ECLI:NL:GHARL:2026:397

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
21-002939-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 OpiumwetArt. 22b SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor bezit MDMA en amfetamine met bewijsuitsluiting verworpen

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot vijf weken gevangenisstraf voor het bezit van MDMA en amfetamine. In hoger beroep stelde de verdediging dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, omdat de politie zonder huiszoekingsbevel en zonder toestemming de schuur betrad en een tasje doorzocht. Het gerechtshof oordeelde dat de schuur geen exclusieve privéruimte was en dat het politieoptreden, mede gezien de melding van huiselijk geweld, rechtmatig was.

Het hof verwierp het bewijsuitsluitingsverweer omdat de verdediging niet had aangegeven welk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel was geschonden. De politie had op grond van artikel 9 van Pro de Opiumwet voldoende grond voor het onderzoek. De verdachte had bovendien toegegeven dat de aangetroffen drugs van hem waren.

Het gerechtshof vernietigde het vonnis van de politierechter wegens formele gebreken en deed opnieuw recht. Gezien het taakstrafverbod werd een gevangenisstraf van één dag opgelegd, naast een taakstraf van 70 uur, met een vervangende hechtenis van 35 dagen bij niet-nakoming. De straf houdt rekening met de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot één dag gevangenisstraf en 70 uur taakstraf wegens bezit van MDMA en amfetamine; bewijsuitsluiting verworpen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002939-24
Uitspraakdatum: 21 januari 2026
Tegenspraak
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 3 april 2024 met het parketnummer 08-200944-23 in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] ,
volgens de opgave van de verdachte op de zitting in hoger beroep verblijvende op het adres [adres 2]

Het hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Het onderzoek van de zaak

