Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3973

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
21-004132-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 lid 1 SrArt. 72 lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: niet-ontvankelijkheid OM wegens absolute verjaring verduistering en vrijspraak witwassen

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het hof oordeelt dat de ten laste gelegde feiten van verduistering en schuldwitwassen zijn verjaard, waardoor het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

De feiten betreffen een bedrag van circa €172.040,- dat in maart 2013 door verdachte en medeverdachte werd beheerd en waarvan een deel contant werd gemaakt. Na een onvoorziene onrechtmatige onttrekking van een deel van het geld, hebben verdachte en medeverdachte nagelaten dit aan het slachtoffer te melden en het resterende bedrag terug te geven. Het hof stelt vast dat sprake is van verduistering, maar dat het witwassen niet bewezen kan worden.

De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had op verduistering en dat het geld niet voor eigen gebruik werd aangewend. Het hof acht de verklaringen van verdachte betrouwbaar en twijfelt aan die van medeverdachte. Het hof verklaart het OM niet-ontvankelijk wegens absolute verjaring en spreekt verdachte vrij van witwassen.

Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens absolute verjaring en spreekt verdachte vrij van witwassen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004132-19
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2019 met parketnummer 08-950638-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 20 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 3 juni 2026 (sluiting onderzoek) en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.H. Jebbink, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en over het bewijs dan de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Overijssel is de tenlastelegging twee keer gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijzigingen ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks 22 maart 2013 tot en met 27 maart 2013 te [plaats 1] , althans te Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk een geldbedrag (ongeveer 172.040 Euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als aanbetaling voor een (verzekering voor een) financiering, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2.
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 maart 2013 tot en met 27 maart 2013 in de gemeente(n) [gemeente 2] en/of [gemeente 3] en/of [gemeente 4] en/of [gemeente 1] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
van een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 172.040 euro, althans van enig geldbedrag,
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en) was of wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf,
immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
- nadat dat/die geldbedrag(en) was/waren overgemaakt op een bankrekening van [naam 1] en/of [naam 2] , dat/die geldbedrag(en) (in gedeelten) overgeboekt/doorgeboekt naar een aantal andere bankrekeningen (op naam van anderen dan van verdachte of van [naam 1] en/of [naam 2] ), en/of
- (vervolgens) die (deel)bedragen contant van die rekeningen opgenomen, althans die (deel)bedragen contant gemaakt;
en/of
hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 maart 2013 tot en met 27 maart 2013 in de gemeente(n) [gemeente 2] en/of [gemeente 3] en/of [gemeente 4] en/of [gemeente 1] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 172.040 euro, althans enig geldbedrag, heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den)moeten vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof constateert dat sinds de pleegdatums van de ten laste gelegde feiten meer dan twaalf jaren zijn verstreken. Voor feiten waarop een gevangenisstraf van maximaal drie jaren is gesteld, vervalt het recht op strafvervolging in ieder geval na twaalf jaren (artikel 70 lid Pro 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr)). Dat betekent dat de onder 1 (verduistering) en 2 impliciet subsidiair (schuldwitwassen) ten laste gelegde feiten zijn verjaard. Het hof verklaart het openbaar ministerie ten aanzien van die feiten daarom niet-ontvankelijk is in de vervolging.

