ECLI:NL:GHARL:2026:4223

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
200.356.772/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang bij ontruiming woning na levering

Partijen zijn ex-echtgenoten die sinds hun scheiding in 2009 meerdere procedures voeren over de verdeling van hun voormalige echtelijke woning. De woning is sinds de scheiding bewoond door geïntimeerde en uiteindelijk verkocht aan hun zoon.

De voorzieningenrechter wees een vonnis waarin appellant werd veroordeeld mee te werken aan onderhandse verkoop aan de zoon en stelde dat bij gebrek aan medewerking het vonnis in de plaats treedt van zijn rechtshandeling. Appellant stelde hoger beroep in tegen dit vonnis.

Het hof oordeelt dat appellant geen spoedeisend belang meer heeft bij zijn vordering tot ontruiming en verkoop, nu de woning reeds is geleverd. Zijn verzoek om een verklaring voor recht wordt in kort geding afgewezen. Daarnaast veroordeelt het hof appellant tot betaling van proceskosten van geïntimeerde wegens nodeloos doorprocederen na het tussenarrest. Het hoger beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen wegens ontbreken van spoedeisend belang; appellant wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.772/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 332363
arrest in kort geding van 23 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
hierna:
[appellant]
advocaat: mr. M.G. Blokziel te Almere
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
hierna:
[geïntimeerde]
advocaat: mr. L.B. Plantema-Volkers te Zwolle

1.Het verdere procesverloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Het hof heeft op 21 oktober 2025 een tussenarrest gewezen, waarin het hoger beroep op een aantal punten niet-ontvankelijk is verklaard omdat het hoger beroep niet tijdig was ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. De inhoud hiervan wordt hier overgenomen.
1.2
[appellant] heeft op 18 november 2025 de memorie van grieven ingediend. Hierna heeft [geïntimeerde] op 16 december 2025 een memorie van antwoord genomen, tevens houdende vordering proceskostenveroordeling genomen.
1.3
Vervolgens heeft op 28 mei 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De zaak in het kort

2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest en in 2009 van elkaar gescheiden. Sindsdien hebben zij onenigheid over de verdeling van de gemeenschap en met name over de verdeling van de voormalig echtelijke woning aan [adres1] te [woonplaats2] . Daarover zijn meerdere procedures gevoerd. De zitting in deze procedure in hoger beroep was volgens hen de 30ste zitting in de tussen partijen gevoerde procedures.
2.2
Sinds de scheiding woont [geïntimeerde] in de woning.
2.3
In het vonnis van 11 augustus 2021 – dat in hoger beroep op 20 december 2022 is bekrachtigd – heeft de rechtbank Overijssel, voor zover nog van belang, geoordeeld dat partijen over en weer mee moeten werken aan onderhandse verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning;
2.4
In eerste aanleg heeft [appellant] ontruiming van de woning gevorderd om deze door een makelaar openbaar te laten verkopen. [geïntimeerde] heeft in reconventie gevorderd dat [appellant] zijn medewerking verleent aan de onderhandse verkoop van de woning aan de zoon van partijen voor € 220.000, waarbij het vonnis bij gebreke van de medewerking hiervoor in de plaats treedt;
2.5
De voorzieningenrechter heeft – kort gezegd – de vorderingen van [appellant] afgewezen en de kosten van de procedure in conventie gecompenseerd. Dit zijn de beslissingen onder 6.1. en 6.2. Ten aanzien van de tegenvorderingen van [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter als volgt geoordeeld:

6.3. veroordeelt [appellant] om, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, mee te werken aan onderhandse verkoop en levering van de woning aan [adres1] te ( [postcode] ) [woonplaats2] , aan [naam1] tegen een bod van € 220.000.00.
6.4.
bepaalt dat, indien [appellant] de opgedragen medewerking aan de verkoop en/of levering niet verleent, dit vonnis in de plaats zal treden van de benodigde rechtshandeling en/of wilsverklaring van [appellant] ter ondertekening van de koopovereenkomst en/of akte.
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
6.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.6
[appellant] heeft vervolgens hoger beroep ingesteld. In het hiervoor genoemde tussenarrest van 21 oktober 2025 heeft het hof bepaald dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de onderdelen 6.3, 6.4 en 6.5 van het vonnis van de voorzieningenrechter.
2.7
Inmiddels is de woning geleverd aan [naam1] , de zoon van partijen.

3.De beoordeling

Het spoedeisend belang
3.1
In een kort geding dient het hof, zo nodig ambtshalve, eerst vast te stellen of de eiser van een voorlopige voorziening (in dit geval [appellant] ) ten tijde van de beoordeling door het hof in hoger beroep nog altijd een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering(en). Indien er geen spoedeisend belang is bij een vordering, moet die worden afgewezen.
3.2
[appellant] heeft bij de voorzieningenrechter partiële ontruiming van de woning gevorderd met als doel dat de makelaar de woning op Funda kan plaatsen en bezichtigingen kan inplannen, zodat de woning kan worden verkocht. Van (onder meer) de afwijzing van die vordering is [appellant] in hoger beroep gekomen. Gedurende dit hoger beroep is de woning geleverd aan [naam1] . Dit leidt ertoe dat [appellant] geen spoedeisend belang meer heeft bij zijn vordering.
3.3
[appellant] heeft ter zitting bij het hof aangevoerd dat het spoedeisend belang thans in hoger beroep is gelegen in het door het hof laten vaststellen dat de reële waarde van de woning had moeten worden bepaald aan de hand van meer marktwerking en dat die waarde onder druk komt te staan door een afvlakking van het woningaanbod. Dit standpunt gaat niet op. De oorspronkelijke vordering van [appellant] zag op de ontruiming en verkoop van de woning. De woning is verkocht, waarmee het spoedeisend belang bij die vordering is komen te vervallen. In wezen wenst [appellant] in hoger beroep een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onjuist heeft gehandeld, welke verklaring hij kan gebruiken voor de door hem aangekondigde volgende procedure, dat volgens partijen dan waarschijnlijk de 26ste procedure na de echtscheiding zou worden. Een verklaring voor recht kan evenwel niet in een kort geding worden afgegeven. Dit betekent dat de vordering van [appellant] niet toewijsbaar is en het hoger beroep niet slaagt.
3.4
Ten overvloede merkt het hof nog op dat, anders dan [appellant] meent, een onderhandse verkoop niet ook plaatsing op Funda impliceert. In veel publicaties wordt juist de onderhandse verkoop – als verkoop zonder veel publiciteit en zonder plaatsing van de woning op Funda – geplaatst tegenover de openbare verkoop waarbij wel plaatsing op Funda gebruikelijk is. Uit het vonnis van 11 augustus 2021 kan niet worden afgeleid dat de rechtbank onder de daar bevolen onderhandse verkoop (met toetsing door een makelaar van de biedprijs) plaatsing op Funda heeft voorgeschreven.
De proceskosten
3.5
Partijen hebben over en weer gevorderd om elkaar in de proceskosten van beide instanties te veroordelen. De rechtbank heeft de kosten gecompenseerd vanuit het uitgangspunt dat bij ex-echtelieden die tegen elkaar procederen over de afwikkeling van hun echtscheiding in beginsel wordt gecompenseerd. Het hof acht het in dit geval redelijk om daarvan af te wijken. [appellant] heeft nodeloos doorgeprocedeerd na het tussenarrest van het hof en heeft ook erop aangedrongen dat de 30ste zitting bij het hof doorgang vond en zich verzet tegen schriftelijke afdoening, zelfs toen de levering van de woning aan [naam1] al had plaatsgevonden (en [appellant] een punt maakte van het gebruik van de roepnaam van zijn zoon in het vonnis in plaats van zijn officiële naam). Het hof ziet daarin aanleiding om [appellant] te veroordelen tot betaling van de advocaatkosten van [geïntimeerde] conform het liquidatietarief. De overige kosten worden gecompenseerd. De vorderingen van partijen over en weer om elkaar te veroordelen in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter wijst het hof af.
De conclusie
3.6
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 6 juni 2025, voor zover ontvankelijk, zal verwerpen. Het hof zal [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen voor zover die kosten zien op het salaris van de advocaat van [geïntimeerde] , gerekend vanaf het tussenarrest. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak
. [1]
3.7
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
verwerpt het hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 6 juni 2025, voor zover [appellant] daarin nog ontvankelijk was;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x tarief II)
4.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M. Willemse en E. Leentjes, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853