ECLI:NL:GHARL:2026:396

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
21-003688-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77h SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afpersing met nepvuurwapen leidt tot jeugddetentie en leerstraf

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland vernietigd en in hoger beroep opnieuw recht gedaan. Verdachte is veroordeeld voor afpersing gepleegd op 28 januari 2025, waarbij hij met een nepvuurwapen slachtoffers dwong een jas af te geven. Het hof acht bewezen dat verdachte het nepwapen op het hoofd van de slachtoffers richtte en hen met geweld bedreigde.

De rechtbank had verdachte reeds veroordeeld tot 136 dagen jeugddetentie, waarvan 90 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en diverse bijzondere voorwaarden. Het hof heeft deze straf grotendeels bevestigd, maar enkele bijzondere voorwaarden aangepast, zoals het schrappen van intensieve trajectbegeleiding en elektronische monitoring. Wel is een contactverbod met de medeverdachte opgelegd en een verbod op drugsgebruik met controle.

Daarnaast is een leerstraf van 50 uur opgelegd, die bij niet-naleving kan worden vervangen door 25 dagen jeugddetentie. Het hof heeft de schadevergoedingsvorderingen van beide slachtoffers toegewezen, elk voor €2.500 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente, en een deel materiële schade. De schadevergoedingsmaatregel is beperkt tot de helft van het bedrag, zodat verdachte en medeverdachte ieder voor de helft aansprakelijk zijn.

Het hof heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder eerdere veroordelingen en het recidiverisico, dat als laag wordt ingeschat. De straf en voorwaarden zijn afgestemd op het belang van resocialisatie en bescherming van de slachtoffers.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 136 dagen jeugddetentie, waarvan 90 voorwaardelijk, een leerstraf van 50 uur en schadevergoedingen aan de slachtoffers.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003688-25
Uitspraakdatum: 21 januari 2026
Tegenspraak
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 28 augustus 2025 met het parketnummer 18-031115-25 in de strafzaak van

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

[verdachte] heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Het onderzoek van de zaak

Het gerechtshof heeft bij de hieronder weergegeven beslissing van het gerechtshof betrokken dat wat op de zitting van het gerechtshof van 7 januari 2026 is besproken en dat wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof:
  • het vonnis van de rechtbank zal vernietigen;
  • [verdachte] voor het aan hem ten laste gelegde feit (afpersing) zal veroordelen tot een jeugddetentie van 136 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] tijdens de proeftijd:
1. zich houdt aan de aanwijzingen van de [jeugdreclassering] ;
2. zich houdt aan een contactverbod conform het advies van Reclassering Nederland, met dien verstande dat contact met de beide slachtoffers toegestaan is wanneer dat nodig is in het kader van een eventueel nog op te starten mediation-traject;
3. zich houdt aan een contactverbod met de medeverdachte;
4. onderwijs volgt en/of meewerkt aan een dagbesteding;
5. meewerkt aan diagnostiek en de daaruit voortvloeiende ambulante behandeling door [zorgspecialist] of een gelijksoortige instelling, indien en voor zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt, waarbij [verdachte] zich houdt aan de door die instelling te geven huisregels;
6. de leerstraf So Cool Verlengd zal verrichten, voor zover de jeugdreclassering dat nodig vindt;
- de vorderingen tot schadevergoeding van de beide benadeelde partijen geheel en hoofdelijk zal toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel voor de helft van dat bedrag.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen [verdachte] , zijn moeder en zijn raadsvrouw, mr. J. Boelstra, hebben aangevoerd op de zitting in hoger beroep en van hetgeen door de heer [medewerker] van de Jeugdreclassering en door de ouders van de beide slachtoffers / benadeelde partijen naar voren is gebracht op die zitting.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis. In dat vonnis en in het herstelvonnis van de rechtbank van 2 september 2025 heeft de rechtbank [verdachte] voor afpersing veroordeeld tot 136 dagen jeugddetentie, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] :
1. zich houdt aan de aanwijzingen van de [jeugdreclassering] en in het kader van reclasseringstoezicht gedurende de eerste 6 maanden van de proeftijd medewerking verleent aan het toezicht van en de begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern);
2. zich in het kader van de ITB Harde Kern maatregel gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt onder elektronische monitoring zal stellen van de jeugdreclassering;
3. onderwijs volgt en/of meewerkt aan een dagbesteding;
4. meewerkt aan diagnostiek en de daaruit voortvloeiende ambulante behandeling door [zorgspecialist] of een gelijksoortige instelling, indien en voor zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt, waarbij hij zich houdt aan de door die instelling te geven huisregels;
5. meewerkt aan hulpverlening vanuit [thuiszorg] of andere hulpverlening die nodig wordt geacht door de jeugdreclassering, voor zover en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;
6. geen drugs en alcohol gebruikt en meewerkt aan controle door middel van urinecontroles, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;
7. inzicht geeft in zijn sociale netwerk, indien en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt.
De rechtbank heeft verder de dadelijke uitvoerbaarheid van de gestelde voorwaarden en van het toezicht gelast en heeft daarnaast opgelegd de leerstraf So-Cool Verlengd van 50 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 dagen jeugddetentie.
De rechtbank heeft verder het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van [verdachte] opgeheven.
De rechtbank heeft de vordering van [slachtoffer 1] deels toegewezen, tot een bedrag van € 2.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente, bepaald dat [verdachte] hoofdelijk aansprakelijk is en heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De rechtbank heeft de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige afgewezen.
De rechtbank heeft de vordering van [slachtoffer 2] geheel tot een bedrag van € 2.691,25 toegewezen, waarbij [verdachte] hoofdelijk aansprakelijk is gesteld en de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.
Het gerechtshof komt in dit arrest op onderdelen tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Noord-Nederland. Het gerechtshof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te [plaats] (op de openbare weg) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n) door (- zakelijk weergegeven -) die [slachtoffer 2] (bij zijn kraag) vast te pakken en/of een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen aan en/of (op het hoofd) te richten op(/van) die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of aan hem/hen toe te voegen de woorden: "Doe je jas uit" en/of "Geef mij jouw jas", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Bewijsoverweging

