Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3993

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
21-004074-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 47 SrArt. 48 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: niet-ontvankelijkheid OM wegens verjaring verduistering en schuldwitwassen; veroordeeld tot taakstraf voor medeplegen witwassen

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Overijssel vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor de meer subsidiaire en meest subsidiaire feiten van verduistering en schuldwitwassen wegens absolute verjaring. Verdachte werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde oplichtingsfeit, maar veroordeeld voor medeplegen van witwassen en medeplichtigheid aan oplichting.

De zaak betreft een complexe fraude waarbij benadeelden werden misleid met valse documenten en toezeggingen over een lening van een groot bedrag via bedrijven in Nederland en Hongkong. Verdachte en medeverdachte 1 werkten nauw samen om een bedrag van €178.000,- te verkrijgen en wit te wassen via bankrekeningen en contante opnames. Het hof oordeelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het medewerken aan deze criminele activiteiten.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van de feiten, de geringe rol van verdachte ten opzichte van medeverdachte 1, zijn persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn. Daarom werd een taakstraf van 160 uren opgelegd, met vervangende hechtenis, en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het arrest is gewezen op 17 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren voor medeplegen van witwassen en medeplichtigheid aan oplichting, met niet-ontvankelijkheid van het OM voor verjaarde feiten.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004074-19
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2019 met parketnummer 08-950637-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1957 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 20 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 3 juni 2026 (sluiting onderzoek) en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. Zilver, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en over het bewijs dan de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Overijssel is de tenlastelegging twee keer gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijzigingen ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 maart 2013 tot en met 23 april 2013 in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 178.000 euro, in elk geval van enig geldbedrag,
immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- nadat die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] op 21 maart 2013 een eerste aanbetaling van 400.000 euro had overgemaakt, en die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] op 24 maart 2013 had laten weten nog niks te hebben ontvangen, aan die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] bericht dat zij de stukken zou krijgen (p. 1076), en/of
- (op of omstreeks 24 maart 2013) die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] een borgstelling van [bedrijf 1] doen toekomen (pp. 96 1-962). en/of
- die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] laten weten dat [bedrijf 1] , althans verdachte zelf, €200.000 had ingebracht (p. 960), en/of
- (op of omstreeks 27 maart 2013) een "loan agreement" / overeenkomst aan die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] doen toekomen waarin staat vermeld dat [bedrijf 2] uit Hong Kong 170 miljoen euro leent aan [bedrijf 1] (pp. 959, 874), en/of
- die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] laten weten dat een (tweede) aanbetaling van €178.000 nodig was, en/of (op of omstreeks 18 april 2013) die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] bericht dat die aanbetaling nodig was om de betaling (van de door [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] gewenste lening) te bespoedigen (p. 869), en/of
- (op of omstreeks 24 april 2013) die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] een "loan agreement' doen toekomen, waarin was bepaald dat der lening ter beschikking zou komen tien dagen nadat de (tweede) aanbetaling zou zijn ontvangen (pp. 882-892),
waardoor [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;
1. subsidiair
[medeverdachte 1] op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 maart 2013 tot en met 23 april 2013 in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 178.000 euro, in elk geval van enig geldbedrag,
immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- nadat die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] op 21 maart 2013 een eerste aanbetaling van 400.000 euro had overgemaakt, en die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] op 24 maart 2013 had laten weten nog niks te hebben ontvangen, aan die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] bericht dat zij de stukken zou krijgen (p. 1076), en/of