Het gerechtshof heeft bij de hieronder weergegeven beslissing van het gerechtshof betrokken hetgeen op de zitting van het gerechtshof van 7 januari 2026 is besproken.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en de verdachte voor het aan hem ten laste gelegde feit (het aanwezig hebben van MDMA en amfetamine) zal veroordelen tot een gevangenisstraf van een dag, met aftrek, en tot een taakstraf van 70 uren.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.H. van der Linden, hebben aangevoerd op de zitting in hoger beroep.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis. In dat vonnis heeft de politierechter de verdachte voor het aan hem ten laste gelegde feit (het aanwezig hebben van MDMA en amfetamine) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 weken.
De politierechter heeft volstaan met een aantekening van het mondelinge vonnis. Deze aantekening bevat niet alle wettelijke vereisten van een vonnis. Het gerechtshof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 juni 2023 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15,88 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 22,44 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken op grond van de omstandigheid dat het bewijs niet op wettige wijze is verkregen.
Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat de politie bij hem terecht is gekomen naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld. Van huiselijk geweld is echter niets gebleken, aangezien volgens de politie de woning van de verdachte en zijn toenmalige partner er netjes uit zag en geen zichtbaar letsel bij de toenmalige partner is geconstateerd, aldus de verdediging.
De toenmalige partner van de verdachte bevond zich ten tijde van de komst van de politie in de woning en de verdachte bevond zich toen, samen met een kameraad, in een schuur achter de woning. Wat de politie heeft besproken met de toenmalige partner van de verdachte, blijkt niet uit het dossier. Evenmin blijkt van toestemming van de toenmalige partner van de verdachte voor verder of nader onderzoek door de politie in en/of om de woning, aldus de verdediging.
De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verder verklaard dat het terrein achter de woning, waar hij zich bevond, een afgesloten terrein was. De politie heeft de schuttingpoort geopend en heeft vervolgens de tuin en schuur betreden. De verdediging heeft vraagtekens gesteld bij deze werkwijze van de politie: wat is voor de politie de reden geweest om naar achteren te lopen en de poort van de tuin open te doen en wat was toen de concrete verdenking die daaraan ten grondslag heeft gelegen?
De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verder verklaard dat de politie door de openstaande schuurdeur niet heeft kunnen zien dat hij zich in de schuur bevond, dat hij zich niet zenuwachtig heeft gedragen ten tijde van de komst van de politie en dat hij toen niet iets
- een tasje - heeft weggemoffeld. Desondanks heeft de politie zonder huiszoekingsbevel en zonder de toestemming van de verdachte gekeken in een tasje dat in de schuur op een tafel achter de verdachte lag, aldus de verdachte.
Dat zijn kameraad [medeverdachte] , die in de deuropening van het schuurtje stond, iets bij zich had, wist de verdachte niet. De pillen die de politie heeft aangetroffen bij [medeverdachte] zijn pas nadien aan het licht gekomen, aldus de verdachte.
Het gerechtshof overweegt over dit bewijsverweer het volgende.
In het (standaard)arrest van 30 maart 2004, NJ 2004, 376 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat bewijsuitsluiting uitsluitend aan de orde kan komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en als sanctie in aanmerking komt indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Van de verdediging mag, indien een beroep op schending van een vormverzuim wordt gedaan, worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren genoemd in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) wordt aangegeven tot welk in dat artikel aangegeven rechtsgevolg dat verzuim dient te leiden.
In het arrest van 9 december 2014, NJ 2015, 355 besliste de Hoge Raad dat als de verdediging nalaat aan te geven welk belangrijk strafvorderlijk beginsel is geschonden de rechter een verweer niet hoeft op te vatten als een verweer in de zin van artikel 359a Sv waarop bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing dient te worden gegeven.
Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de verdediging in het verweer nagelaten aan te geven welk belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, noch heeft zij gesteld in welk rechtens te respecteren belang de verdachte daardoor zou zijn geschaad. Gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad zou het gerechtshof de verweren van de verdediging niet als verweren in de zin van art. 359a Sv hoeven op te vatten.
Desalniettemin zal het gerechtshof het verweer nader bespreken.
Het gerechtshof stelt voorop dat alleen voor het door de politie zonder toestemming binnentreden van een woning volgens artikel 2 Algemene Pro wet op het binnentreden een machtiging is vereist; niet zonder meer voor een bij die woning behorende schuur. In casu betrof het een losstaande schuur. Niet gebleken noch gesteld is dat de schuur waarin de verdachte zich heeft bevonden ten tijde van het binnentreden een ruimte betrof die tot exclusief verblijf voor een persoon of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende personen ingericht en bestemd was. Van een vormverzuim is aldus geen sprake.
Het politieoptreden richting de verdachte, zoals dat is beschreven in het proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2023 en waarvan het gerechtshof - bij het ontbreken van concrete, objectieve aanwijzingen voor de onjuistheid daarvan - uitgaat, voldoet ook overigens aan de daaraan te stellen eisen.
Het gerechtshof overweegt hiertoe het volgende. De enkele omstandigheid dat de politie constateert dat de woning van de verdachte en zijn toenmalige partner er netjes uitzag en dat de toenmalige partner van de verdachte geen zichtbaar letsel heeft, houdt niet in dat de politie dan helemaal geen verder onderzoek meer kan doen of hoeft te doen naar aanleiding van de melding dat twee personen aan het vechten zijn, terwijl de melder zou hebben opgegeven veel geschreeuw uit de woning te horen en zich ernstige zorgen zou maken. Integendeel: nu de politie enkel de toenmalige partner van verdachte had gesproken is het zorgvuldig dat de politie vervolgens op zoek gaat naar andere personen die bij het (mogelijke) geweld betrokken zijn geweest en daartoe naar de achterzijde van de woning gaat en daarbij een schuttingpoort opent. Hetgeen de politie vervolgens constateert over opvallend/bijzonder gedrag van de verdachte en diens kameraad, zoals dat is beschreven in het proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2023 en waarvan het gerechtshof uitgaat, en over het aantreffen van een aantal pillen bij de kameraad van de verdachte [1] , rechtvaardigt verder onderzoek door de politie, ook richting de verdachte in zijn schuur. Artikel 9 van Pro de Opiumwet biedt daarvoor de wettelijke basis.
De verdachte heeft vervolgens toegegeven dat de door de politie aangetroffen en ten laste gelegde drugs van hem waren.
Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het bewijsverweer van de verdediging.

