Uitspraak
mr. K. Boonstra, is aangedragen.
- verdachte van het primair tenlastegelegde (poging tot doodslag) vrijgesproken en voor het subsidiair tenlastegelegde (poging tot zware mishandeling) veroordeeld;
- aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest;
- de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 12.831,26 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat partijen hun eigen proceskosten dragen.
- de zaklamp verbeurd verklaard.
Het hof vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht.
1.Standpunten van de procespartijen
2.Oordeel van het hof
3 november 2024, opgenomen op pagina 161 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende als verklaring van [naam 1] :
8 november 2024, opgenomen op pagina 166 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende als verklaring van [naam 2]
3 november 2024, opgenomen op pagina 117 e.v. van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende als verklaring van brigadier [naam 3] :
30 januari 2025, opgenomen op pagina 124 e.v. van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende als verklaring van brigadier [naam 4] :
30 oktober 2024, opgenomen op pagina 154 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende als verklaring van [naam 5] :
Dat getuigen op onderdelen iets verschillend verklaren, maakt niet zonder meer dat hun verklaringen als geheel onbetrouwbaar zijn. Het hof kan niet uitsluiten, maar acht het evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meerdere slaande bewegingen richting het hoofd van aangever heeft gemaakt en daarbij meerdere keren het hoofd van aangever heeft geraakt. Gelet ook op de letselbeschrijving gaat het hof uit van één slaande beweging, waarbij aangever op zijn voorhoofd is geraakt. Van belang daarbij is voorts dat de getuigen en aangever in ieder geval verklaren dat verdachte één keer met een zaklamp in de richting van het hoofd van aangever heeft geslagen, waarbij aangever op het hoofd is geraakt en letsel is ontstaan. Dat verdachte éénmaal het hoofd van aangever heeft geraakt, wordt ook niet door verdachte betwist. Getuige [getuige] heeft – geconfronteerd met het verschil tussen donker en licht – bij de rechter-commissaris verklaard dat hij goed heeft kunnen zien wie binnen kwam. Het hof heeft gelet op zijn verklaring geen reden om aan te nemen dat sprake is geweest van verblinding door het licht, zoals door de raadsman is geopperd. Het hof acht de verklaring van [getuige] betrouwbaar. De verklaring is gedetailleerd en vindt op onderdelen steun in andere bewijsmiddelen. Uit de verklaring van getuige [getuige] leidt het hof bovendien af dat verdachte met kracht heeft geslagen (“
recht op het hoofd, zoals je met een hamer slaat”, “
het was echt bam met die Maglite” en “
je hebt hem heel hard geslagen en hij bloedde als een rund”.
Alles afwegend acht het hof een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 129 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient op deze straf in mindering te worden gebracht.
Dit betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis, tenzij hij zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit. Vanwege de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit legt het hof daarnaast een taakstraf aan verdachte op voor de maximale duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
in totaal € 124.143,47 ingediend. De benadeelde partij vorderde een bedrag van € 74.143,47 aan materiële schade en € 50.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen, te weten tot een bedrag van € 12.831,26 aan materiële schade en
€ 10.000,00 aan immateriële schade.
De deskundige van LOEF concludeert dat er sprake is van fysiek letsel, namelijk een hoofdwond en van neurologische klachten. De raadsman heeft erop gewezen dat de neurologische klachten van aangever door niemand objectief bevestigd zijn. De overige schadeposten zijn wel gebaseerd op de stelling dat verdachte verantwoordelijk is voor die neurologische klachten. De raadsman heeft het hof verzocht de overige schadeposten niet-ontvankelijk te verklaren.
De raadsman betoogt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat dit gedeelte van de vordering niet eenvoudig van aard is en daardoor een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit gedeelte van de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 1.000,00 tot € 2.500,00. Voor het overige heeft de raadsman het hof verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
De raadsman heeft het hof verzocht hiervan af te zien.
Uit dit medisch advies volgt dat de benadeelde partij ten gevolge van het geweldsincident op 29 oktober 2024 een trauma capitis op heeft gelopen met als gevolg licht traumatisch hersenletsel met een postcommotioneel syndroom en duizeligheid passend bij waarschijnlijk een contusie van het labyrinth. Daarnaast is sprake van een hoofdwond op het voorhoofd en heeft de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis. De benadeelde partij kende voor het geweldsincident geen medische voorgeschiedenis.
(€ 1.400,06), parkeerkosten (€ 222,40), boottickets (€ 2.408,51), overnachtingen tijdens ziekhuisperiode (€ 840,00), overnachtingen tijdens periode in revalidatiecentrum (€ 1.926,50) en begeleidingskosten (€ 4.350,00).
De wettelijke rente is verschuldigd tot de dag van volledige betaling. Om te bevorderen dat de geleden schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
gevangenisstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) dagen.
129 (honderdnegenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
€ 27.831,26 (zevenentwintigduizend achthonderdeenendertig euro en zesentwintig cent) bestaande uit € 12.831,26 (twaalfduizend achthonderdeenendertig euro en zesentwintig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
in aanwezigheid van de griffier mr. J.J. Zieleman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 juni 2026.