- (op of omstreeks 24 maart 2013) die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] een borgstelling van [bedrijf 1] doen toekomen (pp. 96 1-962). en/of
- die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] laten weten dat [bedrijf 1] , althans verdachte zelf, €200.000 had ingebracht (p. 960), en/of
- (op of omstreeks 27 maart 2013) een "loan agreement" / overeenkomst aan die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] doen toekomen waarin staat vermeld dat [bedrijf 2] uit Hong Kong 170 miljoen euro leent aan [bedrijf 1] (pp. 959, 874), en/of
- die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] laten weten dat een (tweede) aanbetaling van €178.000 nodig was, en/of (op of omstreeks 18 april 2013) die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] bericht dat die aanbetaling nodig was om de betaling (van de door [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] gewenste lening) te bespoedigen (p. 869), en/of
- (op of omstreeks 24 april 2013) die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] een "loan agreement" doen toekomen, waarin was bepaald dat der lening ter beschikking zou komen tien dagen nadat de (tweede) aanbetaling zou zijn ontvangen (pp. 882-892),
waardoor [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 april 2013 tot en met 23 april 2013 te [plaats] , gemeente [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , en/of elders in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft
door de bankrekening ( [rekeningnummer] ) van zijn, verdachtes, bedrijf ( [bedrijf 3] ") aan die [medeverdachte 1] ter beschikking te stellen;
1. meer subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 23 april 2013 t/m 30 mei 2013 te [plaats] , gemeente [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk 178.000 euro, althans 21.000 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als aanbetaling ten behoeve van een (verzekering voor een) financiering, onder zich had(den),
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
1. meest subsidiair
[medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 23 april 2013 t/m 30 mei 2013 te [plaats] , gemeente [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk 178.000 euro, althans 21.000 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als aanbetaling ten behoeve van een (verzekering voor een) financiering, onder zich had(den),
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 april 2013 tot en met 23 april 2013 te [plaats] , gemeente [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , en/of elders in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft
door de bankrekening ( [rekeningnummer] ) van zijn, verdachtes, bedrijf ( [bedrijf 3] ") aan die [medeverdachte 1] ter beschikking te stellen;
2.
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 februari 2013 tot en met 30 mei 2013 in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
van een of meer voorwerpen, te weten -een geldbedrag van 178.000 euro althans enig geldbedrag,
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat geldbedrag van 178.000 euro was of wie dat geldbedrag voorhanden had,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf,
immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
- nadat dat geldbedrag was overgemaakt op een bankrekening [bedrijf 3] , dat geldbedrag (al dan niet in gedeelten) overgeboekt/doorgeboekt naar een of meer andere bankrekeningen (op naam van anderen dan van verdachte of van [bedrijf 3] ), en/of
- (vervolgens) die (deel)bedragen contant van die rekeningen opgenomen, althans die (deel)bedragen contant gemaakt
en/of
hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 februari 2013 tot en met 30 mei 2013 in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
-een geldbedrag van 178.000 euro althans enig geldbedrag, heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof constateert dat sinds de pleegdatums van de ten laste gelegde feiten meer dan twaalf jaren zijn verstreken. Voor feiten waarop een gevangenisstraf van maximaal drie jaren is gesteld, vervalt het recht op strafvervolging in ieder geval na twaalf jaren (artikel 70 lid Pro 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr)). Dat betekent dat de onder 1 meer subsidiair en meest subsidiair (verduistering) en 2 impliciet subsidiair (schuldwitwassen) ten laste gelegde feiten zijn verjaard. Het hof verklaart het openbaar ministerie ten aanzien van die feiten daarom niet-ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair en 2 tenlastegelegde.
Ten aanzien van feit 1 heeft hij aangevoerd dat verdachte niet wist dat aan [benadeelden] een verkeerde voorstelling van zaken was voorgespiegeld en dat verdachte geen opzet heeft gehad op de oplichting.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat medeverdachte [medeverdachte 1] in scène heeft gezet dat hij is beroofd van het bedrag van € 178.000,-.