[verdachte] heeft op de zitting in hoger beroep ontkend dat hij een (nep)vuurwapen op het hoofd van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft gericht. Hij heeft op die zitting verklaard dat hij het (nep)vuurwapen enkel heeft getoond aan hen. De verdediging heeft daarom vrijspraak van dat onderdeel van de tenlastelegging bepleit.
Het gerechtshof is van oordeel dat wat is aangevoerd wordt weerlegd door wat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bij de politie hebben verklaard over het richten van een vuurwapen op hun hoofd door [verdachte] . Het gerechtshof vindt die verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] betrouwbaar en twijfelt niet aan wat zij hebben verteld over wat er gebeurd is. Dat wat [verdachte] daar zelf over verklaard heeft, vindt het gerechtshof niet aannemelijk. [verdachte] heeft namelijk op diverse momenten, bij de politie, op de zitting van de rechtbank en op de zitting van het gerechtshof, wisselend verklaard over de manier waarop hij het (nep)wapen heeft getoond en vast gehad heeft.
Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het gevoerde bewijsverweer.
Anders dan de rechtbank acht het hof afpersing van [slachtoffer 1] niet bewezen. Ten laste is gelegd dat het ging om de jas. Die jas was alleen van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] is gedwongen om die jas af te geven, niet [slachtoffer 1] . Wel heeft [verdachte] het (nep)wapen ook gericht op [slachtoffer 1] , zodat [slachtoffer 2] de jas zou afgeven.
Bewezenverklaring
Het gerechtshof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op 28 januari 2025 te [plaats] op de openbare weg tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas, die aan die [slachtoffer 2] toebehoort, door die [slachtoffer 2] bij zijn kraag vast te pakken en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan en op het hoofd te richten van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en aan [slachtoffer 2] toe te voegen de woorden:
"Doe je jas uit" en "Geef mij jouw jas".
Het gerechtshof spreekt [verdachte] vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit

Het bewezen verklaarde feit is strafbaar en levert op:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van [verdachte]

