ECLI:NL:GHARL:2026:3984

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.365.171
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging dwangsom voor nakoming omgangsregeling tussen ouders

De moeder en vader zijn de ouders van een minderjarige die bij de moeder woont, die het gezag heeft. Na het beëindigen van hun relatie is afgesproken dat de vader het kind om het weekend en op enkele avonden per week ziet. De moeder heeft de omgang in oktober 2025 eenzijdig beperkt.

De voorzieningenrechter veroordeelde de moeder tot nakoming van de omgangsregeling met een dwangsom van €500 per dagdeel bij niet-nakoming, met een maximum van €10.000. De moeder ging in hoger beroep tegen de dwangsom en verzocht tevens een verbod voor de vader om het kind te dwingen tot kickboksen.

Het hof oordeelt dat de dwangsom noodzakelijk is om nakoming af te dwingen, gezien eerdere eenzijdige beperkingen door de moeder. Het verzoek tot verbod op kickboksen wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang, mede omdat het kind inmiddels is aangemeld voor een andere sport. Het hof bekrachtigt het vonnis en bepaalt dat partijen hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de dwangsom voor nakoming van de omgangsregeling en wijst het verbod op kickboksen af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.171
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 602396
arrest in kort geding van 16 juni 2026
in de zaak van
[appellante](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. S.A. van den Broek
en
[geïntimeerde](de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. N.J. Hos

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de voorzieningenrechter) op 16 december 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met grieven
  • de memorie van antwoord
1.3.
[de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
1.4.
Op 19 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden.
Er is niemand verschenen. Het hof heeft daarvan een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016. [de minderjarige] woont bij de moeder en de moeder heeft het gezag over hem.
2.2.
De ouders hebben na het einde van hun relatie afgesproken dat [de minderjarige] om het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader is en elke week op maandag, woensdag en vrijdag van 17.00 uur tot 19.00 uur bij de kickbokstraining.
De vader haalt [de minderjarige] bij de moeder op en brengt hem ook weer naar de moeder terug.
2.3.
De moeder heeft de omgang tussen de vader en [de minderjarige] in oktober 2025 beperkt.

3.De kern van de zaak

3.1.
De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 16 december 2025 de moeder veroordeeld tot nakoming van de weekendregeling waarbij de vader en [de minderjarige] om het weekend omgang hebben met elkaar van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de vader hem haalt en brengt. De voorzieningenrechter heeft daaraan een dwangsom verbonden van € 500,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat de moeder die omgangsregeling niet nakomt met een maximum van € 10.000,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.2.
De moeder wil dat het hof die beslissing ongedaan maakt voor zover daarbij een dwangsom aan de omgangsregeling is gekoppeld als zij die niet nakomt. Zij wil dat het hof de vordering een dwangsom op te leggen op de omgangsregeling alsnog afwijst. Daarnaast wil zij dat de vader wordt verboden om [de minderjarige] direct of indirect te dwingen om te kickboksen en/of deel te nemen aan trainingen en activiteiten rondom kickboksen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat hij dit verbod schendt.
3.3.
De vader is het wel eens met de beslissing van de voorzieningenrechter. Hij wil dat het hof die beslissing in stand laat.
3.4.
Het hof vindt net als de voorzieningenrechter dat een dwangsom moet worden opgelegd als de moeder de omgangsregeling niet nakomt. Het hof zal ook beslissen dat de moeder geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek om de vader te verbieden [de minderjarige] te dwingen naar kickboksen te gaan.
Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter in stand.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Spoedeisend belang
Omgang
4.1.
[de minderjarige] heeft recht op omgang met zijn vader en zijn vader heeft het recht op en de verplichting tot omgang met [de minderjarige] (artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek). Dat recht moet de vader onverwijld kunnen uitoefenen. Uitoefening van dat recht is in het belang van [de minderjarige] . Dat geldt ook voor de nakoming van de verplichting van de vader tot omgang. Dit maakt dat de vader niet alleen in eerste aanleg, maar ook nog in dit geding in hoger beroep een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde onmiddellijke voorziening bij voorraad over de omgang met [de minderjarige] .
Kickboksen
4.2.
De ouders hebben op de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter de afspraak gemaakt dat [de minderjarige] niet meer naar kickboksen gaat en dat hij wordt aangemeld voor een andere sport, waarschijnlijk voetbal. Uit de processtukken blijkt ook dat [de minderjarige] niet meer naar kickboksen gaat en dat hij is aangemeld voor voetbal. Het hof ziet gelet op deze omstandigheden dan ook niet in dat de moeder een spoedeisend belang heeft bij een onmiddellijke voorziening bij voorraad op dit punt.
Inhoudelijk oordeel
4.3.
De rechter kan een dwangsom opleggen als financiële prikkel bedoeld om de weigerende ouder alsnog te bewegen zich aan de afspraken over de omgangsregeling te houden. De moeder voert aan dat zij de weekendregeling nakomt en dat een dwangsom daarom niet nodig is. Het hof heeft echter net als de vader onvoldoende vertrouwen dat de moeder de weekendregeling nakomt zonder de dwangsom. Het hof kan zich voorstellen dat de moeder de omgang juist nakomt vanwege de dwangsom. In eerste aanleg was de moeder slechts bereid mee te werken aan een omgangsregeling waarbij [de minderjarige] de vader eenmaal per maand zag, terwijl zij meermalen per week contact hadden. Daarbij heeft de moeder eerder de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] zonder aankondiging en eenzijdig verminderd en ten onrechte gemeend dat zij dat ook mocht doen omdat zij alleen het gezag heeft over [de minderjarige] . Dat is niet in het belang van [de minderjarige] . Het hof vindt het in het belang van [de minderjarige] wenselijk dat de weekendregeling wordt voortgezet totdat er – door een bodemrechter – anders wordt beslist.
De conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet.
4.5.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).

5.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 december 2025 voor zover het betreft de nakoming van de omgangsregeling met de dwangsom;
compenseert de proceskosten;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S. Kuijpers, J.H. Lieber en L.D.M. Rubens-Snijders en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.