Oordeel van het hof [1]
Inleiding
Het hof gaat op grond van het dossier uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 11 juni 2013 heeft [naam] , als financieel manager werkzaam bij [benadeelde 2] te [plaats] , namens deze onderneming aangifte van oplichting gedaan. [2] Uit deze aangifte – en uit latere verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [3] – komt naar voren dat [naam] [4] , directeur-grootaandeelhouder en bestuurder van deze onderneming, [bedrijf 4] te [plaats] wilde overnemen en daarvoor financiering probeerde te regelen. Omdat de financiering via banken niet rondkwam, is zij op de particuliere markt verder gaan zoeken en via een zakenrelatie in februari 2013 in contact gebracht met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam] , alle drie bestuurders van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [5] [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben [benadeelden] voorgehouden dat [bedrijf 1] met een bedrijf in Hongkong, genaamd [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), een lening had afgesloten van € 170.000.000,-. [bedrijf 2] werd vertegenwoordigd door [naam] en [naam] (hierna: [naam] ). Van dit bedrag kon [benadeelden] van [bedrijf 1] € 5.830.000,- lenen voor de aankoop van de scheepswerf. Om deze financiering te verkrijgen, diende zij tien procent van het te lenen bedrag contant aan [bedrijf 1] te betalen, waarna [bedrijf 1] dat bedrag ten behoeve van een insolventieverzekering zou doorbetalen aan [bedrijf 2] . Omdat het [benadeelden] niet lukte om de volledige tien procent aan te betalen gingen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] akkoord met een aanbetaling van
€ 400.000,-. [6] [benadeelden] heeft dat bedrag niet contant betaald, maar heeft dat op 21 maart 2013 giraal overgemaakt op ING-rekening [rekeningnummer] van [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ), een bedrijf van [medeverdachte 2] . [7] Dit bedrag is vervolgens door [bedrijf 5] overgeboekt naar verschillende rekeningen van [medeverdachte 2] en van derden teneinde het bedrag zo snel mogelijk alsnog contant te maken. [8]
Het hof gaat er verder van uit dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 22 maart 2013 naar [plaats] zijn gereisd met een grote hoeveelheid contant geld om dit aan [naam] te doen toekomen. Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hebben dit verklaard. [9] Het hof gaat uit van de juistheid van hun verklaringen op dit punt nu het dossier daarvoor voldoende aanknopingspunten bevat, waaronder – naast verklaringen van getuigen – een sms-bericht van [medeverdachte 2] aan [naam] waaruit volgt dat zij die dag een contant geldbedrag van € 227.960,- voorhanden hadden. [10] Dit bedrag komt bovendien vrijwel overeen met het bedrag dat blijkens transactieoverzichten in het dossier op 22 maart 2013 contant was gemaakt. [11]
Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van elkaar afwijkende verklaringen hebben afgelegd over de omstandigheden waaronder dit geldbedrag is overgedragen aan [naam] , dan wel aan personen die zich voordeden als [naam] . Het hof is echter van oordeel dat aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] ernstig moet worden getwijfeld nu hij bij zijn verhoren bij de politie telkens wisselende en aantoonbaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Zo verklaarde hij op 3 juli 2013 dat een aantal dingen niet klopt en dat hij open naar de politie zal zijn, op 11 juli 2013 dat hij het gewoon niet meer weet, op 16 juli 2013 'Ik zit zo in de shit met die handel, wat als ik nu gewoon alles op tafel leg? Ik wil openheid van zaken geven, ik verdraai steeds alles. Ik wil opnieuw beginnen en alles eerlijk vertellen', en op 15 januari 2014 dat hij naar eer en geweten wil verklaren en zijn verhaal wil doen over wat er bij het hotel gebeurd is en dat 'het hele Engeland en Londen verhaal' niet waar is. Daarentegen zijn de verklaringen van [medeverdachte 2] [12] bij de politie en de rechter-commissaris over de overdracht van het contante geld aan [naam] , die er in zijn eigen woorden op neerkomen dat [medeverdachte 1] is overvallen, gedetailleerd en consistent en vinden die steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft getuige [getuige 1] , die op 22 maart 2013 mee is gereisd naar [plaats] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kort vóór en kort na de overdracht heeft gezien, verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met z'n tweeën het hotel binnen zijn gegaan, dat er daarna paniek was en dat ze vertelden dat het niet goed gegaan was. [13] Verder heeft de getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris verklaard, kort samengevat, dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld dat het geldbedrag van € 400.000,- dat op de rekening van [bedrijf 5] was gestort en dat vervolgens contant was gemaakt, bij een overval was gestolen. [14] Ook bevat het dossier een bericht van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] van 23 maart 2013, onder meer inhoudende dat [medeverdachte 1] 'beroofd' is en dat het 'een brute straatroof' c.q. 'diefstal of straatroof met voorbedachten rade' was. [15] Wat er van de in dit bericht genoemde kwalificaties ook zij, het hof stelt op grond van deze bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het contante geldbedrag van € 227.960,- op enige onvoorziene en onrechtmatige wijze – in ieder geval anders dan gepland – afhandig is gemaakt.
