ECLI:NL:GHARL:2026:4194

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
200.368.686
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling jongste kind ondanks zorgen over andere kinderen

De kinderrechter heeft het jongste kind van de moeder onder toezicht gesteld tot 26 maart 2027 vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling en onvoldoende medewerking aan vrijwillige hulpverlening. Zowel moeder als vader zijn tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan, terwijl de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling de ondertoezichtstelling willen handhaven.

Het hof overweegt dat de zorgen over de andere vijf kinderen, waarvan vier uit huis geplaatst zijn vanwege gedragsproblemen en verwaarlozing, niet automatisch betekenen dat de moeder niet in staat is het jongste kind te verzorgen. Toch is vastgesteld dat de moeder beperkte sensitiviteit en responsiviteit heeft, weinig probleembesef toont en moeite heeft met afstemmen op de behoeften van haar kinderen. Dit vormt een ernstige bedreiging voor de hechtingsrelatie en ontwikkeling van het jongste kind.

De moeder woont nog niet samen met de vader, waardoor de gezinsdynamiek onzeker is. Er zal een traject van intensieve ambulante gezinsbegeleiding starten om de opvoedondersteuning en gehechtheid te onderzoeken. De vrijwillige hulpverlening is ontoereikend omdat de moeder in het verleden hulpverlening weigerde of alleen onder druk meewerkte.

Daarom oordeelt het hof dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de veiligheid en ontwikkeling van het jongste kind te waarborgen. De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en blijft van kracht tot 26 maart 2027.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van het jongste kind wordt bekrachtigd tot 26 maart 2027 vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en onvoldoende zicht op veiligheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.368.686
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 607511
beschikking van 25 juni 2026
over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige6]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. A.G. Ouwejan
en
de raad voor de kinderbescherming regio Midden-Nederland(de raad)
die is gevestigd in Utrecht
en
[belanghebbende](de vader)
die woont in [woonplaats2]
en
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft [de minderjarige6] onder toezicht gesteld tot 26 maart 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige6] ( [de minderjarige6] ). [de minderjarige6] is geboren [in] 2026. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige6] .
2.2.
De moeder heeft nog vijf kinderen:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2024;
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2018;
  • [de minderjarige3] , geboren [in] 2019;
  • [de minderjarige4] , geboren [in] 2020 en
  • [de minderjarige5] , geboren [in] 2021.
[de minderjarige1] is tegelijk met [de minderjarige6] onder toezicht gesteld. De andere vier kinderen zijn in mei 2024 onder toezicht gesteld en in april 2025 uit huis geplaatst.
2.3.
[de minderjarige6] woont bij de moeder.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft verzocht [de minderjarige6] onder toezicht te stellen voor een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toegewezen en [de minderjarige6] onder toezicht gesteld tot 26 maart 2027.
3.3.
Die beslissing is uitgesproken op 26 maart 2026 en op schrift gesteld op 2 april 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter voor zover het de ondertoezichtstelling van [de minderjarige6] betreft. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter om [de minderjarige6] onder toezicht te stellen ongedaan maakt.
4.2.
De vaderis het ook niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.3.
De raad en de GIwillen dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 7 mei 2026
  • het verweerschrift van de raad
4.5.
De zitting bij het hof was op 16 juni 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • de vader
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad)
  • twee vertegenwoordigers van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
De moeder is van mening dat geen sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige6] en dat geen noodzaak bestaat voor een ondertoezichtstelling. Zij voert aan dat sprake is van een totaal andere situatie dan toen haar oudste vier kinderen nog thuis woonden. [de minderjarige6] is van een andere vader en zij wordt grootgebracht en opgevoed in een liefdevolle relatie. Haar situatie verschilt wezenlijk van die van de andere kinderen en moet zelfstandig worden beoordeeld. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige6] is disproportioneel en onvoldoende gemotiveerd, aldus de moeder. Bovendien blijft de GI zicht houden op het welzijn van [de minderjarige6] , omdat [de minderjarige1] nog bij de moeder woont, onder toezicht is gesteld en tegen die beslissing geen hoger beroep is ingesteld.
5.3.
Het hof vindt – net als de kinderrechter – dat de zorgen die er zijn over de andere kinderen van de moeder niet per definitie maken dat ervan moet worden uitgegaan dat zij niet in staat is om [de minderjarige6] goed te verzorgen en op te voeden. Toch vindt ook het hof dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling van [de minderjarige6] is voldaan. Het hof sluit zich aan bij de motivering van de kinderrechter voor die beslissing, neemt die over en voegt daaraan nog het volgende toe.
5.4.
Het hof kan de ogen niet sluiten voor alles wat er is gebeurd met betrekking tot de andere kinderen van de moeder. De uithuisgeplaatste kinderen hebben allemaal last van gedragsproblemen en dat roept vragen op over het vermogen van de moeder om [de minderjarige6] te verzorgen en op te voeden. Bij de oudste vier kinderen is sprake geweest van verwaarlozing en trauma en in het perspectiefonderzoek van [naam1] is de conclusie getrokken dat deze kinderen niet terug naar huis kunnen. De zorgen zijn niet beperkt tot of specifiek voor die kinderen, maar zijn ook voor een belangrijk deel terug te voeren op de moeder. De moeder heeft in hoger beroep ook erkend dat zij bij deze kinderen niet altijd de juiste keuzes heeft gemaakt. Uit het dossier komt naar voren dat zij een beperkte sensitiviteit en responsiviteit heeft, dat zij beperkt leerbaar is, weinig probleembesef heeft en moeite heeft met afstemmen op de behoeften van de kinderen. Dat is direct relevant voor [de minderjarige6] en de hechtingsrelatie die zij moet opbouwen met de moeder en daarin is dus ook de ernstige ontwikkelingsbedreiging gelegen. Er moet duidelijkheid komen over de mogelijkheden en onmogelijkheden van de moeder. Zonder een ondertoezichtstelling is er onvoldoende zicht op de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige6] .
5.5.
Moeder voert nog aan dat de gezinssituatie nu anders is, maar dat maakt het oordeel van het hof niet anders. Zoals uit het voorgaande blijkt, is de ernstige ontwikkelingsbedreiging vooral gelegen in het risico dat de hechting van [de minderjarige6] schade oploopt door de beperkte draagkracht, de opvoedvaardigheden en leerbaarheid van de moeder. Bovendien woont de moeder op dit moment nog niet samen met de vader, is er nog geen zicht op hem en vanzelfsprekend ook nog niet op de toekomstige nieuwe gezinsdynamiek na de samenwoning. Dat zal in het traject bij [naam2] inzichtelijk worden, een traject dat op korte termijn van start zal gaan. De GI heeft ter zitting namelijk toegelicht dat zal worden gestart met intensieve ambulante gezinsbegeleiding vanuit [naam2] voor beide thuiswonende kinderen, waarbij wordt onderzocht wat er nodig is aan opvoedondersteuning in de thuissituatie en wat de stand van zaken is met betrekking tot de gehechtheid van de kinderen. Hoewel moeder aanvoert dat er zicht blijft op de situatie van [de minderjarige6] door de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , zal zij niet in dit traject worden betrokken als de ondertoezichtstelling wordt beëindigd en dat is naar het oordeel van het hof wel nodig.
5.6.
Moeder heeft verder aangevoerd dat zij hulp accepteert en zelf inschakelt. Dat is weliswaar zo, maar ook is gebleken dat de moeder in het verleden hulpverlening weigerde of pas haar medewerking verleende als druk op haar werd uitgeoefend. Dit is een terugkerend patroon in het dossier, zodat de kans bestaat dat de moeder opnieuw hulpverlening uit de weg zal gaan wanneer het gedwongen kader wegvalt. Om die reden is het vrijwillig kader voor [de minderjarige6] ontoereikend.
5.7.
De beslissing van de kinderrechter moet daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 maart 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, S. Kuijpers en A.T. Bol, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW