ECLI:NL:GHARL:2026:4131

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.365.801
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 onder a BWArt. 3 IVRKArt. 20 IVRKArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beëindiging ouderlijk gezag en voogdij benoeming afgewezen

De rechtbank Gelderland had op 27 november 2025 het ouderlijk gezag van de ouders over hun minderjarige kind beëindigd en de gecertificeerde instelling (GI) benoemd tot voogd. De ouders gingen hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het hof oordeelt dat de raad voor de kinderbescherming onvoldoende heeft onderbouwd dat de ouders de verzorging en opvoeding van het kind binnen een aanvaardbare termijn niet kunnen hervatten. Het perspectiefonderzoek uit 2022 toont aan dat de vader voldoende opvoedcapaciteiten heeft en dat de veiligheid van het kind thuis gewaarborgd is. Ook is niet gebleken dat de ouders voldoende begeleiding hebben ontvangen voorafgaand aan het onderzoek.

Daarnaast is de opvoedsituatie stabiel: het kind woont sinds 2021 in een gezinshuis, is daaraan gehecht en bezoekt de ouders regelmatig. De ouders willen niet dat het kind volledig terugkeert, maar wel langer bij hen verblijven. Het hof vindt dat een gezagsbeëindiging niet noodzakelijk is en niet in verhouding staat tot het belang van het kind.

Het hof vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de raad af. Het subsidiaire verzoek van de ouders om een deskundige te benoemen wordt niet behandeld. Het kind is gehoord en het hof verwacht dat de GI en ouders de beslissing met elkaar afstemmen en de gezinshuisouders informeren.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag af, waardoor het gezag bij de ouders blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.801
zaaknummer rechtbank Gelderland 454518
beschikking van 23 juni 2026
over het ouderlijk gezag over [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker1](de vader)
en
[verzoekster2](de moeder),
die wonen in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.L. Witteveen,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
die is gevestigd in Arnhem,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
die is gevestigd in Amsterdam.
Als informanten zijn aangemerkt:
[belanghebbenden](de gezinshuisouders).