Feit 1 – oplichting
Op 22 april 2013 heeft [medeverdachte 1] alle aandelen in [bedrijf 1] aan [verdachte] verkocht en overgedragen voor een bedrag van € 5.000,-. Naar eigen zeggen wist [verdachte] niets van de geschiedenis, administratie of verplichtingen van het bedrijf, behalve van de op handen zijnde betaling van [benadeelden] . Hij heeft [benadeelden] in dat verband opgezocht op internet en geconcludeerd dat het om een goede partij ging. [16]
In de betreffende overeenkomst van koop en verkoop van de aandelen in [bedrijf 1] van 22 april 2013, ondertekend door [medeverdachte 1] en [verdachte] , is in artikel 2. sub 2 en 4, en in artikel 5. sub 18 de contractuele relatie tussen [bedrijf 1] en [benadeelden] benoemd. Uit laatstgenoemd artikel is af leiden dat een aanvullend bedrag van € 178.000 nog door [benadeelden] moet worden betaald. [17] Naar zeggen van [verdachte] hebben hij en [medeverdachte 1] over die betaling van dat bedrag nog gesproken met [benadeelden] tijdens een ontmoeting in [plaats] . Dit bedrag wordt ook uitdrukkelijk benoemd in artikel 2 van Pro de tussen [verdachte] namens [bedrijf 1] en [benadeelden] op 24 april 2013 ondertekende 'loan agreement', met daarbij vermeld het bankrekeningnummer waarop dat gestort moest worden. Dat bankrekeningnummer is – naar later is gebleken en anders dan in die loan agreement staat – van [verdachte] 's in december 2012 gestaakte snackbar “ [bedrijf 3] .” Vaststaat dat dit bedrag op 23 april 2013 door [benadeelden] ook is overgemaakt op die rekening.
Op grond van het vorenstaande, en voorts gelet op de hierna te melden overvloedige correspondentie tussen [medeverdachte 1] en [benadeelden] in de periode vanaf 22 maart 2013 tot en met 23 april 2013, waaruit kort gezegd blijkt van de inspanningen van [medeverdachte 1] voor [bedrijf 1] om genoemd bedrag van € 178.000,- door [benadeelden] te laten betalen op de rekening van [verdachte] ’s voormalige snackbar, stelt het hof vast dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in bewuste en nauwe samenwerking gehandeld hebben ten aanzien van de aanvullende aanbetaling en dat zij gezamenlijk het bedrag van € 178.000,- voorhanden hebben gekregen nadat dit bedrag op 23 april 2013 op de rekening van " [bedrijf 3] " was overgeboekt. Voorts is het hof gebleken dat [medeverdachte 1] ook daarna nog beschikkingsmacht over dit geldbedrag heeft gehad. Dit leidt het hof af uit de verklaring van [verdachte] dat [medeverdachte 1] ook bij het contant maken van het geld betrokken is geweest [18] en uit de omstandigheid dat [medeverdachte 1] een dag na de overboeking door [benadeelden] , namelijk op 24 april 2013, aanwezig is geweest bij een ontmoeting tussen hemzelf, [verdachte] en [benadeelden] , om verder over de financiering te spreken. [19]
Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat [medeverdachte 1] na het voorval van 22 maart 2013 moet hebben geweten dat aan de gestelde voorwaarde voor het verkrijgen van de financiering onmogelijk nog kon worden voldaan. Niettemin bevindt zich in het dossier overvloedige correspondentie tussen [medeverdachte 1] en [benadeelden] uit de periode vanaf 22 maart 2013 tot en met 23 april 2013 – de onder 1 ten laste gelegde periode –, bevattende vertrouwenwekkende mededelingen van de kant van [medeverdachte 1] met betrekking tot de verkrijging van de door [benadeelden] gewenste lening – hij blijft de schijn ophouden dat die verstrekt gaat worden – alsmede daartoe door [medeverdachte 1] aan [benadeelden] gezonden stukken die – naar [medeverdachte 1] wist – niet op waarheid berustten. Zo heeft [medeverdachte 1] kort na het voorval van 22 maart 2013 sms-contacten met [benadeelden] , waarin zij aangeeft nog niets te hebben ontvangen en [medeverdachte 1] antwoordt dat zij de stukken zal krijgen. [20] Op 24 maart 2013 zendt [medeverdachte 1] haar een brief van [bedrijf 1] , inhoudende een borgstelling voor € 5.500.000,- ten behoeve van de scheepswerf. [21] Opmerkelijk is dat deze borgstelling door (onder meer) [naam] zou zijn ondertekend, terwijl [naam] aan [medeverdachte 1] – kort voordat [medeverdachte 1] deze borgstelling aan [benadeelden] toezond – per e-mail heeft laten weten de borgstelling niet te kunnen tekenen, omdat [bedrijf 1] niet over geld beschikt. [22] [medeverdachte 1] moet zodoende hebben geweten dat in elk geval de handtekening van [naam] onder dit document niet juist kon zijn. Ook heeft [medeverdachte 1] aan [benadeelden] laten weten dat [bedrijf 1] zelf € 200.000,- heeft ingebracht [23] , terwijl daarvan gedurende het onderzoek in het geheel niet is gebleken. Sterker nog, [medeverdachte 1] heeft zelf verklaard dat die eigen inbreng niet klopt. [24] Verder heeft [medeverdachte 1] aan [benadeelden] een zogenoemde ‘loan agreement’ tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] toegezonden, waarin staat vermeld dat [bedrijf 2] uit Hongkong 170 miljoen euro leent aan [bedrijf 1] . [25] Ook die ‘loan agreement’ is namens [bedrijf 1] op 27 maart 2013 ondertekend door [naam] , die dit heeft ontkend, terwijl [medeverdachte 1] moet hebben geweten dat [naam] die handtekening niet gezet kan hebben. [medeverdachte 1] verklaring dat hij de loan agreement heeft ontvangen in London en dat die op dat moment al ondertekend was, is in tegenspraak met een mailbericht van [medeverdachte 1] zelf waarin hij op 26 maart 2013 een blanco loan agreement ter ondertekening naar [naam] stuurt.
Verder mailt [medeverdachte 1] op 18 april 2013 aan [benadeelden] dat er nog een aanvullende aanbetaling van € 178.000,- moet worden overgemaakt om de betaling
(het hof begrijpt: de financiering van de scheepswerf)te bespoedigen. [26] Hij heeft dit herhaald bij sms-bericht aan [benadeelden] van 22 april 2013. [27]
Door de voormelde correspondentie is [benadeelden] gedurende een periode van een maand opzettelijk een voorstelling van zaken voorgespiegeld die niet strookte met de werkelijkheid. Gelet daarop merkt het hof deze misleidende correspondentie – zoals opgesomd onder de eerste vijf gedachtestreepjes in de tenlastelegging – in samenhang bezien aan als een samenweefsel van verdichtsels als bedoeld in artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ten gevolge van deze onjuiste voorstelling van zaken is [benadeelden] bewogen tot afgifte van een geldbedrag € 178.000,-. Zij heeft immers op 23 april 2013 dit bedrag overgemaakt – zij het, anders dan haar kennelijk was voorgespiegeld, niet op een bankrekening van [bedrijf 1] , maar op de bankrekening van [verdachte] ’s voormalige bedrijf “ [bedrijf 3] ” – in de verwachting dat daardoor financiering voor de aankoop van de scheepswerf rond zou komen.
Het hof leidt ten slotte – naast het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels – uit de omstandigheid dat het door [benadeelden] overgeboekte geldbedrag vervolgens in contanten is omgezet, waarna het niet meer getraceerd kon worden en tot op de dag van het onderzoek ter terechtzitting onduidelijk is gebleven waar dit geldbedrag is gebleven en waarvoor het is gebruikt, af dat [medeverdachte 1] daarbij het oogmerk had om zichzelf en/of [verdachte] te bevoordelen. Dat het geldbedrag van € 178.000,- is overgemaakt op een niet aan [medeverdachte 1] zelf toebehorende bankrekening, maar op een bankrekening van [verdachte] , doet hier niets aan af, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het door [medeverdachte 1] en [verdachte] gezamenlijk voorhanden krijgen van dat geldbedrag en de beschikkingsmacht die [medeverdachte 1] nadien daarover nog gehad heeft. Het hof gaat ten slotte voorbij aan het door de verdediging ter terechtzitting bepleite standpunt, erop neerkomend dat [medeverdachte 1] alles heeft gedaan in opdracht van [medeverdachte 2] en dat hij een doorgeefluik van [medeverdachte 2] is geweest. Dat is uit niets gebleken.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van [benadeelden] .
[verdachte] is daaraan medeplichtig geweest. [verdachte] heeft immers zonder enige kennis van zaken [bedrijf 1] overgenomen voor een bedrag dat niet in verhouding staat tot het op dat moment nog door [benadeelden] aanvullend te betalen bedrag van € 178.000,-, waarvan [verdachte] wist dat het betaald zou gaan worden. Dat vraagt op zijn minst om uitleg. Uit de verklaring van [verdachte] [28] is gebleken dat hij zich niet heeft verdiept in [bedrijf 1] en geen idee had wat de financiële toestand of het verdienmodel van [bedrijf 1] was. Dat zou allemaal door [medeverdachte 1] worden geregeld. Tegen die achtergrond heeft [verdachte] zijn zakelijke rekening beschikbaar gesteld voor de ontvangst van dat bedrag. Naar het oordeel van het hof heeft hij daarmee ten minste voorwaardelijk opzet gehad op het medewerken aan criminele activiteiten, waaronder oplichting, in dit geval van [benadeelden] .
Feit 2 – witwassen
Uit overwegingen hiervoor vloeit eveneens voort dat [medeverdachte 1] dit geldbedrag samen met een ander, in dit geval [verdachte] , voorhanden heeft gehad, dat dit van een door [medeverdachte 1] en [verdachte] zelf gepleegd misdrijf afkomstig was en dat [medeverdachte 1] en [verdachte] dus ook wisten dat het geld van misdrijf afkomstig was. Uit de verklaring van [verdachte] volgt dat [medeverdachte 1] ook bij het contant maken van dit geldbedrag nauw betrokken is geweest. [29] Uiteindelijk is het hele bedrag van de rekening van [bedrijf 3] verdwenen, deels door directe contante opname, deels door overboeking en daaropvolgende contante opname [30] en deels door overboeking en aanwending voor eigen gebruik door [verdachte] . [31] Door het geldbedrag over te boeken en gedeeltelijk om te zetten van giraal naar contant geld en gedeeltelijk aan te wenden voor eigen gebruik heeft [verdachte] ten minste voorwaardelijk opzet gehad op het witwassen en samen met [verdachte] de herkomst ervan verhuld en verhuld wie die geldbedragen vervolgens voorhanden had.
Naar het oordeel van het hof is daarom sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking gericht op het verhullen van de herkomst van het geldbedrag, waaraan beide verdachten een significante bijdrage hebben geleverd. De rol van [medeverdachte 1] bestond daarbij uit het verwerven van het te verhullen geldbedrag, terwijl [verdachte] een bankrekening van zijn voormalige bedrijf gebruikte om het geldbedrag te ontvangen, waarna beide verdachten betrokken waren bij onder meer het omzetten van het girale geldbedrag in contant geld zoals hiervoor weergegeven.
Het hof acht op grond van het voorgaande het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. subsidiair
[medeverdachte 1]op één of meer verschillende tijdstippeninof omstreeksde periode van 22 maart 2013 tot en met 23 april 2013in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of eldersin Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of(een)ander(en)wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/ofdoor een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of[benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 178.000 euro,in elk geval van enig geldbedrag,
immers heeft [medeverdachte 1]en/of zijn mededader(s)met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/ofin strijd met de waarheid
- nadat die[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of[benadeelde 3] op 21 maart 2013 een eerste aanbetaling van 400.000 euro had overgemaakt, endie[benadeelde 1]en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]op 24 maart 2013 had laten weten nog niks te hebben ontvangen, aan die [benadeelde 1]en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]bericht dat zij de stukken zou krijgen(p. 1076),en/of
-(opof omstreeks24 maart 2013)die [benadeelde 1]en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]een borgstelling van [bedrijf 1] doen toekomen(pp. 961-962),en/of
- die [benadeelde 1]en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] laten weten dat [bedrijf 1] /[bedrijf 1], althans verdachte zelf,€ 200.000 had ingebracht(p. 960),en/of
-(opof omstreeks27 maart 2013)een “loan agreement”/overeenkomst aan die [benadeelde 1]en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]doen toekomen waarin staat vermeld dat [bedrijf 2] uit Hong Kong 170 miljoen euro leent aan[bedrijf 1] /[bedrijf 1](pp. 959, 874),en/of
- die [benadeelde 1]en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]laten weten dat een (tweede) aanbetaling van €178.000 nodig was, en/of (opof omstreeks18 april 2013)die [benadeelde 1]en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]bericht dat die aanbetaling nodig was om de betaling (van de door [benadeelde 1]en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]gewenste lening) te bespoedigen(p. 869),en/of
- (op of omstreeks 24 april 2013) die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] een “loan agreement” doen toekomen, waarin was bepaald dat der lening ter beschikking zou komen tien dagen nadat de (tweede) aanbetaling zou zijn ontvangen (pp. 882-892),
waardoor[benadeelde 2] en/of [benadeelde 1][benadeelde 3] werd(en)bewogen tot bovenomschreven afgifte;
bijen/of tothet plegen van welk misdrijf verdachte inof omstreeksde periode van 01 april 2013 tot en met 23 april 2013te [plaats] , gemeente [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , en/of eldersin Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweesten/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft
door de bankrekening ( [rekeningnummer] ) van zijn, verdachtes, bedrijf ( [bedrijf 3] ") aan die [medeverdachte 1] ter beschikking te stellen;
2.
