks op straffe van een dwangsom voor een bedrag van € 250,-
per dag voor iedere dag dat zij geheel of gedeeltelijk in gebreke is of blijft aan deze
verplichting of veroordeling te voldoen met een maximum van € 5.000,-.
4.4
De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep. Zij vraagt het hof om de man in dat verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat verzoek af te wijzen en een beslissing te nemen over de proceskosten.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De man heeft gesteld dat het hof geen rekening moet houden met de door de vrouw in haar verweerschrift in het incidenteel hoger beroep genoemde aanvullende verzoeken. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de in artikel 347 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering besloten twee-conclusieregel dienen grieven en wijzigingen of vermeerderingen van een verzoek te worden aangevoerd in het hoger beroepschrift dan wel het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep. De rechter mag daarnaast geen acht slaan op grieven, stellingen, feiten en wijzigingen die na de uitwisseling van die stukken worden aangevoerd indien deze in strijd zijn met de goede procesorde. Het hof is van oordeel dat de aanvullende verzoeken te laat zijn ingediend en te algemeen zijn geformuleerd, zodat het voor de man niet mogelijk is zich daartegen goed te verweren. Het hof houdt daarom geen rekening met de door de vrouw in haar verweerschrift in het incidenteel hoger beroep genoemde aanvullende verzoeken ten aanzien van het meewerken aan het co-ouderschap, de samenwerking, de communicatie en informatieverstrekking tussen partijen, de contacten op de verjaardagen en de woonlasten van de man. Het hof zal de vrouw in die verzoeken niet ontvankelijk verklaren.
De zorgregeling
IPR
5.2
Omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter bevoegd om van de verzoeken over de zorgregeling kennis te nemen. Tegen de toepassing van het Nederlands recht is niet gegriefd zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Wat staat er in de wet?
5.3
In artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van (een van) de ouders een regeling kan vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Dit kan onder andere een regeling zijn over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.
Wat zijn de standpunten van partijen?
5.4
De vrouw stelt -kort samengevat- dat de huidige zorgregeling, waarbij de kinderen de ene week bij haar zijn en de andere week bij de man, te onrustig is voor de kinderen. Volgens haar is een regeling waarbij de kinderen steeds kortere periodes bij een ouder verblijven beter voor de kinderen. Zij vraagt het hof een zorgregeling vast te stellen die het hof het meest in het belang van de kinderen acht. De vrouw vraagt het hof ook te bepalen dat de kinderen tijdens hun verblijf bij de man met haar videobelcontact kunnen hebben. De vrouw wil van de man horen wat zijn adres is, omdat zij wil weten waar de kinderen gedurende de zorgmomenten met hem verblijven.
5.5
De man voert aan dat de huidige week-op-week-af-regeling goed verloopt en dat die regeling daarom moet worden voortgezet. Hij wenst wel een andere regeling voor de zomer- en kerstvakantie. De man wil niet dat er videobelcontact gaat plaatsvinden tussen de vrouw en de kinderen als de kinderen bij hem zijn, omdat dit volgens hem is geprobeerd maar niet goed werkte. Uit privacy-overwegingen wil de man niet zijn adres aan de vrouw geven.
Wat is het advies van de raad?
5.6
De raad heeft tijdens de zitting geadviseerd om de huidige week-op-week-af-regeling voort te zetten. Volgens de raad is het niet ongebruikelijk dat kinderen moeten wennen aan de zorgregeling. Bij een door de vrouw gevraagde regeling zullen er voor de kinderen meer overdrachtsmomenten zijn, wat juist meer onrust zal veroorzaken. Het is volgens de raad wel goed voor de kinderen om hen een keer per week een videobelcontact met de andere ouder te laten hebben. Ook moet de vader zijn adres aan de moeder doorgeven, zodat de moeder weet waar de kinderen om de week verblijven, aldus nog steeds de raad.
Het oordeel van het hof over de zorgregeling.
5.7
Het hof constateert dat partijen uiteindelijk overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling gedurende de zomer- en kerstvakantie. Het hof zal die overeenstemming hierna in de beslissing opnemen.
5.8
Het hof is van oordeel dat de huidige week-op-week-af-regeling het meest in het belang van de kinderen is. De vrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat die regeling te onrustig is voor de kinderen. De door de vrouw genoemde omstandigheden, dat [minderjarige2] slecht slaapt en [minderjarige1] soms driftbuien heeft, geven het hof geen aanleiding om de regeling nu te wijzigen. Zoals namens de raad ook is genoemd, moeten kinderen wennen aan de nieuwe situatie. Niet gebleken is dat de regeling bij de kinderen structurele problematiek veroorzaakt. Een door de vrouw verzochte regeling zal alleen maar meer overdrachtsmomenten opleveren en de kinderen meer onrust geven.
