AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak poging doodslag en veroordeling poging zware mishandeling met taakstraf en schadevergoeding
Op 29 oktober 2024 sloeg verdachte met een metalen zaklamp van circa 495 gram en 28 cm lang hard op het hoofd van de benadeelde, waarbij deze letsel opliep. Verdachte werd primair verdacht van poging tot doodslag en subsidiair van poging tot zware mishandeling. Het hof sprak verdachte vrij van poging tot doodslag omdat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk met kracht heeft geslagen, wat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel inhield.
Het hof legde een gevangenisstraf op van 180 dagen, waarvan 129 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd deels toegewezen: € 12.831,26 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 oktober 2024.
De medische rapporten toonden aan dat het slachtoffer een hoofdwond, hersenschudding en posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen. De verklaringen van getuigen en het slachtoffer werden als betrouwbaar beoordeeld, terwijl het verweer van verdachte dat hij was uitgegleden en per ongeluk had geslagen werd verworpen. Het hof hield rekening met persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat het recidiverisico laag is, waardoor een deels voorwaardelijke straf passend werd geacht.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van poging tot doodslag en veroordeeld voor poging tot zware mishandeling met een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 129 voorwaardelijk, een taakstraf van 240 uur en een deels toegewezen schadevergoeding van € 27.831,26.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002614-25
Uitspraakdatum: 23 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 28 mei 2025 met parketnummer 18-349577-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1974 in [plaats 1] ,
wonende te [adres]
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 9 juni 2026 en wat op de zitting van de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. T. van der Goot, naar voren is gebracht. Verder heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door de benadeelde partij [benadeelde] en zijn raadsvrouw, mr. K. Boonstra, is aangedragen.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 28 mei 2025, waartegen het hoger beroep is gericht:
verdachte van het primair tenlastegelegde (poging tot doodslag) vrijgesproken en voor het subsidiair tenlastegelegde (poging tot zware mishandeling) veroordeeld;
aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest;
de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 12.831,26 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat partijen hun eigen proceskosten dragen.
de zaklamp verbeurd verklaard.
Het hof komt tot een deels andere bewijsmotivering en legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primairhij op of omstreeks 29 oktober 2024 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven meermalen (met kracht) met een zaklamp in de richting van het hoofd van die [benadeelde] heeft geslagen, waarbij die [benadeelde] (minstens) eenmaal op het hoofd is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiairhij op of omstreeks 29 oktober 2024 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen (met kracht) met een zaklamp in de richting van het hoofd van die [benadeelde] heeft geslagen, waarbij die [benadeelde] (minstens) eenmaal op het hoofd is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Beoordeling van het tenlastegelegde
Verdachte staat terecht voor de verdenking dat hij op 29 oktober 2024 in [plaats 2] , gemeente [gemeente] , opzettelijk heeft gepoogd [benadeelde] (hierna: aangever) van het leven te beroven, dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dit is primair tenlastegelegd als een poging tot doodslag en subsidiair als een poging tot zware mishandeling.
1.Standpunten van de procespartijen
1.1
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever, omdat de niet onaanzienlijke metalen zaklamp van verdachte met kracht op een nog kwetsbaarder deel van het hoofd van aangever terecht had kunnen komen dan nu het geval is geweest. Verdachte mag van geluk spreken dat hij aangever in de dynamische situatie van dat moment niet dodelijk heeft geraakt.
1.2
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft verklaard dat hij is uitgegleden op het bankje in [locatie] , waarbij hij tijdens zijn val aangever met zijn zaklamp op het hoofd heeft geraakt. De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van verdachte volgt dat er in het geheel geen sprake was van enige vorm van opzet. Niet kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het doden van aangever dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever. De raadsman heeft zijn twijfels geuit over de betrouwbaarheid van meerdere getuigenverklaringen. Hij heeft erop gewezen dat getuigen wisselend verklaren over de positie van de personen tijdens het incident in [locatie] en over het aantal klappen die verdachte zou hebben gegeven. Bovendien heeft getuige [getuige] niet alles goed kunnen zien, omdat hij door het licht in [locatie] moet zijn verblind.
