Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3966

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.368.309/01 en 200.368.309/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overeenkomst over kinderalimentatie na echtscheiding tussen ouders

De vader en moeder, die gescheiden zijn en twee kinderen hebben, waren in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel over kinderalimentatie voor hun minderjarige kind. De rechtbank had bepaald dat de vader vanaf 24 november 2025 een bedrag van €275 per maand aan kinderalimentatie moest betalen.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof bereikten de ouders overeenstemming over een lagere maandelijkse bijdrage van €175, met ingang van 24 november 2025. De vader zal vanaf 1 juni 2026 deze bijdrage betalen, inclusief een achterstallig bedrag van €1.090,83 in twaalf termijnen. Tevens is afgesproken dat de wettelijke indexering per 1 januari 2027 ingaat en dat de ouders de komende twee jaar niet tegen elkaar zullen procederen over alimentatie.

Het hof heeft de eerdere beschikking van de rechtbank vernietigd en de nieuwe overeenkomst bekrachtigd. De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schorsing van de beschikking. De kosten van het geding worden door beide partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en legt een nieuwe kinderalimentatie van €175 per maand vast met betaling van achterstallige bedragen in termijnen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.368.309/01 en 200.368.309/02
(zaaknummer rechtbank Overijssel 341533)
beschikking van 16 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont op een bij het hof bekend adres,
verzoeker in hoger beroep en in het incident tot schorsing,
advocaat: mr. G.J.J. van Dam-Lolkema te Zwolle,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep en in het incident tot schorsing,
advocaat: mr. S.M. Wolff te Zwolle.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 27 januari 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 22 april 2026;
- het verweerschrift met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 28 mei 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: de vader met zijn advocaat en de moeder. Ter zitting heeft de advocaat van de vader mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota, die zij heeft overgelegd.
2.3.
[de minderjarige] heeft bij brief van 12 mei 2026 aan het hof haar mening over het verzoek kenbaar gemaakt.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder zijn gehuwd geweest en hebben twee kinderen: [de meerderjarige] , geboren [in] 2007, en [de minderjarige] , geboren [in] 2009.
De echtscheidingsbeschikking van 29 oktober 2021 is op 5 november 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.
Bij beschikking van 11 november 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de vader een bedrag van € 25,- per kind per maand aan de moeder moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (kinderalimentatie).

4.Het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is de beschikking van 11 november 2022 en de daarin
vastgestelde kinderalimentatie voor [de minderjarige] gewijzigd, en is bepaald dat de vader vanaf 24 november 2025 aan de moeder een bedrag aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] moet betalen van € 275,- per maand.
4.2.
De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de draagkracht van de vader en de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de redelijkheid van het verzoek van de moeder, de ingangsdatum en het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de bestreden beschikking.
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar inleidend verzoek, dan wel haar verzoek af te wijzen, en de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking op te schorten totdat in hoger beroep zal zijn beslist zijn verzoek.
4.3.
De moeder voert verweer. Zij vraag het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vader vanwege zijn proceshouding te veroordelen in de kosten van het geding.

5.De overwegingen voor de beslissing

5.1.
De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof overeenstemming bereikt over de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] . Zij hebben afgesproken dat de vader met ingang van 24 november 2025 € 175,- per maand aan de moeder verschuldigd is. De vader zal met ingang van 1 juni 2026 deze maandelijkse verschuldigde bijdrage aan de moeder betalen, waarbij de wettelijke indexering per 1 januari 2027 ingaat. De vader zal het achterstallige bedrag van € 1.090,83 met ingang van 1 juni 2026 in twaalf maandelijkse termijnen aan de moeder betalen.
Daarbij zijn de ouders overeengekomen dat zij de komende twee jaar niet tegen elkaar zullen procederen over de alimentatie, en dat zij ieder de eigen proceskosten dragen.
Onderdeel van deze afspraak is dat de vader zijn verzoek met betrekking tot de schorsing van de bestreden beschikking heeft ingetrokken. Dit brengt mee dat het hof de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in dit verzoek.
5.2.
De ouders hebben het hof verzocht de overeenstemming ten aanzien van de kinderalimentatie in de beschikking vast te leggen. Hieruit leidt het hof dat de ouders hun verzoek in hoger beroep dienovereenkomstig hebben gewijzigd. Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen overeenkomstig wat de ouders zijn overeengekomen. Het hof acht de gemaakte afspraak in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met zaaknummer 200.368.309/02 (schorsing)
6.1.
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 27 januari 2026;
in de zaak met zaaknummer 200.368.309/01 (hoofdzaak)
6.2.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 27 januari 2026, en in zoverre opnieuw beschikkende:
6.3.
bepaalt dat:
  • de vader aan de moeder met ingang van 24 november 2025 een bedrag van € 175,- per maand verschuldigd is als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2009;
  • de wettelijke indexering zal ingaan per 1 januari 2027;
  • de vader met ingang van 1 juni 2026 de maandelijkse bijdrage begint te betalen aan de moeder, de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
  • de vader met ingang van 1 juni 2026 het achterstallige bedrag (berekend over de periode 24 november 2025 tot 1 juni 2026) van € 1.090,83 in twaalf maandelijkse termijnen aan de moeder betaalt;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
6.5.
compenseert de kosten van het geding in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Koopman, mr. L. Pieters en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 16 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.