Het hof zal bepalen dat het overdrachtsmoment, zoals ook nu het geval is, zal plaatsvinden op school/de kinderopvang en, indien de kinderen niet naar school en kinderopvang gaan, in de speeltuin. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof haar standpunt dat de overdrachtsmomenten nu niet goed verlopen en daarom altijd in de speeltuin moeten plaatsvinden, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk gemaakt.
Naar het oordeel van het hof is ook het in het belang van de kinderen dat zij een keer per week een videobelcontact met de andere ouder kunnen hebben.
5.9
De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw en zij voldoet de verblijfsoverstijgende kosten. Daarvan uitgaande moeten de kosten van de kleding van de kinderen door de vrouw worden voldaan. Hoewel de wettelijke grondslag voor de toewijzing van het verzoek van de man over de kleding van de kinderen ontbreekt, acht het hof het in het belang van de kinderen dat de vrouw ervoor zorgt dat de kinderen voor hun verblijf bij de man voldoende kleding hebben, welke kleding ook (deels) bij de man kan blijven, zoals ondergoed en pyjama’s. Het hof verwacht dat de vrouw daaraan zal voldoen en ziet daarom geen aanleiding om hieraan een dwangsom te koppelen. Hetzelfde geldt voor het standpunt van de man ter zake de verblijfsoverstijgende kosten: ook deze dient de vrouw integraal te voldoen.
5.1
Het hof verwacht van de man dat hij zijn adres aan de vrouw kenbaar maakt. De vrouw behoort te weten waar de kinderen met de man verblijven.
5.11
Gelet op hetgeen het hof hiervoor in 5.1 heeft overwogen, hoeven de verzoeken van de vrouw over de medewerking van de man aan het co-ouderschap en over de zorgregeling tijdens de verjaardagen niet meer inhoudelijk te worden beoordeeld.
De kinderalimentatie
IPR
5.12
De kinderen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter
is dan ook op grond van artikel 3 van Pro de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr.
4/2009) bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw over de kinderalimentatie.
Tegen de toepassing van het Nederlands recht is niet gegriefd zodat ook het hof daarvan uitgaat.
De ingangsdatum
5.13
De rechtbank heeft bepaald dat de man de kinderalimentatie moet betalen met ingang van de datum waarop de ontbinding van het geregistreerd partnerschap is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Nu daartegen geen grief is gericht gaat ook het hof uit van de datum, zoals nu bekend, 7 januari 2026.
De behoefte van de kinderen
5.14
De rechtbank is uitgegaan van de totale behoefte van de kinderen van € 1.376,- per maand (€ 688,- per kind per maand) in 2025. Nu daartegen geen grief is gericht gaat ook het hof uit van die behoefte, die na indexering in 2026 € 1.439,- per maand (€ 720,- per kind per maand) bedraagt.
De draagkracht van de vrouw
5.15
De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank bij de berekening van haar draagkracht ten onrechte is uitgegaan van haar inkomen volgens de salarisspecificatie van mei 2025. Zij stelt dat met een lager inkomen rekening moet worden gehouden omdat zij inmiddels ziek is en omdat zij uiteindelijk door haar werkgever zal worden ontslagen. Het hof is van oordeel dat de vrouw deze stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt. Op basis van de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie van de maand maart 2026 kan het hof niet beoordelen of en in hoeverre het inkomen van de vrouw structureel is gedaald. Ook desgevraagd heeft de vrouw tijdens de zitting van het hof daarover onvoldoende duidelijkheid gegeven. Bovendien heeft zij geen medische verklaring overgelegd, waaruit de mate van arbeidsongeschiktheid op dit moment en de verwachting daarvan voor de toekomst blijkt. Ook van een dreigend ontslag is niet gebleken. Het hof gaat er daarom, net als de rechtbank, van uit dat het inkomen van de vrouw, op basis van haar salarisspecificatie van de maand mei 2025, in dat jaar ieder geval € 31.917, bedroeg. Vervolgens houdt het hof rekening met een verdiencapaciteit van de vrouw (na indexering) in 2026 van in ieder geval € 32.000,-, van welk inkomen de man ook in de door hem bij journaalbericht van 28 april 2026 overgelegde draagkrachtberekening van de vrouw is uitgegaan. Nu de vrouw die draagkrachtberekening voor het overige niet heeft betwist, houdt het hof rekening met een beschikbare draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie van € 690,- per maand.
De draagkracht van de man
5.16
Gelet op hetgeen het hof hiervoor in 5.1 heeft overwogen hoeft het verzoek van de vrouw over de woonlasten van de man niet meer inhoudelijk te worden beoordeeld.