2.Oordeel van het hof
2.1
De bewijsmiddelen
Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen wordt bewezenverklaard de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 november 2024, opgenomen op pagina 161 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende als verklaring van [naam 1] :
In verband met een excursie wilden wij naar [locatie] . Wij wilden aldaar genieten van de sterren en het hele donkere gebied. Wij zijn met de strandbus bij [locatie] gestopt en hebben daar gekeken en genoten van de sterren en de donkerte.
Op een gegeven moment kwam er een Land Rover in de richting van ons rijden. Ik zag dat de Land Rover veel licht voerde en daardoor de beleving van de donkerte en de sterren enigszins verstoorde. Ik vond het rijgedrag van de bestuurder (het hof begrijpt: aangever) van de Land Rover provocerend. Ik zag dat de Land Rover stopte nabij [locatie] . Ik zag dat er mensen uit de Land Rover stapten en hoorde dat er vanuit onze groep geroepen werd om de lampjes uit te doen. Ik zag dat de mensen die uit de Land Rover stapten direct [locatie] binnen gingen via de trap. Kort daarop zag ik dat er een licht uit [locatie] scheen in de richting van het strand. Ook nu werd eigenlijk de donkerte weer verstoord. Ik zag dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) naar de trap van [locatie] liep. Ik zag dat [verdachte] geïrriteerd was toen hij naar boven ging.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 november 2024, opgenomen op pagina 166 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende als verklaring van [naam 2]
V: In de brief geef je aan dat er een jeep aan kwam rijden met een aanzienlijke snelheid.Kun je hier meer over vertellen?
A: Ik vond het te snel omdat het donker was. (...) Ik zou er ook niet tussendoor rijden.(...) Ik schrok van de snelheid.
V: Had je de indruk dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) geïrriteerd was?
A: Nou, hij was niet heel blij. Het was niet dat hij dacht ik ga het even vriendelijk vragen.Ik hoorde aan zijn intonatie van, dit is serieus.
V: Wanneer sloeg dat om?
A: Die jeep kwam eraan rijden. Ik weet, dat vindt mijn broer (het hof begrijpt: verdachte) niet leuk. Dat had hij die zaterdag ervoor ook meegemaakt. Ik weet dat hetzelfde bedrijf dat had gedaan.
3. De door verdachte op de zitting van de rechtbank van 15 mei 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik was op 29 oktober 2024 in [locatie] in [plaats 2] op [gemeente] . Toen ik de trap van het huisje inliep had ik een zaklamp in mijn hand.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2024, opgenomen op pagina 117 e.v. van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende als verklaring van brigadier [naam 3] :
Op 2 november 2024 werd onder [verdachte] een metalen zaklamp in beslag genomen.Ik heb de zaklamp gewogen op een niet geijkte weegschaal en zag dat de zaklamp 495 gram woog. Ik zag dat de zaklamp ongeveer 28 cm lang was.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 januari 2025, opgenomen op pagina 124 e.v. van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende als verklaring van brigadier [naam 4] :
De maten van [locatie] zijn als volgt:
Diepte is 3 meter en 30 centimeter.
Breedte is 3 meter en 10 centimeter.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 oktober 2024, opgenomen op pagina 48 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende als verklaring van [benadeelde] :
Op 30 oktober 2024 (het hof begrijpt: 29 oktober 2024) was ik in [locatie] in [plaats 2] op [gemeente] . Ik zag een schim het huisje in zetten. De schim had een staaf beet. Ik zag dat de schim uithaalde en mij op mijn kop sloeg. Ik voelde pijn op mijn hoofd. Aan de stem te horen herkende ik [verdachte] .