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (verder: de rechtbank), heeft op 27 november 2025 het ouderlijk gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige] beëindigd en de GI benoemd tot voogd. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2010.
2.2.
Tot de beslissing van de rechtbank van 27 november 2025 hadden de ouders samen het gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] staat sinds 13 januari 2020 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt nu nog tot 13 januari 2027.
2.4.
[de minderjarige] is uithuisgeplaatst. Hij woont sinds juli 2021 in een gezinshuis.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De rechtbank heeft op verzoek van de raad het ouderlijk gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige] beëindigd en de GI benoemd tot voogd.
3.2.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 27 november 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de rechtbank vernietigt en het verzoek van de raad alsnog afwijst. Als het hof dat niet (meteen) doet, willen zij dat het hof een deskundige benoemt om onderzoek te doen naar de opvoedbehoefte van [de minderjarige] en de opvoedvaardigheden van de ouders.
4.2.
De raad is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. De raad wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat en het verzoek van de ouders om een deskundige te benoemen, afwijst.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 27 februari 2026;
  • het verweerschrift van de raad;
  • de stukken van de ouders, ingediend op 20 mei 2026.
4.4.
[de minderjarige] heeft op 18 mei 2026 gesproken met een rechter van het hof, in het bijzijn van een griffier. Hij heeft verteld hoe het met hem gaat en wat hij vindt van het gezag.
4.5.
De zitting bij het hof was op 29 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de ouders met hun advocaat en een vertrouwenspersoon (als toehoorder);
  • een vertegenwoordiger van de raad, en
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat is het toetsingskader?
5.1.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. [1]
5.2.
Bij de beoordeling van een verzoek om het gezag te beëindigen staat het belang van het kind voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
5.3.
Een gezagsbeëindiging betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder en kind. Een dergelijke inmenging is slechts gerechtvaardigd indien het beëindigen van het ouderlijk gezag in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechter dient na te gaan of gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteit) en of het beoogde resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief kan worden bereikt (subsidiariteit). [3]
Hoe oordeelt het hof?
5.4.
Het hof is in de eerste plaats van oordeel dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat de ouders de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kunnen nemen. Het hof legt dit hierna uit.
5.5.
Het hof volgt de ouders in hun stelling dat op basis van het perspectiefonderzoek van William Schrikker Gezinsvormen uit 2022 waarnaar de raad verwijst, niet kan worden uitgesloten dat de ouders 24 uur per dag zelf voor [de minderjarige] zouden kunnen zorgen. Uit het perspectiefonderzoek blijkt dat in elk geval de vader over voldoende opvoedcapaciteiten beschikt om aan te sluiten bij de specifieke opvoedbehoefte van [de minderjarige] en dat de veiligheid van [de minderjarige] thuis voldoende is gewaarborgd. De onderzoekers hebben daarbij weliswaar de kanttekening geplaatst dat alleen de situatie is onderzocht waarin [de minderjarige] gedurende de weekenden en vakanties bij de ouders verblijft, maar daaruit kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat de uitkomsten van het perspectiefonderzoek over de opvoedcapaciteiten van de vader en de veiligheid van [de minderjarige] bij de ouders niet gelden voor de situatie dat [de minderjarige] 24 uur per dag bij de ouders zou wonen.
Daarnaast is het hof niet gebleken dat de ouders voldoende begeleiding en ondersteuning hebben gekregen voordat het perspectiefonderzoek plaatsvond. De ouders hebben zelf hulpverlening ingeschakeld omdat zij moeite hadden met de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . In dat kader heeft [naam1] onderzoek gedaan naar de opvoedbehoefte van [de minderjarige] . De uitkomsten van het onderzoek door [naam1] waren in mei 2021 bekend. [de minderjarige] is al in juli 2021 uithuisgeplaatst. Het [naam2] heeft [de minderjarige] in 2022 gediagnosticeerd met een genafwijking, die gedragsproblemen tot gevolg kan hebben. In ongeveer dezelfde periode vond het perspectiefonderzoek plaats. Niet is gebleken dat de hulpverlening die de ouders hebben gekregen voordat het perspectiefonderzoek plaatsvond, voldoende aansloot bij de uitkomsten van de onderzoeken door [naam1] en het [naam2] en ook niet dat de ouders voldoende gelegenheid hebben gehad om met de uitkomsten van die onderzoeken aan de slag te gaan.
Verder volgt het hof de ouders in hun stelling dat het perspectiefonderzoek verouderd is. Er is inmiddels vier jaar verstreken. Volgens de ouders zijn er in de tussentijd nieuwe ontwikkelingen geweest, waarmee in het perspectiefonderzoek geen rekening is gehouden. Zo hebben de ouders inmiddels een groter netwerk. Bovendien heeft de moeder therapie gehad. Zij heeft dezelfde ziekte als [de minderjarige] en heeft door de therapie geleerd hoe ermee om te gaan dat [de minderjarige] deze aandoening heeft. De raad heeft dit niet betwist.
5.6.
In de tweede plaats is het hof van oordeel dat een gezagsbeëindiging niet noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] en geen recht doet aan de feitelijke situatie. Hierbij neemt het hof de volgende omstandigheden in aanmerking. De opvoedsituatie van [de minderjarige] is al geruime tijd stabiel. [de minderjarige] woont sinds vijf jaar bij de gezinshuisouders. Hij is aan hen gehecht en hij ontwikkelt zich goed. De ouders hebben een wezenlijk aandeel in zijn verzorging en opvoeding. [de minderjarige] verblijft elk weekend en in (een deel van) de vakanties bij de ouders. Dat verloopt positief. De ouders zien dat [de minderjarige] op zijn plek is in het gezinshuis en dat hij een band heeft met de gezinshuisouders. Zij willen niet (meer) dat [de minderjarige] weer volledig thuis komt wonen: zij willen hooguit dat [de minderjarige] langer bij hen verblijft dan nu het geval is. [de minderjarige] blijft in het gezinshuis wonen. Deze beslissing brengt daarin geen verandering.
Onvoldoende is gebleken dat [de minderjarige] zoveel onduidelijkheid ervaart over zijn opgroeiperspectief dat een gezagsbeëindiging om die reden noodzakelijk zou zijn.
Het argument van de raad dat de jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing spanning geven bij [de minderjarige] leidt ook niet tot een ander oordeel. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] zou een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing nog maar tweemaal nodig zijn.
5.7.
Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen en het verzoek van de raad alsnog afwijzen. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan het (subsidiaire) verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen.
5.8.
[de minderjarige] heeft in het gesprek met de rechter van het hof gezegd dat hij van zijn ouders wil horen wat de beslissing van het hof is. Het hof gaat ervan uit dat de GI en de ouders dit met elkaar afstemmen en dat de GI de gezinshuisouders hierover informeert.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 27 november 2025 en beslist:
6.2.
wijst het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de ouders en benoeming van de GI tot voogd alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, M.H.F. van Vugt en C.M. Schönhagen, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:266 lid 1 onder Pro a BW.
2.artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind (IVRK).
3.artikel 8 Verdrag Pro tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).