is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat hij niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het gerechtshof rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van [verdachte] .
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit heeft het gerechtshof in het bijzonder gelet op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat [verdachte] door de bewezen verklaarde vorm van afpersing in ernstige mate gevoelens van angst en onveiligheid heeft toegebracht aan de beide slachtoffers, met name door het gebruik van een (nep)wapen. Dat het niet om een echt wapen ging, was tijdens de afpersing niet bekend bij de beide slachtoffers. Dit rekent het gerechtshof [verdachte] zwaar aan, aangezien hij degene is geweest die het (nep)wapen op het hoofd van de beide slachtoffers heeft gericht en één van de slachtoffers heeft bevolen zich om te draaien, wat voor hem erg beangstigend is geweest. Door te ontkennen dat hij het (nep)wapen op ze gericht heeft, heeft hij hier niet volledig zijn verantwoordelijkheid voor genomen.
  • de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting in jeugdzaken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor afpersing (door meerdere personen, waarbij is gedreigd met een wapen).
Met betrekking tot de persoon van [verdachte] heeft het gerechtshof in het bijzonder gelet op:
 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van
8 december 2025 (strafblad). Daaruit blijkt dat aan hem eerder, op 21 oktober 2024, een strafbeschikking is opgelegd voor openlijke geweldpleging.
Die strafbeschikking is onherroepelijk geworden. Het pleit niet in zijn voordeel dat hij zich kort na deze bestraffing opnieuw schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een geweldsdelict;
 de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , voor zover daarvan uit het onderzoek op de zitting bij de rechtbank en in hoger beroep is gebleken.
Het gerechtshof heeft daarbij in het bijzonder gelet op de persoonsrapporten die over hem zijn uitgebracht door de [jeugdreclassering] en door de Raad voor de Kinderbescherming.
Het gerechtshof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat wat de advocaat-generaal heeft geëist, op zich passend is, zij het met een aantal uitzonderingen daarop voor wat betreft de aan [verdachte] op te leggen bijzondere voorwaarden.
Net als de advocaat-generaal, vindt het gerechtshof het niet meer nodig dat [verdachte] meewerkt aan ITB Harde Kern en elektronische monitoring.
Op de zitting in hoger beroep is duidelijk geworden dat het ITB Harde Kern-traject goed verloopt en nu in de afrondende fase is. Oplegging van deze bijzondere voorwaarde is daarom nu niet meer nodig, zo heeft de heer [medewerker] van de jeugdreclassering ook toegelicht.
Net als de advocaat-generaal, vindt het gerechtshof het niet meer nodig dat [verdachte] meewerkt aan hulpverlening vanuit [thuiszorg] of soortgelijke andere hulpverlening.
Op de zitting in hoger beroep is duidelijk geworden dat deze hulpverlening inmiddels is stopgezet en, indien nodig, weer opnieuw opgestart kan worden wanneer de jeugdreclassering dat nodig acht, ook buiten het kader van een bijzondere voorwaarde. Oplegging van deze bijzondere voorwaarde is daarom nu niet meer nodig.
Anders dan de advocaat-generaal, acht het gerechtshof het ongewenst de leerstraf So Cool Verlengd op te leggen als bijzondere voorwaarde, waarbij het aan de jeugdreclassering wordt overgelaten of die leerstraf (nog) nodig is. Het gerechtshof acht die leerstraf het bij uitstek aangewezen interventie-instrument voor de problematiek waarmee de verdachte blijkens het strafdossier kampt - het al te gemakkelijk meegaan met de (criminele) ideeën van personen uit zijn vriendenkring - en zal die leerstraf daarom opleggen als zelfstandige leerstraf om [verdachte] te helpen meer weerbaar te zijn en zich niet te laten beïnvloeden.
Voor zover die leerstraf mogelijk in conflict komt met de behandeling bij [zorgspecialist] , merkt het gerechtshof op dat tot nu toe nog onvoldoende duidelijk is of en zo ja, welke behandeling door [zorgspecialist] geboden gaat worden. Verder zal de behandeling bij [zorgspecialist] zich kunnen aanpassen aan de leerstraf, mocht dat nodig zijn.
Anders dan de advocaat-generaal, ziet het gerechtshof aanleiding het contactverbod te beperken tot contact tussen [verdachte] en [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2010 (de medeverdachte in deze zaak). Het is namelijk niet gebleken dat er nog enig contact is geweest tussen [verdachte] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en ook niet dat daarvoor gevreesd hoeft te worden.
Anders dan de advocaat-generaal, acht het gerechtshof het nog wel nodig als bijzondere voorwaarde op te nemen dat [verdachte] geen drugs gebruikt en meewerkt aan bloedonderzoek of urineonderzoek om dit verbod te controleren, of aan een minder ingrijpende controle met behulp van een ademonderzoek of een speekseltest, waarbij de jeugdreclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Dit dient als stok achter de deur, zodat [verdachte] niet meer gaat blowen. Eerder is gebleken dat [verdachte] agressief kan worden als hij geblowd heeft.
Net als de advocaat-generaal vindt het gerechtshof het niet nodig om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Feiten en/of omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander ontbreken. Integendeel, volgens de heer [medewerker] van de jeugdreclassering is het recidiverisico in de fase waarin [verdachte] nu zit laag.
Het bovenstaande leidt het gerechtshof tot de volgende strafoplegging:
  • een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject
  • jeugddetentie voor de duur van 136 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de periode die [verdachte] heeft doorgebracht in voorarrest (zodat hij niet meer vast hoeft te zitten) en met als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] :
  • zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen van de [jeugdreclassering] ;
  • gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2010;
  • gedurende de proeftijd onderwijs volgt en/of meewerkt aan een dagbesteding;
  • meewerkt aan diagnostiek en de daaruit voortvloeiende ambulante behandeling door [zorgspecialist] of een gelijksoortige instelling, indien en voor zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt, waarbij de verdachte zich houdt aan de door die instelling te geven huisregels;
  • gedurende de proeftijd geen verdovende middelen gebruikt en meewerkt aan bloedonderzoek of urineonderzoek om dit verbod te controleren, of aan een minder ingrijpende controle met behulp van een ademonderzoek of een speekseltest.
De jeugdreclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft in eerste aanleg een vordering ingediend tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 191,25 en immateriële schade ten bedrage van € 2.500,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen, tot een bedrag van € 2.500,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. [slachtoffer 1] heeft in hoger beroep aangegeven dat de vordering wordt gehandhaafd, met dien verstande dat namens hem ter zitting is verklaard dat nu geen materiële schade meer wordt gevorderd. Het gerechtshof zal daarom alleen een beslissing nemen over de gevorderde immateriële schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde strafbare handelen van [verdachte] . De hoogte van de gevorderde schade is niet betwist; de rechtsgrond op basis waarvan schade is gevorderd is evenmin betwist en acht het gerechtshof ook aanwezig. [verdachte] moet de gevorderde schade daarom vergoeden en de vordering wordt daarom toegewezen. Het gerechtshof overweegt hiertoe het volgende.
Uit artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als de benadeelde partij ten gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in de eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast.
Naar het oordeel van het gerechtshof is in dit geval sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze, op grond van de feiten en/of omstandigheden die in de schadeonderbouwing zijn opgenomen en op grond van de nadere toelichting van de raadsvrouw van de benadeelde partij, zoals gegeven op de zitting van de rechtbank en op grond van de nadere toelichting die door de ouders van de benadeelde partij is gegeven op de zitting in hoger beroep. Kort gezegd, volgt daaruit onder meer dat [slachtoffer 1] sinds maart
2025 in behandeling is bij Accare, dat sprake is van PTSS (symptomen) en daarmee samenhangende klachten, waarvoor hij sinds mei 2025 wekelijkse traumagerichte behandeling heeft gevolgd.
Het gerechtshof zal de omvang van de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 2.500,00. Het gerechtshof heeft daarbij gelet op aard van de aansprakelijkheid, de intensiteit van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij en de gevolgen die dit voor de benadeelde partij heeft gehad en de bedragen die in vergelijkbare zaken door rechters plegen te worden toegewezen. Gelet op de omstandigheden waaronder de afpersing heeft plaatsgevonden, zoals daarvan blijkt uit de aangifte die [slachtoffer 1] heeft gedaan bij de politie, is het gevorderde bedrag zonder meer billijk. Met name van belang is dat een nep-vuurwapen op hem is gericht, zoals bewezen verklaard, terwijl hij niet wist dat het ging om een nep-vuurwapen.
Het toegewezen bedrag van € 2.500,00, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening.
Hoofdelijkheid
[verdachte] is, als pleger van het bewezen verklaarde strafbare feit, samen met zijn medeverdachte aansprakelijk voor het volledige bedrag van de aangerichte schade, ook nu de medeverdachte medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van die schade. Dit volgt uit de wet. De volledige, hoofdelijke aansprakelijkheid van een verdachte dient mede te worden bezien in het licht van het belang dat het slachtoffer heeft bij volledige vergoeding van zijn schade, door welke veroorzaker van die schade dan ook. Dat belang van het slachtoffer staat voorop.
De verdediging heeft op de zitting van het gerechtshof aangevoerd dat [verdachte] en zijn moeder grote moeite hebben met deze juridische constructie omdat dat hen veel stress oplevert en heeft bepleit dat de gevorderde immateriële schade dient te worden gedeeld door de verdachte en de mededader.
Hoewel [verdachte] en zijn mededader ten opzichte van [slachtoffer 1] samen voor het geheel aansprakelijk zijn, kan [verdachte] gebruik maken van de civielrechtelijke onderlinge verhaalsmogelijkheid tussen hem en de mededader als hij het geheel betaald heeft.
Kostenveroordeling
Gelet op het bovenstaande wordt [verdachte] , als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding door [slachtoffer 1] gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed legt het gerechtshof de schadevergoedingsmaatregel op. Hierbij overweegt het gerechtshof uitdrukkelijk dat de schadevergoedingsmaatregel, als strafrechtelijke sanctiemaatregel, een enigszins ander karakter heeft dan de vordering van de benadeelde partij, die strikt civielrechtelijk moet worden beoordeeld. Het gerechtshof vindt het in dit geval passend om de schadevergoedingsmaatregel te beperken tot de helft van de toegekende vordering, zodat [verdachte] en zijn mededader in eerste instantie voor een gelijk deel door het CJIB zullen worden aangesproken. Hiermee komt het gerechtshof tegemoet aan wat door de verdediging is aangevoerd als de voornaamste reden voor het instellen van hoger beroep.
Gelet op de leeftijd van [verdachte] ten tijde van het bewezen verklaarde feit zal bij niet-betaling geen gijzeling worden toegepast.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

heeft in eerste aanleg een vordering ingediend tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 191,25 en immateriële schade ten bedrage van € 2.500,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De rechtbank heeft deze vordering geheel toegewezen. [slachtoffer 2] heeft zich in hoger beroep onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de gehele vordering opnieuw moet beoordelen.
Op de zitting is gebleken dat [slachtoffer 2] rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde strafbare handelen van [verdachte] . De hoogte van de gevorderde schade is niet betwist; de rechtsgrond op basis waarvan immateriële schade is gevorderd is evenmin betwist. [verdachte] moet de gevorderde schade daarom vergoeden en de vordering wordt daarom toegewezen. Het gerechtshof overweegt hiertoe het volgende.
Uit artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als de benadeelde partij door het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in de eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast.
Naar het oordeel van het gerechtshof is in dit geval sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze, op grond van de feiten en/of omstandigheden die in de schadeonderbouwing zijn opgenomen en op grond van de nadere toelichting van de raadsvrouw van [slachtoffer 2] , zoals gegeven op de zitting van de rechtbank, en op grond van de nadere toelichting die door de ouders van [slachtoffer 2] is gegeven op de zitting in hoger beroep. Kort gezegd volgt daaruit dat [slachtoffer 2] als gevolg van het bewezenverklaarde feit last heeft gehad van nachtmerries en herbelevingen, waarvoor hij een behandeling heeft ondergaan.
Het gerechtshof stelt de omvang van de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 2.500,00.
Het gerechtshof heeft daarbij gelet op aard van de aansprakelijkheid, de intensiteit van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] en de gevolgen die dit voor [slachtoffer 2] heeft gehad en de bedragen die in vergelijkbare zaken door rechters plegen te worden toegewezen. Gelet op de omstandigheden waaronder de afpersing heeft plaatsgevonden, zoals daarvan blijkt uit de aangifte die [slachtoffer 2] heeft gedaan bij de politie, is het gevorderde bedrag billijk. Met name van belang is dat een nep-vuurwapen op het hoofd van [slachtoffer 2] is gericht, zoals bewezen verklaard, terwijl hij niet wist dat het ging om een nep-vuurwapen.
De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.691,25, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening.
Hoofdelijkheid, kostenveroordeling en schadevergoedingsmaatregel
[verdachte] is, om dezelfde redenen zoals genoemd bij de vordering van [slachtoffer 1] , samen met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade van [slachtoffer 2] . Ook wordt [verdachte] veroordeeld in de kosten van [slachtoffer 2] in het geding, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. De schadevergoedingsmaatregel wordt, net als ten aanzien van [slachtoffer 1] , voor de helft van het bedrag opgelegd.
Gelet op de leeftijd van [verdachte] ten tijde van het bewezen verklaarde feit zal bij niet-betaling geen gijzeling worden toegepast.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden op het moment van het bewezen verklaarde feit.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject
,te weten
So-Cool Verlengd,voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
136 (honderdzesendertig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
90 (negentig) dagen,niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen van de [jeugdreclassering] .
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
[medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2010.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd onderwijs volgt en/of meewerkt aan een dagbesteding, indien en voor zover door de jeugdreclassering nodig wordt geacht.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan diagnostiek en de daaruit voortvloeiende ambulante behandeling door [zorgspecialist] of een gelijksoortige instelling, indien en voor zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt, waarbij de verdachte zich houdt aan de door die instelling te geven huisregels.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen gebruikt en meewerkt aan bloedonderzoek of urineonderzoek om dit verbod te controleren, of aan een minder ingrijpende controle met behulp van een ademonderzoek of een speekseltest. De jeugdreclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft opdracht aan de [jeugdreclassering] tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 28 januari 2025.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.691,25 (tweeduizend zeshonderdeenennegentig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit
€ 191,25 (honderdeenennegentig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.345,62 (duizend driehonderdvijfenveertig euro en tweeënzestig cent) bestaande uit € 95,62 (vijfennegentig euro en tweeënzestig cent) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 28 januari 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. H.J. Deuring en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 januari 2026.