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 oktober 2024, opgenomen op pagina 154 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende als verklaring van [naam 5] :
In het binnen gedeelte van het drenkelingenhuis zag ik dat [naam 6] (het hof begrijpt: aangever) een kleine zaklamp met een klein lichtje op een balk boven hem legde. Wij mochten toen onze namen in het houtwerk noteren. Terwijl wij hier mee bezig waren zag ik dat een man (het hof begrijpt: verdachte) de ruimte binnenstormde. Ik zag toen dat de man een grote zware zaklamp in zijn hand had en daarmee [naam 6] hard op zijn hoofd sloeg. Dit gebeurde allemaal zo snel en ik was totaal overdonderd.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris in strafzaken d.d. 7 mei 2025, inhoudende als verklaring van A. [getuige] :
Op 29 oktober 2024 was ik in [locatie] in [plaats 2] op [gemeente] .Toen kwam er ineens een Land Rover aan van een andere toeristische attractie. Die reed door onze groep heen om de auto te parkeren, vlak naast het huisje. Hij (het hof begrijpt:aangever) sprong uit de auto, samen met de toeristen. Die chauffeur van de Land Rover klimt [locatie] in. (..) Toen gingen we [locatie] in. Ik maakte een praatje met de leider van de andere groep (het hof begrijpt: aangever). Toen ik met hem stond te praten pakte hij zijn zaklamp en legde die op de dwarsbalk. Toen kwam onze reisleider [verdachte] naar boven stampen en pakte hij zijn Maglite (het hof begrijpt: zijn zaklamp) en sloeg degene met wie ik stond te praten recht op zijn hoofd, zoals je met een hamer slaat [getuige heft zijn rechtervuist boven zijn hoofd en brengt die snel naar beneden]. Het was echt bam met die Maglite. Het klopt naar mijn herinnering dat er wel een paar woorden gewisseld zijn voor het slaan over de zaklamp. De buschauffeur (het hof begrijpt: verdachte) zei daarna buiten: ik ben effe gevallen, niks aan de hand. Ik zei toen: nou jonge, je moet wel effe het eerlijke verhaal vertellen, doe even normaal, je hebt hem heel hard geslagen en hij (het hof begrijpt: aangever) bloedde als een rund. U houdt mij voor dat er een grens was tussen donker en licht en vraagt mij of ik goed kon zien wie het was die binnenkwam.Ja, 100%, ik zag wie het was.
9. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van GGD Friesland d.d. 5 december 2024, opgemaakt door drs. E.I. Hofstra, forensisch arts, opgenomen op pagina 106 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024297480 d.d. 12 maart 2025, inhoudende de letselrapportage van [benadeelde] :
Door de behandelend neuroloog werd geconcludeerd:
1. Eén dag na hoofdtrauma wisselend bewustzijnsverlies, forse hoofdpijn en bewegingsonrust, zonder afwijkingen op CT-scan van de schedel, hersenen en bloedvaten van en naar de hersenen De werkdiagnose is: klachten zijn ontstaan t.g.v een hersenschudding (‘postcommotioneel’), component onrust bij pijn door een onderhuidse bloeduitstorting aan de buitenzijde van de schedel, links op het voorhoofd (subgaleaal hematoom).
2. Duizeligheid, een 'trillend' gezichtswaarneming, anders gezegd een illusie van heen en weer gaande bewegingen van de omgeving (oscillopsie), instabiel looppatroon. Als mogelijke oorzaken (‘DD’ = differentiaaldiagnose) noemt de neuroloog: een kneuzing van het evenwichtsorgaan (labyrinth contusie), met mogelijk ook een psychogene component.
Op het voorhoofd links, net in/voor de haargrens bevindt zich een grillig verlopende streepvormige, onderbroken rode verkleuring met glimmend aspect, met eromheen rode vlekkerige verkleuringen. Het beeld past bij een enigszins wijkende, onscherpe of matig scherp begrensde huidonderbreking, met bloedvlekken rondom De grootte is geschat op ongeveer 2-5 mm breed en 3-5 cm lang. Het beeld is meest passend bij een scheurwond, mogelijk betreft het een snijwond.