Bewezenverklaring

Het gerechtshof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op 16 juni 2023 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15,88 gram van een materiaal bevattende MDMA en ongeveer 22,44 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het gerechtshof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit

Het bewezen verklaarde feit is strafbaar en levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het gerechtshof rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte.
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van de Opiumwet. De strafwaardigheid van Opiumwetdelicten is gelegen in de ernstige bedreiging die het gebruik van deze stoffen, waaronder MDMA en amfetamine, voor de volksgezondheid vormt;
  • de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht ter zake van delicten ingevolge de Opiumwet.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
 de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 december 2025. Daaruit blijkt onder meer dat hij eerder - op 12 december 2018 - is veroordeeld ter zake van het plegen van een delict ingevolge de Opiumwet, welke veroordeling onherroepelijk is. De taakstraf die hij daarvoor opgelegd heeft gekregen, heeft hij vóór het nu bewezenverklaarde feit uitgevoerd. Daardoor is van toepassing het zogenoemde taakstrafverbod van artikel 22 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Het pleit niet in zijn voordeel dat de eerdere bestraffing in 2018 de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw een soortgelijk delict te plegen;
 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek op de zitting in hoger beroep is gebleken.
Het gerechtshof heeft met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met name acht geslagen op hetgeen de verdediging daarover heeft aangevoerd op de zitting in hoger beroep. In het geval dat de verdachte nu in de gevangenis zou belanden, zou een positief aspect in de huidige persoonlijke situatie van de verdachte in gevaar komen. Het gaat dan om het behoud van zijn baan en daarmee het behoud van zijn woning, aldus de verdediging.
Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het gerechtshof passend hetgeen de advocaat-generaal heeft geëist. Een langdurige gevangenisstraf zou de positieve wending in het leven van verdachte doorkruisen. Het gerechtshof zal vanwege het taakstrafverbod een gevangenisstraf van een dag opleggen als passend en geboden. Daarnaast wordt opgelegd een taakstraf van 70 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 35 dagen hechtenis. Anders dan de advocaat-generaal acht het gerechtshof geen grond aanwezig voor aftrek van voorarrest bij de opgelegde gevangenisstraf, aangezien de verdachte in deze zaak (formeel) geen dag in voorarrest heeft doorgebracht. Hij is immers niet in verzekering gesteld geweest.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22b, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
35 (vijfendertig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. H.J. Deuring en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 januari 2026.

Voetnoten

1.Wij, [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , hebben ons verplaatst naar de achterzijde van de woning. [verbalisant 2] heeft de poortdeur van de tuin geopend. Hier was een afzonderlijke schuur zichtbaar die niet bevestigd zat aan de woning. [verbalisant 2] is richting de schuur gelopen omdat de deur van de schuur geopend stond. [verbalisant 2] zag op dat moment verdachten [medeverdachte] en [verdachte] in de schuur staan. [verbalisant 2] zag dat [medeverdachte] opvallend gedrag vertoonde en gesneld zijn hand in zijn broekzak probeerde te doen. Doordat dit niet lukte vroeg ik aan [medeverdachte] om zijn handen te laten zien. Dit vroeg ik uit eigen veiligheidsoverweging. Ik wist namelijk niet met wie ik te maken had en waarom [medeverdachte] gehaast zijn hand naar zijn broekzak deed. Toen [medeverdachte] zijn linkerhand opende zag ik dat hij een doorschijnend gripzakje met daarin 3 oranje pillen in zaten. Deze drie pillen zaten opgeborgen in een plastic zakje wat ons ambtshalve bekend is dat deze zakjes, gripzakjes betreffen en dat deze gebruikt worden als zijnde zakjes waar drugs in opgeborgen zit. [verbalisant 2] heeft het zakje met de drie pillen overhandigd aan [verbalisant 1] . [verbalisant 2] heeft verdachte [medeverdachte] verzocht om zich uit de schuur te verplaatsen richting de tuin.