hijop een of meer verschillende tijdstippeninof omstreeksde periode van 23 april 2013 tot en met 30 mei 2013in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , althansin Nederland,
tezamen en in vereniging met een anderof anderen, althans alleen,
van eenof meervoorwerpen, te weten-een geldbedrag van 178.000 euroalthans enig geldbedrag,
de werkelijke aard,de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsingheeft/hebben verborgen en/ofverhuld, en/of heeft/hebben verborgen en/ofverhuldwie de rechthebbende op dat geldbedrag van 178.000 euro was ofwie dat geldbedrag voorhanden had,
terwijl hij en/ofzijn mededader(s)wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoedendat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uithetmisdrijf,
immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
- nadat dat geldbedrag was overgemaakt op een bankrekening [bedrijf 3] , dat geldbedrag(al dan nietin gedeelten)overgeboekt/doorgeboektnaar eenof meerandere bankrekeningen(op naam van anderen dan van verdachte of van [bedrijf 3] ),en/of
- (vervolgens)die (deel)bedragen contant van die rekeningen opgenomen, althansdie(deel)bedragen contant gemaakt
en/of
hijop één of meer verschillende tijdstippeninof omstreeksde periode van 23 april 2013 tot en met 30 mei 2013in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , althansin Nederland,
tezamen en in vereniging met een anderof anderen, althans alleen,
- een geldbedrag van 178.000 euroalthans enig geldbedrag,
heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/ofomgezet, en/of van dat/diegeldbedrag(en)gebruik heeft/hebbengemaakt,
terwijl hij en/ofzijn mededader(s)wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/diegeldbedrag(en)- onmiddellijk of middellijk -geheel of gedeeltelijkafkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplichtigheid aan/tot oplichting.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte (voor het onder 2 tenlastegelegde) zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht een lagere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Daarbij moet rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, de gezondheidstoestand van verdachte en zijn vrouw en hun financiële situatie.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan oplichting. Op geraffineerde wijze heeft hij zodoende [benadeelden] – door zijn in hoger beroep bewezen verklaarde handelen – voor een bedrag van € 178.000,- benadeeld. Verdachte heeft het ontvangen gelbedrag vervolgens samen met [medeverdachte 1] witgewassen. Het betreffen ernstige strafbare feiten, waaruit een beeld naar voren komt van een verdachte die uitsluitend geldelijk gewin voor ogen heeft gehad en daarbij niet heeft geschroomd het vertrouwen van [benadeelden] – en meer in het algemeen het vertrouwen dat in het handelsverkeer uitgangspunt zou moeten zijn – ernstig te schaden. Het hof rekent het hem aan dat hij op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Het LOVS-oriëntatiepunt bij een benadelingsbedrag van € 125.000,- tot € 250.000,- is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen tot twaalf maanden.
Uit de justitiële documentatie van 20 april 2026 blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet voor andere strafbare feiten is veroordeeld.
Het hof onderkent enerzijds de gezondheids- en financiële problemen van verdachte en zijn vrouw en de negatieve invloed van de lange duur van strafproces. Anderzijds constateert het hof dat verdachte weinig inzicht heeft gegeven in de achtergrond van al hetgeen heeft plaatsgevonden.