2.2
Oordeel van het hof
Het hof gaat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op de zitting van het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verdachte is ondernemer op [gemeente] . Ook aangever is op [gemeente] als ondernemer actief. Beide ondernemingen richten zich op het toerisme. Er lijkt al gedurende enige tijd wrijving tussen beide partijen te zijn. Dit is op 29 oktober 2024 geëscaleerd. Op die dag organiseerde verdachte in de avond een zogenoemde [naam 7] -tocht op het strand, waarbij het draait om nachtbeleving en het ervaren van duisternis. Met een strandbus werden de toeristen door verdachte naar [locatie] op het strand gebracht. De toeristen zijn de strandbus uitgestapt en namen op het strand op verschillende posities plaats om de duisternis te beleven en foto’s te maken. Aangever verzorgde op dat moment vanuit zijn eigen onderneming ook een tocht op het strand. Op enig moment reed aangever met een Land Rover met veel licht dwars door de groep van verdachte en stopte met zijn voertuig nabij [locatie] . Aangever en zijn groep toeristen zijn vervolgens [locatie] binnengegaan. Kort daarna zagen personen op het strand dat er vanuit [locatie] licht scheen in de richting van het strand. Hierdoor werd het effect van de duisternis wederom verstoord. Getuigen verklaren dat verdachte toen zichtbaar geïrriteerd de trap van [locatie] is opgegaan. In [locatie] heeft verdachte op enig moment hard met een metalen zaklamp op het hoofd van aangever geslagen. Het voorwerp waarmee verdachte heeft geslagen betreft een metalen zaklamp van 28 centimeter lang met een gewicht van circa 495 gram. Uit de letselbeschrijving en de interpretatie van het letsel door de forensisch arts blijkt dat aangever hierdoor letsel heeft opgelopen aan zijn hoofd. Meer specifiek bestond het letsel van aangever uit een wond op het voorhoofd bij de haarlijn met een geschatte grootte van circa 3-5 centimeter lang en 0,2-0,5 cm breed. Aangever ervaarde nadien onder meer klachten als wisselend bewustzijnsverlies, forse hoofdpijn, bewegingsonrust en duizeligheid. Uit de medische stukken blijkt niet dat sprake is geweest van een schedelbreuk, hersenletsel of andere levensbedreigende complicaties.
Het hof merkt op dat het dossier verschillende getuigenverklaringen bevat waarin staat dat verdachte aangever meerdere keren met de zaklamp zou hebben geslagen in plaats van één keer. Ook verklaren getuigen op onderdelen verschillend over hun positie in [locatie] . Het hof acht het niet vreemd dat getuigen niet over alles precies hetzelfde hebben verklaard. Het incident speelde zich in korte tijd in een dynamische setting af in [locatie] van enkele m2 en het betrof een snel opeenvolgende gang van zaken. Dat getuigen op onderdelen iets verschillend verklaren, maakt niet zonder meer dat hun verklaringen als geheel onbetrouwbaar zijn. Het hof kan niet uitsluiten, maar acht het evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meerdere slaande bewegingen richting het hoofd van aangever heeft gemaakt en daarbij meerdere keren het hoofd van aangever heeft geraakt. Gelet ook op de letselbeschrijving gaat het hof uit van één slaande beweging, waarbij aangever op zijn voorhoofd is geraakt. Van belang daarbij is voorts dat de getuigen en aangever in ieder geval verklaren dat verdachte één keer met een zaklamp in de richting van het hoofd van aangever heeft geslagen, waarbij aangever op het hoofd is geraakt en letsel is ontstaan. Dat verdachte éénmaal het hoofd van aangever heeft geraakt, wordt ook niet door verdachte betwist. Getuige [getuige] heeft – geconfronteerd met het verschil tussen donker en licht – bij de rechter-commissaris verklaard dat hij goed heeft kunnen zien wie binnen kwam. Het hof heeft gelet op zijn verklaring geen reden om aan te nemen dat sprake is geweest van verblinding door het licht, zoals door de raadsman is geopperd. Het hof acht de verklaring van [getuige] betrouwbaar. De verklaring is gedetailleerd en vindt op onderdelen steun in andere bewijsmiddelen. Uit de verklaring van getuige [getuige] leidt het hof bovendien af dat verdachte met kracht heeft geslagen (“ recht op het hoofd, zoals je met een hamer slaat”, “ het was echt bam met die Maglite” en “ je hebt hem heel hard geslagen en hij bloedde als een rund”.
De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij is uitgegleden op het bankje in [locatie] en dat hij tijdens zijn val aangever met de zaklamp op het hoofd heeft geraakt, schuift het hof terzijde. Dit scenario is gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen en feitenvaststelling onaannemelijk. Het hof stelt vast dat verdachte de enige is die deze lezing van de gebeurtenis heeft gegeven. Geen enkele getuige heeft verklaard dat verdachte zou zijn gestruikeld, uitgegleden of gevallen. Zij spreken juist van bewust en gericht slaan op het hoofd van aangever.
Het hof ziet zich na de vaststelling van de feiten en omstandigheden voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte strafrechtelijk gekwalificeerd moet worden.
Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte vol opzet had op de dood van aangever dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof moet daarom beoordelen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op één van deze gevolgen.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals het overlijden van aangever of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Verdachte heeft, zichtbaar geïrriteerd over de situatie, hard met een zaklamp gericht op het hoofd van aangever geslagen. Verdachte heeft van bovenaf naar beneden geslagen, waarbij aangever op de voorkant van zijn hoofd is geraakt. Gelet op de massa, de lengte en het gewicht van de zaklamp heeft dit voorwerp eigenschappen die kunnen bijdragen aan een grotere krachtwerking bij het slaan. Aangever is door het handelen van verdachte niet levensbedreigend gewond geraakt.
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en zal verdachte hiervan vrijspreken.
Het hof stelt voorop dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel betreft, maar niet in zijn geheel als één risicozone kan worden aangemerkt. Niet elk deel van het hoofd levert dezelfde kans op dodelijk letsel op. Hoewel de klap hard was en met een relatief zwaar voorwerp is toegebracht, is deze beperkt gebleven tot één slag op een locatie die niet direct dodelijk kwetsbaar is. Het hof is daardoor van oordeel dat de geweldshandeling die verdachte tegenover aangever heeft begaan niet de aanmerkelijke kans oplevert dat aangever door die handeling zou kunnen overlijden. Door aangever hard met een metalen zaklamp van een substantiële lengte en gewicht van boven naar beneden op het hoofd te slaan, bestond wel een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft met voornoemde gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever ten gevolge daarvan ernstig gewond zou kunnen raken.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
subsidiairhij op 29 oktober 2024 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met kracht met een zaklamp in de richting van het hoofd van die [benadeelde] heeft geslagen, waarbij die [benadeelde] éénmaal op het hoofd is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Vordering advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde (poging tot doodslag) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren en met aftrek van het voorarrest.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht om bij een eventuele veroordeling een taakstraf aan verdachte op te leggen, al dan niet in combinatie met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Aard en ernst van het feit
Op 29 oktober 2024 heeft er in de avond een ernstig geweldsincident plaatsgevonden in [locatie] op [gemeente] . Verdachte en aangever zijn beiden werkzaam op het eiland. Die avond boden zij ieder vanuit hun eigen onderneming een georganiseerde tocht aan voor toeristen op het strand. Bij verdachte ontstond op enig moment irritatie door het gedrag van aangever. Toen het licht vanuit [locatie] zijn [naam 7] -tocht verstoorde besloot verdachte [locatie] binnen te gaan en heeft hij zich vervolgens schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door aangever hard met een zaklamp op het hoofd te slaan. Met zijn handelen heeft verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever en hem pijn en letsel toegebracht. Tijdens de zittingen bij de rechtbank en bij het hof heeft aangever duidelijk naar voren gebracht dat het geweldsincident grote impact heeft op zijn leven en dat hij sinds het bewezen verklaarde feit nog dagelijks lichamelijke en mentale problemen ervaart. Verder zijn toeristen, onder wie kinderen, getuige geweest van het geweldsincident. Het hof acht het aannemelijk dat de gebeurtenis ook voor hen ingrijpend is geweest, zoals ook wel blijkt uit de verklaringen in het dossier.
Persoon van verdachte
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte van 11 mei 2026. Hieruit volgt dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling. Het gaat om een oud feit en deze weegt daarom niet in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
Ook heeft het hof de reclasseringsadviezen die zich in het dossier bevinden in aanmerking genomen. Bij een veroordeling schat de reclassering het recidiverisico in als laag. Daarbij maakt zij wel de kanttekening dat een langdurige stressvolle situatie kan bijdragen aan het verhogen van het risico op een geweldsuitbarsting door verdachte. Verder ziet de reclassering dat verdachte een stabiele leefsituatie heeft en zijn bij hem geen aanwijzingen gevonden voor psychopathologie. Als beschermende factor ziet de reclassering dat verdachte tijdens zijn voorlopige hechtenis contact heeft gezocht met een psycholoog en gedurende enige tijd gesprekken met deze psycholoog heeft gevoerd. Daarnaast is hij na zijn voorlopige hechtenis in gesprek gegaan met de burgemeester en politie van [gemeente] . Tevens staat verdachte open voor mediation. Uitgaande van een onderliggend conflict waar partijen zelfstandig onvoldoende uitkomen, is de reclassering van mening dat afspraken tussen verdachte en aangever wenselijk zijn. Wellicht dat er in een latere fase alsnog kan worden ingezet op een vorm van conflictbemiddeling. Bij een veroordeling wordt door de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd. De reclassering merkt op dat bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf bedrijfsschade zal ontstaan, omdat het bedrijf van verdachte enige tijd zal moeten sluiten.
