ECLI:NL:GHARL:2026:4308

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/971
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbWet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen uitspraak WOZ-waarde en motivering bezwaar gemeente Rijssen-Holten

Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning te [woonplaats] waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2022 is vastgesteld op €384.000. De heffingsambtenaar legde op basis daarvan een aanslag onroerendezaakbelasting op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de waarde en de motivering van de uitspraak op bezwaar, met name over de kwalificatie van de ligging van de woning.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Tijdens de zitting op 28 mei 2026 werden de standpunten van partijen gehoord. Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd, mede doordat het advies van een taxateur uitgebreid ingaat op de bezwaargronden en de vergelijkingsmethode toepast.

Hoewel een andere taxateur in de beroepsfase de ligging lager waardeerde, leidt dit niet tot onvoldoende motivering. Het hof benadrukt dat de motivering voldoende inzicht geeft in de gronden van afwijzing, zodat belanghebbende een gedegen afweging kon maken. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/971
uitspraakdatum:
23 juni 2026
Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 februari 2024, nummer ZWO 23/2021, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan de
gemeente Rijssen-Holten(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2022 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2023 vastgesteld op € 384.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. H. Vloet, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een in 1938 gebouwde vrijstaande woning met een gebruiksoppervlakte van 129 m2. De woning is gelegen op een perceel van 400 m2.. Tot de onroerende zaak behoren verder een vrijstaande garage van 32 m2 en een overkapping van 13 m2.
2.2.
In het kader van de te nemen beslissing op bezwaar heeft de heffingsambtenaar een advies op laten stellen door [taxatiebureau] (hierna: het advies). In het advies wordt geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren en de WOZ-waarde te handhaven. Ten aanzien van de omstandigheid dat in de buurt van de onroerende zaak een school is gelegen staat in het advies het volgende opgenomen:

U wijst op de nabijgelegen school. Het door u genoemde argument is mogelijk van invloed op het persoonlijke woongenot, maar is geen waarde beïnvloedende factor bij de waardebepaling van de woning. Niet iedereen ervaart dit namelijk als negatief en daarmee waardedrukkend.
Verder staat in het advies dat de taxateur in het kader van de waardering overeenkomstig de vergelijkingsmethode de onroerende zaak heeft vergeleken met de volgende woningen: [adres2] te [woonplaats] , [adres3] te [woonplaats] en [adres4] te [woonplaats] . Ten aanzien van de onroerende zaak staat in het advies vermeld dat de kwaliteit, het onderhoud en de ligging alle worden gewaardeerd met een ‘3’.
2.3.
De heffingsambtenaar heeft het advies, inclusief de opmerkingen op de bezwaargronden van belanghebbende, overgenomen en onderdeel laten uitmaken van de uitspraak op bezwaar. Het advies heeft de heffingsambtenaar bijgevoegd bij de uitspraak op bezwaar.
2.4.
In beroep heeft de heffingsambtenaar ter onderbouwing van de vastgestelde waarde een waardematrix overgelegd van 19 oktober 2023 opgesteld door een taxateur van [taxatiebureau2] waarin de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2022 aan de hand van de vergelijkingsmethode is getaxeerd op € 384.000. In deze waardematrix zijn de volgende gegevens van de gebruikte vergelijkingswoningen vermeld:
1. [adres5] te [woonplaats] , een vrijstaande woning gebouwd in 1931, met een gebruiksoppervlakte van 130 m², een vrijstaande garage van 47 m2 en een carport van 8 m2. De woning ligt op een perceel van 785 m2 en is op 1 april 2021 verkocht voor € 559.000;
2. [adres6] te [woonplaats] , een vrijstaande woning gebouwd in 1933, met een gebruiksoppervlakte van 187 m², een kelder van 23 m2, twee vrijstaande bergingen met een oppervlakte van in totaal 41 m2 en een vrijstaande garage van 21 m2. De woning ligt op een perceel van 820 m2 en is op 1 juni 2021 verkocht voor € 476.500;
3. [adres4] te [woonplaats] , een vrijstaande woning gebouwd in 1933, met een gebruiksoppervlakte van 146 m², een kelder van 15 m2, een carport van 20 m2, een vrijstaande berging van 16 m2 en een overkapping van 32 m2. De woning ligt op een perceel van 536 m2 en is op 4 oktober 2021 verkocht voor € 481.000.
De ligging van de onroerende zaak heeft de taxateur in de waardematrix gesteld op ‘2’ (ondergemiddeld).

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend.
3.3.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2022 van € 384.000 door de heffingsambtenaar niet te hoog is vastgesteld.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar niet voldoende heeft gemotiveerd. Belanghebbende voert daartoe aan dat in de uitspraak op bezwaar fouten zijn gemaakt met betrekking tot de kwalificatie van de ligging van de onroerende zaak. Omdat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd, heeft belanghebbende in beroep moeten komen om een deugdelijke motivering te verkrijgen. Belanghebbende verbindt hieraan de conclusie dat hij recht heeft op een vergoeding van zijn proceskosten.
4.2.
Volgens de heffingsambtenaar is de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd.
4.3.
Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd en het bepaalde in artikel 7:12, lid 1, eerste volzin, Algemene wet bestuursrecht niet heeft geschonden. Het Hof overweegt daartoe dat in het advies, dat de heffingsambtenaar heeft betrokken in de uitspraak op bezwaar en dat in wezen de motivering van de uitspraak op bezwaar vormt, door de taxateur van [taxatiebureau] uitgebreid wordt ingegaan op alle bezwaargronden. Dat geldt ook voor de bezwaargrond ten aanzien van de invloed van de nabijgelegen school op de waardering van de ligging van de onroerende zaak. Daarnaast wordt in het advies beschreven dat de taxateur aan de hand van de vergelijkingsmethode heeft geconcludeerd dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. In het advies is een overzicht opgenomen van de gegevens van de vergelijkingswoningen die daarbij zijn gehanteerd. Dat de door de heffingsambtenaar in de beroepsfase ingeschakelde taxateur de ligging van de onroerende zaak – gelet op de waardering met een ‘2’ – kennelijk lager heeft ingeschat dan de taxateur van [taxatiebureau] in zijn advies, kan niet tot het oordeel leiden dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Waar het wat betreft de motivering van de uitspraak op bezwaar uiteindelijk om gaat is of de motivering, in het licht van hetgeen werd aangevoerd in bezwaar, de beslissing kan dragen en een belanghebbende uit die motivering kan afleiden op welke gronden zijn bezwaarschrift is afgewezen zodat hij een gedegen afweging kan maken of, en zo ja, op welke gronden hij de uitspraak op bezwaar in beroep wil bestrijden. Het advies geeft voldoende inzicht op welke gronden het bezwaarschrift van belanghebbende is afgewezen. Niet kan worden gezegd dat het advies de beslissing niet kan dragen..
4.4.
Belanghebbende heeft voor het overige geen feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie moeten leiden dat belanghebbende genoodzaakt was beroep in te stellen. Voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en/of het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, is daarom geen plaats.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, raadsheer, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op
23 juni 2026in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.