5.17
De man heeft gesteld dat bij de vaststelling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 197,- per maand voor de kosten van kinderopvang op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven. De man stelt dat de vrouw er ten onrechte van uitgaat dat de man de kinderopvang voor de kinderen op de dagen dat zij bij hem verblijven, zelf moet regelen en ook moet betalen. Het hof oordeelt als volgt. Zoals hierboven is overwogen, betaalt de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten. Onder deze kosten vallen in beginsel ook de kosten van kinderopvang voor zover die tijdens de periode waarin partijen nog een gemeenschappelijke huishouding voerden er ook waren. Niet in geschil is dat partijen toen op de dagen dat de kinderen thans bij de man verblijven, kosten van kinderopvang hadden. Dat brengt mee dat de vrouw uit de verblijfsoverstijgende kosten deze kosten van kinderopvang dient te betalen. Omdat de vrouw de kinderopvang op de dagen dat de kinderen bij de man verblijven heeft opgezegd, heeft de man die kinderopvang zelf moeten regelen. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met het door hem genoemde bedrag van € 197,-. De vrouw heeft de hoogte van dat bedrag niet betwist. Nu de vrouw de namens de man bij journaalbericht van 28 april 2026 overgelegde berekening van zijn draagkracht voor het overige niet heeft betwist, houdt het hof rekening met een beschikbare draagkracht van de man voor kinderalimentatie van € 661,- per maand.
5.18
Gelet op het voorgaande gaat het hof uit van de door de man bij journaalbericht van 28 april 2026 overgelegde, door de vrouw voor het overige niet betwiste, berekening van de door hem te betalen kinderalimentatie. Uit die berekening blijkt het volgende. De totale draagkracht van partijen bedraagt in 2026 € 1.351,- per maand (€ 690,- van de vrouw en € 661,- van de man). Gelet op de totale behoefte van de kinderen in 2026 van € 1.439,- per maand is er een draagkrachttekort van € 88,- per maand. Omdat er een draagkrachttekort is, moet de man in beginsel zijn volledige draagkracht voor de kinderen aanwenden. De man mag een bedrag aan zorgkorting (de kosten van onder andere eten en drinken voor de kinderen op de dagen dat zij bij hem verblijven) op zijn draagkracht in mindering brengen. De zorgkorting bedraagt in dit geval (35% x € 1.439,-) € 504,- per maand. Omdat volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen iedere ouder de helft van het draagkrachttekort moet dragen, kan de man van de zorgkorting een bedrag van € 460,- (€ 504,- -/- € 44,-) in mindering brengen op zijn draagkracht. Uiteindelijk dient de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen van € 101,- (€ 661,- -/- € 460,- = € 201 : 2) per kind per maand met ingang van 7 januari 2026.
5.19
Het hof zal, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure gaat over hun kinderen, de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten betaalt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar in het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep genoemde aanvullende verzoeken;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 25 september 2025, voor zover daarbij de zorgregeling gedurende de zomer- en kerstvakantie is vastgesteld en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen is vastgesteld, en in zoverre opnieuw beschikkende:
-bepaalt dat de kinderen in afwijking van de reguliere zorg- en contactregeling:
gedurende de oneven jaren
van 24 december om 18.30 uur tot en met eerste kerstdag (25 december) om 18.30 uur bij de man verblijven en direct aansluitend tot en met tweede kerstdag (26 december) om 18.30 uur bij de vrouw;
en
van 31 december om 17.00 uur tot en met 1 januari om 17.00 uur bij de man verblijven;
-bepaalt dat de kinderen in afwijking van de reguliere zorg- en contactregeling:
gedurende de even jaren
van 24 december om 18.30 uur tot en met eerste kerstdag (25 december) om 18.30 uur bij de vrouw verblijven en direct aansluitend tot en met tweede kerstdag (26 december) om 18.30 uur bij de man;
en
van 31 december om 17.00 uur tot en met 1 januari om 17.00 uur bij de vrouw verblijven;
-bepaalt dat de kinderen in de zomervakantie gedurende twee aaneengesloten weken bij de ene ouder zijn en twee aaneengesloten weken bij de andere ouder, waarbij de man voor de oneven jaren uiterlijk op 1 december van het vorige (even) jaar schriftelijk mag aangeven welke twee weken de kinderen bij hem zijn en de vrouw voor de even jaren uiterlijk op 1 december van het vorige (oneven) jaar schriftelijk mag aangeven welke twee weken de kinderen bij haar zijn;
-bepaalt dat voor de overige twee weken van de zomervakantie de reguliere zorgregeling geldt;
-bepaalt dat het overdrachtsmoment zal plaatsvinden op school/de kinderopvang en, indien de kinderen niet naar school en kinderopvang gaan, in de speeltuin;
-bepaalt dat de kinderen eenmaal per week kunnen (video)bellen met de andere ouder;
verklaart voor recht dat de vrouw alle verblijfoverstijgende kosten dient te voldoen en (in dat kader) ervoor zorgt dat de kinderen voor hun verblijf bij de man voldoende kleding hebben;
-bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 7 januari 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 101,- per kind per maand zal betalen.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, P.B. Kamminga en I.J. Pieters, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 2 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.