Op de zitting van het hof heeft verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard dat hij samen met zijn huidige partner en zijn zoon uit een eerder huwelijk woont. Verdachte is grotendeels verantwoordelijk voor de huishouding en verzorging van zijn gezin, omdat zijn partner klachten ondervindt als gevolg van Long COVID. Verdachte is daarnaast verantwoordelijk voor het draaiende houden van zijn bedrijf. Zijn vader en compagnon is inmiddels op leeftijd en kan niet in staat worden geacht het bedrijf volledig te runnen. Wanneer verdachte op dit moment terug zou moeten naar de gevangenis, zou dit ingrijpende gevolgen hebben voor zijn persoonlijke leven.
Op te leggen straf
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsincident. Het hof kwalificeert het feit, anders dan de advocaat-generaal, wel minder zwaar. Dit rechtvaardigt een lichtere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte factoren aanwezig, waardoor een terugkeer naar de gevangenis op dit moment niet aangewezen is. Een forse voorwaardelijke gevangenisstraf kan verdachte er wel van weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Alles afwegend acht het hof een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 129 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient op deze straf in mindering te worden gebracht. Dit betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis, tenzij hij zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit. Vanwege de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit legt het hof daarnaast een taakstraf aan verdachte op voor de maximale duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Beslag
De politie heeft op 2 november 2024 een zaklamp van verdachte in beslag genomen, merk Maglite, met voorwerpnummer PL0100-2024297480-1769683.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in beslag genomen zaklamp verbeurd wordt verklaard.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft op de zitting van het hof afstand gedaan van de in beslag genomen zaklamp.
Oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat verdachte ter zitting afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen zaklamp en zal daarom geen beslissing nemen over dit inbeslaggenomen voorwerp.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft in eerste instantie een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 124.143,47 ingediend. De benadeelde partij vorderde een bedrag van € 74.143,47 aan materiële schade en € 50.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen, te weten tot een bedrag van € 12.831,26 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade.
De benadeelde partij heeft schriftelijk voorafgaande en op de zitting van het hof aangegeven de vordering tot schadevergoeding te willen aanpassen. De vordering is aldus gewijzigd dat deze uitsluitend nog ziet op de door de rechtbank toegewezen materiële schadeposten van in totaal € 12.831,26 en op de oorspronkelijk gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde immateriële schadepost van € 50.000,00. Verder heeft de benadeelde partij aanvullende kosten gemaakt die zien op het verkrijgen van medisch advies ter (nadere) onderbouwing van zijn vordering. De gemaakte kosten hiervoor bedragen € 907,50. De benadeelde partij heeft het hof verzocht om bij toewijzing van een schadevergoeding en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel het bedrag waar de schadevergoedingsmaatregel op ziet te verhogen met € 907,50. Het hof moet een beslissing nemen over deze gevorderde bedragen tot schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij conform het vonnis van de rechtbank toewijsbaar is. Voor de nader in hoger beroep gevorderde kosten geldt dat deze in een civiele procedure beoordeeld moet worden.
Standpunt van de verdediging
Materiële schade
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde alleen de littekencrème van € 10,79 voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de overige schadeposten geen rechtstreeks verband hebben met het strafbare feit. De deskundige van LOEF concludeert dat er sprake is van fysiek letsel, namelijk een hoofdwond en van neurologische klachten. De raadsman heeft erop gewezen dat de neurologische klachten van aangever door niemand objectief bevestigd zijn. De overige schadeposten zijn wel gebaseerd op de stelling dat verdachte verantwoordelijk is voor die neurologische klachten. De raadsman heeft het hof verzocht de overige schadeposten niet-ontvankelijk te verklaren.
Immateriële schade
Ook voor wat betreft de immateriële schadevergoeding heeft de raadsman primair betoogd dat er geen bewijsbaar rechtstreeks verband is tussen de gestelde schade en het feit. De raadsman betoogt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat dit gedeelte van de vordering niet eenvoudig van aard is en daardoor een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit gedeelte van de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00 tot € 2.500,00. Voor het overige heeft de raadsman het hof verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Schadevergoedingsmaatregel
Het toewijzen van de kosten van het medisch advies van € 907,50 via de schadevergoedingsmaatregel zou neerkomen op een omzeiling van de wettelijke regeling. De raadsman heeft het hof verzocht hiervan af te zien.