Hoewel het gaat om ernstige feiten zal het hof geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Dit vanwege de geringere rol die verdachte ten opzichte van [medeverdachte 1] bij de feiten heeft vervuld. In dit geval acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden.
Wel zal hof rekening houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Namens verdachte is op 29 juli 2019 hoger beroep ingesteld. Er heeft weliswaar aanvullend onderzoek door de raadsheer-commissaris plaatsgevonden, maar dat rechtvaardigt niet dat de inhoudelijke behandeling zo lang op zich heeft laten wachten. Tijdens de regiezitting van 17 augustus 2022 was de redelijke termijn al met meer dan een jaar overschreden. Op de datum van uitspraak van dit arrest bedraagt die overschrijding op een maand na vijf jaar.
Gelet op die overschrijding legt het hof aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 160 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 48, 57, 63, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 meer subsidiair, 1 meest subsidiair en 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
80 (tachtig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Corthals, mr. A. van Maanen en mr. G. Dam, in aanwezigheid van de griffier mr. R.W.P. Soons en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, onderzoek [nummer] KOEFUUT. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Proces-verbaal van aangifte [naam] , p. 821-828.
3.Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] , p. 1315-1316; Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] , p. 1137.
4.Met [benadeelden] wordt hierna telkens bedoeld: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] .
5.Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] , p. 1133 en p. 1136, proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] ,
6.Zie over de hiervoor beschreven gang van zaken ook het proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde 1] , p. 1082-1088.
7.Schriftelijk stuk, zijnde een transactieoverzicht, p. 508.
8.Schriftelijk stuk, te weten een overzicht van geldstromen, p. 2042.
9.Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] , p. 1167 en proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] , p. 1431, waarbij de rechtbank aan laatstgenoemde verklaring waarde hecht voor zover die inhoudt dat 'een geldbedrag' is overhandigd.
10.Schriftelijke stukken, te weten een weergave van sms-verkeer van [medeverdachte 2] aan ' [naam] ', p. 158 en met name p. 161. Zie verder de verklaringen van getuigen [getuige 1] , p. 1483 en [getuige 3] , p. 1522, waarin gesproken wordt over een afspraak in een hotel.
11.Schriftelijk stuk, te weten een schematisch overzicht van de overboekingen en contante opnames van gedeelten van het door [benadeelden] aan [bedrijf 5] overgemaakte geldbedrag van € 400.000,- tussen 21 en 27 maart 2013, p. 2041-2042.
12.Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] , p. 1166-1169; proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] bij de r-c d.d. 28 mei 2015.
13.Proces-verbaal verhoor [getuige 1] , p. 1482-1484.
14.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de r-c d.d. 26 mei 2015.
15.Schriftelijk stuk, te weten een weergave van een telefonisch bericht, p. 114.
16.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 20 mei 2026.
17.Schriftelijk stuk, te weten een koopovereenkomst m.b.t. aandelen [bedrijf 1] , p. 1251-1264.
18.Proces-verbaal verhoor [verdachte] , p. 1238.
19.Proces-verbaal van aangifte, p. 824, alsook de door [benadeelden] opgestelde tijdlijn, p. 852.
20.Schriftelijke stukken, te weten weergaven van sms-berichten, p. 1075-1077.
21.Schriftelijk stuk, p. 962.
22.Schriftelijk stuk, p. 1581.
23.Schriftelijk stuk, p. 960.
24.Proces-verbaal van de terechtzitting van 21 juni 2019.
25.Schriftelijk stuk, zijnde een door [benadeelden] opgestelde tijdlijn, p. 852. Zie voor de loan agreement p. 952-958.
26.Schriftelijk stuk, te weten de weergave van een e-mailbericht, p. 870.
27.Schriftelijk stuk, te weten de weergave van een sms-bericht, p. 1066.
28.Proces-verbaal verhoor [verdachte] , p. 1237-1242.
29.Proces-verbaal verhoor [verdachte] , p. 1238.
30.Schriftelijk stuk, te weten een overzicht van geldstromen, p. 2076, zie ook de door de officier van
31.Schriftelijke stukken, te weten rekeningafschriften van rekeningnummer 45.15.82.616 t.n.v. de heer [verdachte] h/o [bedrijf 3] , p. 429 en 437; de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep.