ECLI:NL:GHARL:2026:3985

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.366.611
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 235 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing en zekerheidstelling bij ontruiming woning in hoger beroep

In deze civiele zaak hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter dat hen veroordeelde tot ontruiming van een woning. Appellanten vroegen incidenteel om schorsing van de uitvoerbaarheid van dit vonnis of, subsidiair, om zekerheidstelling voor eventuele schade.

De woning is eigendom van de geïntimeerde, die vanwege een licht verstandelijke beperking onder bewind is gesteld. Appellanten, die haar (stief)ouders zijn, hebben de woning sinds 2019 bewoond nadat de geïntimeerde verhuisde naar een huurwoning. De kantonrechter had de ontruimingsvordering toegewezen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof overwoog dat de uitvoerbaarheid van een vonnis ook tijdens hoger beroep kan worden geschorst als het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan dat van de wederpartij. Appellanten stelden emotionele en praktische belangen aan hun zijde, maar onderbouwden onvoldoende waarom zij niet elders konden wonen of waarom de schorsing de relatie met de geïntimeerde zou herstellen.

De geïntimeerde had belang bij spoedige ontruiming om financiële schade te beperken, aangezien zij nu hogere huurkosten betaalt dan de hypotheeklasten van haar eigen woning. Het hof vond het belang van de geïntimeerde zwaarder wegen en wees het verzoek tot schorsing en zekerheidstelling af. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt voortgezet in de bestaande stand.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid en tot zekerheidstelling af en veroordeelt appellanten in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.611
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 11807894
arrest in het incident van 16 juni 2026
in de zaak van:

1.[appellant1]

die woont in [woonplaats]
2. [appellant2]
die woont in [woonplaats]
hierna samen te noemen: [appellanten 1 en 2]
advocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek
en
Bewindvoeringsbureau De Toereikende Hand B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [geïntimeerde]
hierna: De Toereikende Hand
die is gevestigd in Dedemsvaart
advocaat: mr. S.L. Geeraths

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellanten 1 en 2] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 21 januari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de incidentele vordering tot schorsing van de executie met producties;
  • de conclusie van antwoord in het incident met producties.
1.2.
Vervolgens heeft het hof arrest in het incident bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[geïntimeerde] , geboren in 1986, is de (stief)dochter van [appellanten 1 en 2] Vanwege de licht verstandelijke beperking van [geïntimeerde] , hebben [appellanten 1 en 2] haar financiën beheerd. [geïntimeerde] heeft in mei 2012 een woning gekocht aan de [adres] in [woonplaats appellanten] . In mei 2019 is [geïntimeerde] verhuisd naar een huurwoning, waarna [appellanten 1 en 2] hun intrek hebben genomen in de woning aan de [adres] . Bij beschikking van 29 mei 2024 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, is [geïntimeerde] onder bewind gesteld met benoeming van De Toereikende Hand tot bewindvoerder.
2.2.
De Toereikende Hand heeft vervolgens bij de kantonrechter onder meer een veroordeling van [appellanten 1 en 2] tot ontruiming van de woning aan de [adres] gevorderd. Bij vonnis van 21 januari 2026 heeft de kantonrechter deze vordering toegewezen en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3.
[appellanten 1 en 2] zijn in hoger beroep gekomen van dit vonnis. [appellanten 1 en 2] hebben in hoger beroep een incidentele vordering ingesteld primair tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de veroordeling tot ontruiming en subsidiair tot voorafgaande zekerheidstelling in het geval de uitvoerbaarheid niet wordt geschorst. De Toereikende Hand heeft verweer gevoerd tegen deze incidentele vorderingen.