Oordeel van het hof
Rechtstreeks verband
Naar het oordeel van het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
In dit kader acht het hof van belang dat als uitgangspunt geldt dat de bewijslast van het oorzakelijk (causaal) verband tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde schade in beginsel op de benadeelde partij rust. Daarbij mogen aan het te leveren bewijs geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg hoeft te staan aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Het gaat niet om medische maar om juridische causaliteit.
Wanneer een aantoonbare medische verklaring voor de klachten ontbreekt, dient volgens vaste rechtspraak het causaal verband tussen de klachten en het geweldsincident aan de hand van de volgende gezichtspunten te worden beoordeeld:
de geuite klachten dienen reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven te zijn, wat doorgaans het geval is bij een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten;
de benadeelde partij had de klachten voor het ongeval niet;
de klachten kunnen op zich door het geweldsincident worden verklaard;
een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt.
Wanneer op basis van die gezichtspunten het causaal verband tussen de klachten en het geweldsincident naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk is, moet vervolgens het causaal verband tussen die klachten en de gestelde schade worden vastgesteld.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij op de dag van het incident is behandeld door de huisarts. De huisarts heeft een hoofdwond gehecht. Omdat zijn gezondheidstoestand verslechterde is de benadeelde partij de volgende dag met een traumahelikopter naar het ziekenhuis in [plaats 3] gebracht. Daar heeft hij 11 dagen verbleven, waarna hij is overgeplaatst en tot 6 december 2024 heeft verbleven in een revalidatiecentrum. Aansluitend is de benadeelde partij poliklinisch behandeld.
Ter nadere onderbouwing van zijn vordering zijn namens de benadeelde partij in hoger beroep nieuwe stukken aan het dossier gevoegd, waaronder een medisch advies van 19 mei 2026. Uit dit medisch advies volgt dat de benadeelde partij ten gevolge van het geweldsincident op 29 oktober 2024 een trauma capitis op heeft gelopen met als gevolg licht traumatisch hersenletsel met een postcommotioneel syndroom en duizeligheid passend bij waarschijnlijk een contusie van het labyrinth. Daarnaast is sprake van een hoofdwond op het voorhoofd en heeft de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis. De benadeelde partij kende voor het geweldsincident geen medische voorgeschiedenis.
Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte met kracht met een zaklamp in de richting van het hoofd van de benadeelde partij heeft geslagen, waarbij de benadeelde partij éénmaal op het hoofd is geraakt. Niet ter discussie staat dat een dergelijk geweldsincident lichamelijke en mentale klachten kan veroorzaken. Het hof stelt vast dat de klachten die de benadeelde partij sinds het geweldsincident heeft ervaren, bestaande uit onder meer (maar niet uitsluitend) hoofdpijnklachten, wisselend bewustzijn, vermoeidheidsklachten, duizeligheid, geheugenverlies, wankel looppatroon, concentratieproblemen, onrust, kort na het geweldsincident zijn ontstaan en vóór het geweldsincident niet aanwezig waren. Voor het geweldsincident functioneerde de benadeelde partij zonder problemen en sindsdien kampt de benadeelde partij met aanhoudende pijn- en mentale klachten. Naar het oordeel van het hof is sprake van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten die op zich door het geweldincident kunnen worden verklaard. Een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt.
Materiële schade
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
De gestelde materiële schade heeft betrekking op medische kosten, het verblijf in het ziekenhuis en het revalidatiecentrum, alsmede op de daarmee gemoeide kosten. Het hof is van oordeel dat deze schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen. De overige gestelde (deels verplaatste) schade hangt samen met de zojuist besproken schadeposten en komt daarom ook voor vergoeding in aanmerking.
Het hof zal de materiële vordering toewijzen tot een bedrag van € 12.831,26. Dit bedrag betreft het totaal van de volgende materiële schadeposten: ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding (€ 853,00), medische kosten (totaal € 830,79), reiskosten (€ 1.400,06), parkeerkosten (€ 222,40), boottickets (€ 2.408,51), overnachtingen tijdens ziekhuisperiode (€ 840,00), overnachtingen tijdens periode in revalidatiecentrum (€ 1.926,50) en begeleidingskosten (€ 4.350,00).
Immateriële schade
Met inachtneming van wat hiervoor over het rechtstreekse verband is overwogen is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte ook rechtstreekse immateriële schade heeft geleden, bestaande uit lichamelijk letsel respectievelijk uit aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Een en ander is voldoende onderbouwd met onder meer de eerder genoemde medische stukken. De benadeelde partij heeft naar het oordeel van het hof dan ook recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding.
Het hof heeft voor wat betreft de hoogte van deze schadevergoeding gelet op de Rotterdamse schaal. Het hof is van oordeel dat de gestelde immateriële schade valt binnen de categorie ‘Hersenletsel’, meer in het bijzonder ‘Categorie D’. Hoewel de benadeelde partij voldoende is hersteld om weer deel te nemen aan het normale sociale verkeer en in staat is om te werken, is op de zitting van het hof gebleken dat enkele functies nog beperkt zijn met gevolgen voor het dagelijks functioneren. Verder heeft de benadeelde partij een oppervlakkig litteken nabij de haargrens op zijn hoofd en een posttraumatische stressstoornis ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. Uit het medisch advies van 19 mei 2020 volgt dat voor de klachten die de benadeelde partij ervaart een blijvende invaliditeit kan worden toegekend van 1-3%. Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om te veronderstellen dat de gestelde schade in de toekomst niet verder zal oplopen. Gelet op het bovenstaande zal het hof het bedrag naar billijkheid begroten op € 15.000,00. Dit deel moet door verdachte worden vergoed. Naar het oordeel van het hof zijn partijen in hoger beroep voldoende in de gelegenheid geweest om het debat ten volle te voeren over de omvang van de immateriële schade. Het meer gevorderde van de immateriële schade wijst het hof af en hoeft verdachte dus niet te vergoeden.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft recht op wettelijke rente over de geleden materiële en immateriële schade vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten vanaf 29 oktober 2024. De wettelijke rente is verschuldigd tot de dag van volledige betaling. Om te bevorderen dat de geleden schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
De benadeelde partij heeft het hof verzocht om het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel te verhogen met € 907,50 in verband met de kosten voor het medisch advies. Het hof stelt voorop dat een vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij niet kan worden verhoogd in de hoger beroepsfase. Ingevolge het derde lid van artikel 421 vanPro het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering, voor zover die vordering door de rechtbank niet is toegewezen. Volgens vaste jurisprudentie moet de in deze wetsbepaling opgenomen beperking zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd, en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen.
De strafrechter kan ambtshalve, los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering, de in artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
Naar het oordeel van het hof vereist het hierboven omschreven verbod tot verhoging van de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep tot zeer terughoudende toepassing van de mogelijkheid om in hoger beroep over te gaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel die de hoogte van de initiële vordering van de benadeelde partij overstijgt. Indien daartoe te lichtvaardig zou worden overgegaan, zou dit kunnen leiden tot omzeiling van het verbod tot verhoging daarvan. Dit impliceert dat de mogelijkheid tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel in hoger beroep, die de hoogte van de vordering van de benadeelde partij in eerste aanleg overstijgt, dient te worden voorbehouden aan zeer uitzonderlijke gevallen. Daarbij kan gedacht worden aan de gevallen waarin sprake is van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien. In het onderhavige geval is zo’n uitzonderlijk geval niet aan de orde. Het hof gaat daarom niet over tot oplegging van de gevorderde schadevergoedingsmaatregel voor een hoger bedrag.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 129 (honderdnegenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 27.831,26 (zevenentwintigduizend achthonderdeenendertig euro en zesentwintig cent) bestaande uit € 12.831,26 (twaalfduizend achthonderdeenendertig euro en zesentwintig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 27.831,26 (zevenentwintigduizend achthonderdeenendertig euro en zesentwintig cent) bestaande uit € 12.831,26 (twaalfduizend achthonderdeenendertig euro en zesentwintig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 151 (honderdeenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 oktober 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. F.E.J. Goffin en mr. E. Pennink, in aanwezigheid van de griffier mr. J.J. Zieleman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 juni 2026.