Vrijspraak

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde feit (witwassen).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe onder meer aangevoerd dat:
  • verdachte niet in een rechtstreekse rechtsverhouding stond met [slachtoffer 2] ;
  • de opdracht tot het contant maken van het door [slachtoffer 2] betaalde bedrag van € 400.000,- volledig is uitgevoerd;
  • verdachte dat geld niet naar eigen goeddunken heeft gebruikt door daar als heer en meester over te beschikken;
  • verdachte een wezenlijk belang had bij het slagen van de deal van medeverdachte [medeverdachte 1] met [slachtoffer 2] ;
  • de deal tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 2] volledig is uitgevoerd;
  • verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op (het bijdragen aan) verduistering;
  • verdachte geen (bijzondere) rechtsplicht had tot het informeren van [slachtoffer 2] over het incident op 22 maart 2013;
  • verdachte zelf slachtoffer is geworden en zijn handelingen legaal waren;
  • [medeverdachte 1] verklaringen niet betrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt;
  • de positie van [naam 3] (bestuurder van [naam 1] ) dubieus is en diens verklaringen niet betrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt;
  • het onder 2 ten laste gelegde geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is;
  • geen sprake is van verbergen of verhullen.
Oordeel van het hof
Hoewel de onder 1 ten laste gelegde verduistering niet meer aan de orde is, ontkomt het hof er niet aan te beoordelen of er sprake is geweest van verduistering en, zo ja, of verdachte daaraan heeft deelgenomen of op andere wijze van die verduistering op de hoogte was. Die verduistering is immers het gronddelict van het onder 2 ten laste gelegde witwassen.
Op 11 juni 2013 heeft [naam 4] , als financieel manager werkzaam bij [slachtoffer] te [plaats 2] , namens deze onderneming aangifte van oplichting gedaan. Uit deze aangifte – en uit latere verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] – komt naar voren dat [slachtoffer 2] , directeur-grootaandeelhouder en bestuurder van deze onderneming, [naam 5] te [plaats 3] wilde overnemen en daarvoor financiering probeerde te regelen. Omdat de financiering via banken niet rondkwam, is zij op de particuliere markt verder gaan zoeken en via een zakenrelatie in februari 2013 in contact gebracht met [medeverdachte 1] , [verdachte] en [naam 3] , alle drie bestuurders van [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben [slachtoffer 2] voorgehouden dat [naam 1] met een bedrijf in [locatie] , genaamd [naam 6] (hierna: [naam 6] ), een lening had afgesloten van € 170.000.000,-. [naam 6] werd vertegenwoordigd door [naam 7] en [naam 8] (hierna: [naam 9] ). Van dit bedrag kon [slachtoffer 2] van [naam 1] € 5.830.000,- lenen voor de aankoop van de scheepswerf. Om deze financiering te verkrijgen, diende zij tien procent van het te lenen bedrag contant aan [naam 1] te betalen waarna [naam 1] dat bedrag ten behoeve van een insolventieverzekering zou doorbetalen aan [naam 6] . Omdat het [slachtoffer 2] niet lukte om de volledige tien procent aan te betalen gingen [medeverdachte 1] en [verdachte] akkoord met een aanbetaling van € 400.000,-. [slachtoffer 2] heeft dat bedrag niet contant betaald, maar heeft dat op 21 maart 2013 giraal overgemaakt op ING-rekening [rekeningnummer] van [naam 2] (hierna: [naam 2] ), een bedrijf van [verdachte] . Dit bedrag is vervolgens door [naam 2] overgeboekt naar verschillende rekeningen van [verdachte] en van derden teneinde het bedrag zo snel mogelijk alsnog contant te maken.
Het hof gaat er verder van uit dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op 22 maart 2013 naar [plaats 4] zijn gereisd met een grote hoeveelheid contant geld om dit aan de [naam 9] te doen toekomen. Zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] hebben dit verklaard. Het hof gaat uit van de juistheid van hun verklaringen op dit punt nu het dossier daarvoor voldoende aanknopingspunten bevat, waaronder – naast verklaringen van getuigen – een sms-bericht van [verdachte] aan [naam 8] waaruit volgt dat zij die dag een contant geldbedrag van € 227.960,- voorhanden hadden. Dit bedrag komt bovendien vrijwel overeen met het bedrag dat blijkens transactieoverzichten in het dossier op 22 maart 2013 contant was gemaakt.
Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] en [verdachte] van elkaar afwijkende verklaringen hebben afgelegd over de omstandigheden waaronder dit geldbedrag is overgedragen aan de [naam 9] , dan wel aan personen die zich voordeden als de [naam 9] . Het hof is echter van oordeel dat aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] ernstig moet worden getwijfeld nu hij bij zijn verhoren bij de politie telkens wisselende en aantoonbaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Zo verklaarde hij op 3 juli 2013 dat een aantal dingen niet klopt en dat hij open naar de politie zal zijn, op 11 juli 2013 dat hij het gewoon niet meer weet, op 16 juli 2013 ‘Ik zit zo in de shit met die handel, wat als ik nu gewoon alles op tafel leg? Ik wil openheid van zaken geven, ik verdraai steeds alles. Ik wil opnieuw beginnen en alles eerlijk vertellen’, en op 15 januari 2014 dat hij naar eer en geweten wil verklaren en zijn verhaal wil doen over wat er bij het hotel gebeurd is en dat ‘het hele Engeland en [plaats 5] verhaal’ niet waar is. Daarentegen zijn de verklaringen van [verdachte] bij de politie en de rechter-commissaris over de overdracht van het contante geld aan de [naam 9] , die er in zijn eigen woorden op neerkomen dat [medeverdachte 1] is overvallen, gedetailleerd en consistent en vinden die steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft getuige [getuige 1] , die op 22 maart 2013 mee is gereisd naar [plaats 4] en [medeverdachte 1] en [verdachte] kort vóór en kort na de overdracht heeft gezien, verklaard dat [medeverdachte 1] en [verdachte] met z’n tweeën het hotel binnen zijn gegaan, dat er daarna paniek was en dat ze vertelden dat het niet goed gegaan was. Verder heeft de getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris verklaard, kort samengevat, dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld dat het geldbedrag van € 400.000,- dat op de rekening van [naam 2] was gestort en dat vervolgens contant was gemaakt, bij een overval was gestolen. Ook bevat het dossier een bericht van [verdachte] aan [medeverdachte 1] van 23 maart 2013, onder meer inhoudende dat [medeverdachte 1] ‘beroofd’ is en dat het ‘een brute straatroof’ c.q. ‘diefstal of straatroof met voorbedachten rade’ was. Wat er van de in dit bericht genoemde kwalificaties ook zij, het hof stelt op grond van deze bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte 1] en [verdachte] het contante geldbedrag van € 227.960,- op enige onvoorziene en onrechtmatige wijze – in ieder geval anders dan gepland – afhandig is gemaakt.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [medeverdachte 1] samen met [verdachte] , die net als hij verbonden was aan [naam 1] , een overeenkomst tot stand heeft gebracht tussen [naam 1] en [slachtoffer 2] op grond waarvan [slachtoffer 2] op 21 maart 2013 een aanbetaling van € 400.000,- heeft overgeboekt die bestemd was voor [naam 6] ter verkrijging van financiering voor de scheepswerf. Nadat dit bedrag op de rekening van [naam 2] was overgeboekt, bleef [medeverdachte 1] nauw betrokken bij de uitvoering van deze overeenkomst. Dit blijkt niet alleen uit de omstandigheid dat [medeverdachte 1] samen met [verdachte] op 22 maart 2013 met dit geldbedrag, voor zover dit toen al contant gemaakt was, naar [plaats 4] is gereisd om dit aan (vertegenwoordigers van) [naam 6] te overhandigen, maar ook uit de vele contacten die [medeverdachte 1] nadien nog met [slachtoffer 2] onderhield. Het hof concludeert verder dat [medeverdachte 1] en [verdachte] na de overboeking op 21 maart 2013 gezamenlijk de beschikking hadden over € 400.000,-, welk geldbedrag op grond van de overeenkomst met [slachtoffer 2] moest worden aangewend voor het verkrijgen van financiering voor de scheepswerf. Het hof onderschrijft het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman dat [medeverdachte 1] en [verdachte] dit bedrag op 21 maart 2013 rechtmatig hadden verkregen en dat zij hebben getracht het daarvan op 22 maart 2013 contant gemaakte geldbedrag van € 227.960,- conform de overeenkomst met [slachtoffer 2] aan te wenden om financiering voor de aankoop van de scheepswerf te verkrijgen.
Het hof leidt uit het voorgaande verder af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] na het voorval op 22 maart 2013 een resterend geldbedrag van € 172.040,- van de oorspronkelijk rechtmatig verkregen € 400.000,- onder zich hadden, welk geldbedrag eerst op de rekening van [naam 2] heeft gestaan en vervolgens contant is gemaakt door overboeking van dat restant op rekeningen van andere(n) dan [naam 2] en door opnames van de respectieve bedragen en afgifte daarvan aan [verdachte] en [medeverdachte 1] . In dat verband is van belang dat onder meer [medeverdachte 1] , [naam 10] en [verdachte] dit geldbedrag gezamenlijk voorhanden hebben gehad ten huize van een toenmalige vriendin van verdachte. Daar is het geld geteld met een door verdachte aangeschafte geldtelmachine en vervolgens aan [medeverdachte 1] ter hand gesteld. Maar door het voorval in [plaats 4] moesten zij weten dat aan de gestelde voorwaarde voor het verkrijgen van de financiering – aanbetaling van € 400.000,- – onmogelijk nog kon worden voldaan. Immers, € 227.960,- was verdwenen. Het had vanaf dat moment dan ook op de weg van [medeverdachte 1] en [verdachte] gelegen om deze gebeurtenis te melden aan [slachtoffer 2] en het resterende geldbedrag aan haar te retourneren. Beide verdachten hebben dit echter nagelaten en er in haar richting met geen woord over gerept. Integendeel, het dossier bevat sms- en e-mailberichten van [medeverdachte 1] aan [slachtoffer 2] waaruit blijkt dat hij jegens [slachtoffer 2] juist deed alsof de financiering rond zou komen.
[slachtoffer 2] heeft het resterende geldbedrag dus niet teruggekregen. Evenmin is gebleken dat dit geldbedrag op enig moment toch nog is aangewend voor het verkrijgen van financiering voor de scheepswerf, terwijl uit het onderzoek ook niet duidelijk is geworden waar het geldbedrag van € 172.040,- dan wél terecht is gekomen.
Dit alles maakt dat het hof van oordeel is dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in bewuste en nauwe samenwerking zich dit geldbedrag wederrechtelijk hebben toegeëigend en er derhalve van verduistering sprake is geweest.
Zoals gezegd, wordt onder 2 primair aan verdachte ten laste gelegd dat hij gelden heeft witgewassen. Naar het oordeel van het hof maken de onder 2 ten laste gelegde feitelijke handelingen evenwel onderdeel uit van de hierboven beschreven verduistering en dus niet van enig witwassen waarvoor deze verduistering als gronddelict fungeert. Naar het oordeel van het hof wist [verdachte] wel degelijk dat het geld van (eigen) misdrijf afkomstig was. Op basis van het dossier is echter niet te achterhalen wat er na de voltooiing van verduistering door de terhandstelling van het geld aan [medeverdachte 1] met het geld is gebeurd. In ieder geval blijkt niet dat door [verdachte] (al dan niet tezamen met anderen) na die terhandstelling witwashandelingen zijn verricht. Om die reden spreekt het hof verdachte vrij van het witwassen van het bedrag van € 172.040,-.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 en onder 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Corthals, mr. A. van Maanen en mr. G. Dam, in aanwezigheid van de griffier mr. R.W.P. Soons en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 juni 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 17 juni 2026.
Tegenwoordig:
mr. T. Bertens, voorzitter,
mr. A. Lodder, advocaat-generaal,
mr. S.J.H. Salvino, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.