3.Het oordeel van het hof

Juridisch kader
3.1.
Het hof begrijpt de vorderingen van [appellanten 1 en 2] als een vordering op grond van artikel 351 Rv Pro tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming. Een veroordeling zoals hier aan de orde is uitvoerbaar, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij. Het hof gaat daarbij uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de kantonrechter. De kans van slagen van het hoger beroep blijft buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de kantonrechter op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden. [1]
3.2.
[appellanten 1 en 2] voeren aan dat zij het niet eens zijn met het vonnis van de kantonrechter. Omdat [appellanten 1 en 2] zich niet beroepen op een kennelijke misslag zal het hof hierna alleen ingaan op de belangenafweging. Het hof dient in dat kader te beoordelen of het belang van [appellanten 1 en 2] bij schorsing van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming totdat op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging daarvan.
Belangenafweging
3.3.
[appellanten 1 en 2] voeren aan dat zij verknocht zijn aan de woning aan de [adres] vanwege de buren, vrienden en bekenden. Ontruiming van de woning zou een emotionele impact hebben. Gezien de leeftijd van (stief)vader en moeder, respectievelijk 68 en 65 jaar, de krapte op de woningmarkt en het feit dat vrienden en familie geen onderdak kunnen bieden, is het volgens [appellanten 1 en 2] zeer waarschijnlijk dat zij geen andere woning kunnen vinden. Bovendien zou ontruiming van de woning tot een onomkeerbare situatie leiden waarbij [geïntimeerde] geen verhaal kan bieden voor hun verhuiskosten als het bestreden vonnis wordt vernietigd, aldus [appellanten 1 en 2]
3.4.
De Toereikende Hand voert, kort gezegd, aan dat door het financieel beheer van [appellanten 1 en 2] , een groot deel van het inkomen en vermogen van [geïntimeerde] is aangewend om te kunnen voorzien in de kosten van het levensonderhoud van [appellanten 1 en 2] Hierdoor is [geïntimeerde] volgens De Toereikende Hand in een schuldenpositie gekomen. Op mededeling van [appellanten 1 en 2] is [geïntimeerde] gaan wonen in de huurwoning tegen een maandelijkse huurprijs die ongeveer € 200,- ligt boven de hypothecaire maandlast van haar eigen woning aan de [adres] . Het is in het belang van [geïntimeerde] dat de woning aan de [adres] zo spoedig mogelijk wordt ontruimd, zodat zij hier weer zelf kan gaan wonen en een bedrag van € 200,- per maand bespaart. Op die manier kan zij de maandelijkse schade zo veel mogelijk beperken, aldus De Toereikende Hand.
3.5.
[appellanten 1 en 2] hadden naar het oordeel van het hof ermee rekening moeten houden dat zij de woning op enig moment weer zouden moeten verlaten vanwege het financiële nadeel dat [geïntimeerde] sinds 2019 ondervindt door de hogere maandlasten. Dat zij hiermee ook rekening hebben gehouden, blijkt uit randnummer 11 van hun incidentele conclusie waarin ze schrijven dat als [geïntimeerde] terug zou willen naar de woning, zij zich niet als reguliere huurders maar als ouders zouden hebben gedragen in die zin dat zij dat in overleg mogelijk zouden hebben gemaakt. Hun leeftijd is niet dusdanig hoog dat een verhuizing als te bezwaarlijk gezien moet worden. [appellanten 1 en 2] hebben niet onderbouwd waarom de verknochtheid met de buren, vrienden en bekenden niet voortgezet kan worden in een andere woning. In dit kader hebben [appellanten 1 en 2] evenmin onderbouwd waarom zij niet in staat zouden zijn om alternatieve woonruimte te vinden. Ook hebben zij niet toegelicht welke pogingen zij hebben ondernomen om andere woonruimte te vinden sinds zij weten dat [geïntimeerde] de ontruiming vordert en waarom die pogingen tot dusver niet gelukt zijn en ook niet zullen lukken binnen de ontruimingstermijn van zes maanden die hen door de kantonrechter is gegeven. Dit betekent dat [appellanten 1 en 2] niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij het uitblijven van de gevorderde schorsing op straat komen te staan. Verder hebben [appellanten 1 en 2] niet onderbouwd op welke wijze de schorsing van de tenuitvoerlegging de onderlinge relatie tussen [appellanten 1 en 2] en [geïntimeerde] kan herstellen. Het had op de weg van [appellanten 1 en 2] gelegen om hun belang nader te onderbouwen. Tot slot geldt de omstandigheid dat een ontruiming mogelijk onomkeerbaar is en [appellanten 1 en 2] hierdoor schade lijden inherent is aan de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Dit (mogelijke) gevolg acht het hof ondergeschikt aan het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. In dit geval staat bovendien niet vast dat de ontruiming onomkeerbaar is; [geïntimeerde] heeft aangegeven zelf de woning te willen betrekken en deze niet te willen verkopen of verhuren.
3.6.
In het licht van het voorgaande, is het hof van oordeel dat het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming zwaarder weegt dan het belang van [appellanten 1 en 2] bij behoud van de bestaande toestand totdat op het hoger beroep is beslist. Hierbij is een belangrijk gezichtspunt dat de eerste rechter de vordering heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen. [2]
Zekerheid
3.7.
Voor de beoordeling van de subsidiaire vordering tot zekerheidsstelling geldt dezelfde toetsingsmaatstaf als voor de beoordeling van de primaire vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring. [3] [appellanten 1 en 2] stellen dat voor de schadebegroting ten gevolge van een onrechtmatige tenuitvoerlegging, kan worden uitgegaan van de verhuis- en herinrichtingskosten van een verhuizing heen en terug, met opslag.
3.8.
Het hof ziet geen aanleiding om aan de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden. De door [appellanten 1 en 2] aangevoerde schadebegroting maakt niet dat het belang van [appellanten 1 en 2] bij zekerheidstelling zwaarder dient te wegen dan het belang van [geïntimeerde] bij het achterwege blijven daarvan. [appellanten 1 en 2] hebben onvoldoende gemotiveerd waarom [geïntimeerde] bij vernietiging van het bestreden vonnis niet in staat zal zijn tot restitutie en/of tot vergoeding van de door de ontruiming veroorzaakte schade. [4] De enkele stelling dat voor [geïntimeerde] (grote) schade valt te duchten, is onvoldoende aanleiding om zekerheid op te leggen. [5]
De conclusie
3.9.
Het hof wijst de incidentele vordering af. Omdat [appellanten 1 en 2] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten 1 en 2] tot betaling van de kosten van het incident veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
3.10.
De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [appellanten 1 en 2] tot betaling van de proceskosten van het incident van De Toereikende Hand ter hoogte van € 1.290,- aan salaris van de advocaat van De Toereikende Hand (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, G.R. den Dekker en G.J. Meijer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
2.HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688.
3.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
4.Vgl. HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1400,
5.Vgl. HR 5 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1949,