Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3944

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
21-002614-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen opzettelijke brandstichting van meerdere auto's in woonwijk

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Gelderland vernietigd en verdachte veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke brandstichting. Verdachte heeft samen met anderen in de nacht van 13 op 14 september 2021 een groot aantal auto's in brand gestoken in de wijk Veldhuizen te Ede.

Het bewijs bestond uit DNA-sporen van verdachte op een gebruikte jerrycan, historische verkeersgegevens van zijn telefoon die zijn aanwezigheid in Ede tijdens de brandstichtingen aantonen, camerabeelden van betrokkenen met een jerrycan, en getuigenverklaringen over de oproep tot brandstichting. Verdachte's alternatieve verklaringen werden door het hof als ongeloofwaardig verworpen.

Het hof achtte bewezen dat verdachte medepleger was, gezien de nauwe samenwerking en gezamenlijke uitvoering van de brandstichtingen. Niet alle tenlastegelegde branden werden bewezen; verdachte werd vrijgesproken voor twee auto's vanwege gebrek aan bewijs.

De straf werd vastgesteld op 32 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast wees het hof schadevergoedingen toe aan diverse benadeelde partijen, waarbij sommige vorderingen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat zij bij de burgerlijke rechter moeten worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van opzettelijke brandstichting van meerdere auto's.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002614-23
Uitspraakdatum:11 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 mei 2023 met parketnummer 05-259773-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [datum] in [plaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 28 mei 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door zijn raadsvrouw,
mr. E.D. van Elst, is aangevoerd. Daarnaast heeft het hof gelet op wat benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [naam 1] (namens [benadeelde partij 2] ) hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 mei 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte vrijgesproken van het – kort gezegd – alleen of samen met anderen stichten van 22 autobranden (het primair tenlastegelegde) dan wel het vernielen van deze auto’s (het subsidiair tenlastegelegde).
Het hof komt, anders dan de rechtbank, tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Reeds daarom kan het vonnis niet in stand blijven. Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Op de zitting van 12 december 2022 bij de rechtbank Gelderland is de tenlastelegging nader omschreven. Aan verdachte is na deze nadere omschrijving ten laste gelegd dat:
primair
hij in of omstreeks de periode van 13 september 2021 tot en met 14 september 2021 te Ede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door (motor)benzine, althans een brandbare stof, in aanraking te brengen met open vuur,
ten gevolge waarvan een of meerdere heg(gen) en/of schutting(en) (op of omstreeks [straat 1] ) en/of een of meerdere auto(s) (met inhoud) te weten:
- een Smart Forfour met kenteken [kenteken 1] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 2] en/of
- een Volkswagen golf met kenteken [kenteken 2] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 2] en/of
- een Opel Corsa met kenteken [kenteken 3] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 2] en/of
- een Peugeot 308 met kenteken [kenteken 4] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats omstreeks [straat 2] en/of
- een Renault Twingo met kenteken [kenteken 5] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 3] en/of
- een Volkswagen Crafter met kenteken [kenteken 7] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 1] en/of
- een Toyota Aygo met kenteken [kenteken 8] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Honda Civic met kenteken [kenteken 9] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Volkswagen Fox met kenteken [kenteken 10] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 11] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Suzuki Liana met kenteken [kenteken 12] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Peugeot 107 met kenteken [kenteken 13] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Seat Ibiza met kenteken [kenteken 14] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Renault Twingo met kenteken [kenteken 15] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Volkswagen T1 2/23 combi met kenteken [kenteken 16] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 6] en/of
- een Volkswagen (E)-)Golf met kenteken [kenteken 17] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 6] en/of
- een Peugeot 206cc met kenteken [kenteken 18] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 7] en/of
- een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 19] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 7] en/of
- een Seat Ibiza met kenteken [kenteken 20] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 8] en/of
- een Toyota Yaris met kenteken [kenteken 21] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 8] en/of
- een Volkswagen Passat met kenteken [kenteken 22] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 9] en/of
- een BMW 3-serie met kenteken [kenteken 23] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 10] , althans een of meer goed(eren), geheel of ten dele is/zijn verband, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor:
- de (overige) op de voornoemde (openbare) parkeerplaats(en) bevindende auto(?s) en/of
- belendende percelen (te weten woningen), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 13 september 2021 tot en met 14 september 2021 te Ede tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere heg(gen) en/of schutting(en) (op of omstreeks [straat 1] ) en/of een of meerdere auto(?s) (met inhoud) te weten:
- een Smart Forfour met kenteken [kenteken 1] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 2] en/of
- een Volkswagen golf met kenteken [kenteken 2] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 2] en/of
- een Opel Corsa met kenteken [kenteken 3] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 2] en/of
- een Peugeot 308 met kenteken [kenteken 4] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats omstreeks [straat 2] en/of
- een Renault Twingo met kenteken [kenteken 5] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 3] en/of
- een Volkswagen Crafter met kenteken [kenteken 7] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 1] en/of
- een Toyota Aygo met kenteken [kenteken 8] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Honda Civic met kenteken [kenteken 9] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Volkswagen Fox met kenteken [kenteken 10] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 11] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Suzuki Liana met kenteken [kenteken 12] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Peugeot 107 met kenteken [kenteken 13] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Seat Ibiza met kenteken [kenteken 14] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Renault Twingo met kenteken [kenteken 15] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Volkswagen T1 2/23 combi met kenteken [kenteken 16] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 6] en/of
- een Volkswagen (E)-)Golf met kenteken [kenteken 17] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 6] en/of
- een Peugeot 206cc met kenteken [kenteken 18] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 7] en/of
- een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 19] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 7] en/of
- een Seat Ibiza met kenteken [kenteken 20] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 8] en/of
- een Toyota Yaris met kenteken [kenteken 21] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 8] en/of
- een Volkswagen Passat met kenteken [kenteken 22] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 9] en/of
- een BMW 3-serie met kenteken [kenteken 23] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 10] ,
in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Gebruikte bewijsmiddelen

In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen inhoudende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in een aanvulling op dit arrest.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte, samen met anderen, betrokken is geweest bij de brandstichtingen in de wijk Veldhuizen in Ede in de nacht van 13 op 14 september 2021. De advocaat-generaal heeft gewezen op de aanleiding voor de brandstichtingen, het contact tussen verdachte en [naam 2] , de historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte en zijn aanwezigheid in Ede, het DNA van verdachte op de bij de brandstichtingen gebruikte jerrycan en de brand- en snijwonden die verdachte kort na de brandstichtingen had. De door verdachte gegeven alternatieve verklaringen zijn volgens de advocaat-generaal onaannemelijk en ongeloofwaardig.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte bij de brandstichtingen betrokken is geweest. Volgens de verdediging staat onvoldoende vast dat verdachte de jerrycan in de nacht van de brandstichtingen voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft verklaard dat hij vaker jerrycans uitleende. Verder heeft verdachte een aannemelijke verklaring gegeven voor zijn letsel, namelijk dat hij in de nacht heeft gefrituurd, is gevallen en hete frituurolie over zijn hand heeft gekregen. Ook kan uit de historische verkeersgegevens niet worden afgeleid dat verdachte zich op de plaatsen van de brandstichtingen bevond. Verdachte heeft verklaard dat hij in Ede was om schoenen te kopen van [naam 3] . Die verklaring vindt volgens de raadsvrouw steun in de verklaring van [naam 3] .
Oordeel van het hof
Over de mogelijke aanleiding van de brandstichtingen vermeldt het dossier dat op 13 september 2021 een conflict heeft plaatsgevonden tussen [naam 4] en [naam 5] . [naam 4] is naar aanleiding daarvan aangehouden. Uit het dossier volgt dat [naam 2] , de zoon van [naam 4] , zeer boos was over die aanhouding en over de door [naam 5] gedane aangifte. [naam 6] , een neefje van [naam 4] , heeft verklaard dat hij had gehoord dat de man die zijn oom had verraden eerder die dag door [naam 2] was geslagen en dat hij dit bij een tweede treffen ook zelf heeft gezien. Verder volgt uit zijn verklaring dat [naam 2] diverse jongens zou hebben opgeroepen om auto’s in de brand te steken en dat dit rond half één moest gebeuren, als het rustig was op straat. Hij zou dit gezegd hebben tegen een paar jongens van de straat.
Uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode voorafgaand aan de brandstichtingen veelvuldig telefonisch contact had met [naam 2] . Het eerste belcontact vond plaats driekwartier nadat [naam 4] is aangehouden. Het gaat in totaal om 21 inkomende en uitgaande contactmomenten (inclusief berichten). Het laatste contactmoment vond plaats op 13 september 2021 om 23:38 uur, ongeveer een halfuur voor het begin van de brandstichtingen.
In de nacht van 13 op 14 september 2021 hebben in korte tijd 22 autobranden plaatsgevonden in de wijk [wijk] in Ede. Om 00:17 uur die nacht kwam de eerste 112-melding binnen van een autobrand aan [straat 5] . Een van de auto’s die daar in brand is gestoken, was de auto waarmee [naam 5] eerder die dag had gereden en waar hij in zat toen hij klappen kreeg van [naam 2] . Op camerabeelden die zijn gemaakt op [straat 5] is te zien dat in ieder geval drie personen, die op een scooter reden, betrokken waren bij de brandstichtingen. Een van hen hield een rode dan wel oranjekleurige jerrycan vast. Om 00:32 uur werd de laatste melding gedaan van een autobrand aan [straat 1] .
De vraag die aan het hof voorligt is of verdachte één van de personen is geweest die betrokken zijn bij de brandstichtingen. Het hof overweegt daarover het volgende.
De aangetroffen jerrycan
Getuige [naam 7] heeft verklaard dat hij zag dat een persoon met een jerrycan vloeistof over meerdere auto’s gooide en dat een ander vervolgens iets bij die auto’s deed, waarna deze enkele seconden later in brand stonden.
Onder een van de uitgebrande auto’s werd door de politie een deels gesmolten oranje jerrycan aangetroffen. Deze jerrycan is onderzocht op de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen. In een veiliggesteld monster uit die jerrycan zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine. De waargenomen hoeveelheid vluchtige stoffen is vrij hoog.
Ook bij diverse door brand beschadigde auto's zijn brandmonsters veiliggesteld. Een selectie daarvan (vijf monsters) zijn voor nader onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van sporen van ontbrandbare vloeistof overgedragen aan het NFI. In alle vijf de monsters zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.
Het hof stelt op basis daarvan vast dat deze jerrycan bij de brandstichtingen is gebruikt.
De aangetroffen jerrycan is bemonsterd. Aan de bemonstering is DNA-onderzoek verricht.
Uit NFI-onderzoek blijkt dat op de bemonstering van de jerrycan een DNA-profiel is aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige derde matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Het hof neemt deze conclusie van het NFI over en concludeert op basis van die bevindingen dat het DNA-spoor zoals dat is aangetroffen in de bemonstering van de jerrycan van verdachte is.
Historische verkeersgegevens
De historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] , dat ten tijde van het tenlastegelegde in gebruik was bij verdachte, zijn geanalyseerd. Hieruit volgt dat de telefoon van verdachte op 13 september 2021 om 23:38 uur nog een zendmast aanstraalde op de [straat 11] in Veenendaal. Om 00:28 uur, dus tijdens de brandstichtingen, straalde de telefoon van verdachte voor het eerst weer een zendmast aan de [straat 12] in Ede aan. Het aanvullende proces-verbaal meting telecommunicatienetwerk ondersteunt de conclusie dat de telefoon van verdachte zich op dat moment in het dekkingsgebied van die mast bevond waar ook de wijk [wijk] toebehoort. Om 02:26 uur straalde de telefoon van verdachte weer een zendmast in Veenendaal aan. Het hof leidt hieruit af dat verdachte zich rond het tijdstip van de brandstichtingen in Ede bevond.
Brand- en snijwonden bij verdachte
Verder is gebleken dat verdachte zich op 14 september 2021 om 09:19 uur (de ochtend na de brandstichtingen) bij de huisarts heeft gemeld met brandwonden en een snijwond aan zijn hand. Het hof betrekt deze verwondingen, mede gelet op het tijdstip waarop zij zijn geconstateerd, bij de beoordeling van de betrokkenheid van verdachte bij de brandstichtingen.
Verklaringen verdachte niet aannemelijk geworden
Het hof is van oordeel dat de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij de brandstichtingen.
Ten aanzien van de aangetroffen jerrycan heeft verdachte verklaard dat hij vaker jerrycans uitleende. Verdachte heeft echter niet kunnen verklaren aan wie hij de betreffende jerrycan heeft uitgeleend en wanneer dat zou zijn gebeurd. Het hof schuift deze verklaring, mede gelet op de overige bewijsmiddelen, als ongeloofwaardig en niet aannemelijk geworden terzijde.
Ook aan de verklaring van verdachte dat hij in de nacht van 13 op 14 september 2021 in Ede schoenen heeft gekocht van [naam 3] en dat daarom zijn telefoon om 00.28 uur de zendmast aan de [straat 12] in Ede aanstraalde, gaat het hof voorbij. Voor deze verklaring geldt dat verdachte deze pas in een laat stadium van het onderzoek heeft afgelegd, nadat hij al de beschikking had over de belangrijkste onderzoeksresultaten. [naam 3] , een voormalig celgenoot van verdachte, heeft weliswaar verklaard dat verdachte schoenen van hem heeft gekocht, maar hij heeft niet bevestigd dat dit in de nacht van de brandstichtingen ter hoogte van de Albert Heijn XL in Ede zou zijn gebeurd. Het hof hecht aan de verklaring van [naam 3] dan ook geen geloof.
Ook de door verdachte gegeven verklaring voor zijn brand- en snijwonden acht het hof ongeloofwaardig. Verdachte heeft voor het eerst tijdens het verhoor op 11 januari 2023 verklaard dat zijn letsel zou zijn ontstaan door een ongeluk met een frituurpan. Niet valt in te zien waarom verdachte niet meteen heeft verklaard over dit ongeluk en daarmee heeft gewacht nadat hij de beschikking had over het dossier. Verdachte heeft bovendien voordat hij de beschikking had over het dossier, wisselende verklaringen afgelegd. Zo heeft hij tegenover de huisarts verklaard dat hij was gevallen en zich aan vuur had verbrand. Ook tegenover de politie heeft hij, toen hem kort na de brandstichtingen naar het verband om zijn hand werd gevraagd, slechts verklaard dat hij was gevallen. Van een ongeluk met frituurolie heeft hij toen geen melding gemaakt.
Conclusie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen concludeert het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat:
- verdachte voorafgaand aan de brandstichtingen veelvuldig contact had met [naam 2] die eerder die dag had opgeroepen om rond half een auto’s in de brand te steken.
- verdachte zijn DNA is aangetroffen op de jerrycan die bij de brandstichtingen is gebruikt.
- verdachte zijn telefoon ten tijde van de brandstichtingen een zendmast in Ede aanstraalde en dat
- verdachte zich enkele uren later met brandwonden en een snijwond bij de huisarts heeft gemeld.
Het hof acht daarom bewezen dat verdachte één van de personen is geweest die de brandstichtingen heeft gepleegd.
Het hof acht voorts bewezen dat sprake is geweest van medeplegen. Uit de camerabeelden en getuigenverklaringen volgt dat meerdere personen gezamenlijk de branden hebben gesticht. In een zeer kort tijdsbestek zijn op verschillende plaatsen in dezelfde wijk meerdere auto's in brand gestoken. Gelet op de omvang van de brandstichtingen, de wijze waarop deze zijn uitgevoerd en de gezamenlijke verplaatsing van de betrokkenen op een scooter, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Partiële vrijspraak
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen ten aanzien van de Renault Twingo met kenteken [kenteken 5] en de Suzuki Liana met kenteken [kenteken 12] meer of anders is tenlastegelegd.
Ten aanzien van de Renault Twingo met kenteken [kenteken 5] blijkt uit het dossier dat deze auto niet geparkeerd stond op of omstreeks [straat 3] , zoals is tenlastegelegd. Uit de aangifte van [naam 8] volgt dat voornoemd adres haar eigen adres is en niet het adres waar de auto geparkeerd stond.
Ten aanzien van de Suzuki Liana met kenteken [kenteken 12] blijkt uit het dossier dat geen sprake is geweest van brandschade, maar van lakschade.
Verdachte zal daarom in zoverre worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primair
hij in
of omstreeksde periode van 13 september 2021 tot en met 14 september 2021 te Ede tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen,opzettelijk brand heeft gesticht door (motor)benzine, althans een brandbare stof, in aanraking te brengen met open vuur,
ten gevolge waarvan
een of meerdere heg(gen) en/of schutting(en) (op of omstreeks [straat 1] ) en/of een ofmeerdere auto
(‘s
)(met inhoud) te weten:
- een Smart Forfour met kenteken [kenteken 1] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 2] en
/of
- een Volkswagen golf met kenteken [kenteken 2] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 2] en
/of
- een Opel Corsa met kenteken [kenteken 3] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 2] en
/of
- een Peugeot 308 met kenteken [kenteken 4] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats omstreeks [straat 2] en
/of
- een Renault Twingo met kenteken [kenteken 5] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 3] en/of
- een Volkswagen Crafter met kenteken [kenteken 7] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 1] en
/of
- een Toyota Aygo met kenteken [kenteken 8] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en
/of
- een Honda Civic met kenteken [kenteken 9] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en
/of
- een Volkswagen Fox met kenteken [kenteken 10] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en
/of
- een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 11] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en
/of
- een Suzuki Liana met kenteken [kenteken 12] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en/of
- een Peugeot 107 met kenteken [kenteken 13] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en
/of
- een Seat Ibiza met kenteken [kenteken 14] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en
/of
- een Renault Twingo met kenteken [kenteken 15] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 5] en
/of
- een Volkswagen T1 2/23 combi met kenteken [kenteken 16] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 6] en
/of
- een Volkswagen (E)-)Golf met kenteken [kenteken 17] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 6] en
/of
- een Peugeot 206cc met kenteken [kenteken 18] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 7] en
/of
- een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 19] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 7] en
/of
- een Seat Ibiza met kenteken [kenteken 20] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks de [straat 8] en
/of
- een Toyota Yaris met kenteken [kenteken 21] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks de [straat 8] en
/of
- een Volkswagen Passat met kenteken [kenteken 22] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 9] en
/of
- een BMW 3-serie met kenteken [kenteken 23] welke geparkeerd stond op een (openbare) parkeerplaats op of omstreeks [straat 10] ,
althans een of meer goed(eren),geheel of ten dele
is/zijn verband, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor:
- de (overige) op de voornoemde (openbare) parkeerplaats(en) bevindende auto(?s) en/of
- belendende percelen (te weten woningen), in elk geval gemeen gevaarvoor goederen te duchten was;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarbij heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van de verdediging
In het geval het hof tot een bewezenverklaring zou komen, heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij is aangevoerd dat verdachte inmiddels vader is van twee jonge kinderen en zorg draagt voor zijn gezin.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het in brand steken van een groot aantal auto’s in een woonwijk. De brandstichtingen vonden plaats gedurende de nachtelijke uren en hebben in de wijk grote onrust veroorzaakt. Bewoners werden geconfronteerd met brandende auto's in hun directe woonomgeving. Een dergelijk feit veroorzaakt niet alleen aanzienlijke materiële schade, maar tast ook gevoelens van veiligheid en vertrouwen in de woonomgeving aan.
Uit hetgeen enkele gedupeerden ter zitting naar voren hebben gebracht, blijkt dat de gevolgen van de brandstichtingen voor hen verder reiken dan de materiële schade alleen. De branden hebben ook geleid tot gevoelens van verdriet en machteloosheid en hebben een grote impact gehad op personen die veel tijd en betrokkenheid hadden geïnvesteerd in hun eigendommen.
Volgens het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 mei 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Het hof heeft kennisgenomen van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 7 december 2022. De reclassering adviseerde destijds om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en een ambulante behandeling. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop sinds het opstellen van dat advies en nu verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, beschikt het hof over onvoldoende actuele informatie om de noodzaak van dergelijke bijzondere voorwaarden nu nog te kunnen beoordelen. Het hof zal daarom geen bijzondere voorwaarden opleggen.
Verder is gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Bij het opleggen van de straf houdt het hof echter ook rekening met het tijdverloop tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling in hoger beroep. De redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is in hoger beroep aangevangen met het instellen van hoger beroep door het openbaar ministerie op 26 mei 2023. Het hof doet uitspraak op 11 juni 2026. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat redelijkerwijs de behandeling ter zitting moet zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat het openbaar ministerie beroep heeft ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is in deze zaak naar het oordeel van het hof geen sprake. Er is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met twaalf maanden. Deze overschrijding dient naar het oordeel van het hof tot matiging van de straf te leiden. Bij de vaststelling van de straf heeft het hof met deze overschrijding rekening gehouden door het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf met een maand te verlagen.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden passend en geboden, met aftrek van het voorarrest. Van die straf zal een gedeelte, te weten 12 maanden, voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van 2 jaren. Daarmee wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Eerste aanlegDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.055,27 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Hoger beroepDe benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaalDe advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk deels toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige (de meerkosten voor de aanschaf van een duurdere auto dan de in brand gestoken auto) dient de vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden.
Standpunt van de verdedigingDe raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling hofHet hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Eerste aanlegDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.127,87 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Hoger beroepDe benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaalDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdedigingDe raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling hofUit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting volgt naar het oordeel van het hof voldoende dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte. Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, is de vordering voldoende onderbouwd en van zodanige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafproces. Van een onevenredige belasting van het strafgeding is geen sprake.
Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen tot een bedrag van € 6.127,87 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2021.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Eerste aanlegDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.297,22 ingediend, bestaande uit € 797,22 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Hoger beroepDe benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaalDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van €797,22 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rest van de gevorderde immateriële schade dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt van de verdedigingDe verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Ook is aangevoerd dat de gevorderde immateriële schade niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Beoordeling hofOp de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof acht de gevorderde post eigen risico van € 135,00 voldoende onderbouwd. De vordering wordt in zoverre toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2021.
De overige gevorderde materiële schadeposten zijn onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is onvoldoende gebleken dat sprake is van geestelijk letsel of een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De behandeling van deze onderdelen van de vordering levert een onevenredige belasting van de strafprocedure op. De benadeelde partij is daarom voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Om te bevorderen dat de toegewezen schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Eerste aanlegDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.272,44 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Hoger beroepDe vordering is in hoger beroep gehandhaafd. Uit een e-mailbericht van 11 mei 2026 met als bijlage een uittreksel (overlijdensakte) van 28 januari 2026 volgt dat [benadeelde partij 5] is overleden en dat de vordering is overgenomen door de erfgenaam [benadeelde partij 6] . Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaalDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Standpunt van de verdedigingDe verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling hofHet hof is van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van de strafprocedure op. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in de vordering en kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]

Eerste aanleg en hoger beroepVoor zover [benadeelde partij 6] de vordering van [benadeelde partij 5] heeft overgenomen, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7]

Eerste aanlegDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Hoger beroepNu de benadeelde partij zich na de niet-ontvankelijkverklaring in eerste aanleg niet opnieuw heeft gevoegd in hoger beroep, ligt de vordering niet ter beoordeling aan het hof voor.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8]

Eerste aanlegDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 24.590,31 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Hoger beroepDe benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaalDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Standpunt van de verdedigingDe verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat onvoldoende blijkt dat de vordering namens de benadeelde partij rechtsgeldig is ingediend en dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling hof
Het verweer dat onvoldoende blijkt van een rechtsgeldige indiening van de vordering wordt verworpen. Uit de stukken blijkt voldoende dat de vordering namens de rechtspersoon is ingesteld. Daarnaast is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat voldoende grondslag bestaat voor toewijzing van een deel van de vordering.
Het hof acht aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte materiële schade heeft geleden. Omdat de omvang daarvan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, maakt het hof gebruik van zijn schattingsbevoegdheid en schat de schade op € 16.500,00. De vordering wordt tot dat bedrag toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2021.
Voor het overige acht het hof de vordering onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal daarom voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Om te bevorderen dat de toegewezen schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 9]

Eerste aanlegDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 33.774,61 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Hoger beroepNu de benadeelde partij zich na de niet-ontvankelijkverklaring in eerste aanleg niet opnieuw heeft gevoegd in hoger beroep, ligt de vordering niet ter beoordeling aan het hof voor.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Eerste aanlegDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.454,13 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Hoger beroepDe benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaalDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdedigingDe verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat de gevorderde inkomstenderving onvoldoende vaststaat omdat het gaat om toekomstige schade en dat de vordering om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beoordeling hof
Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, acht het hof de gevorderde schade voldoende onderbouwd. Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Uit de overgelegde stukken blijkt voldoende van de gestelde inkomstenderving en van het causaal verband met het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte. De behandeling van de vordering levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Verdachte moet die schade vergoeden.
De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 8.454,13 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2021.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
32 (tweeëndertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 6.127,87 (zesduizend honderdzevenentwintig euro en zevenentachtig cent) ter zake van materiële schade,
waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.127,87 (zesduizend honderdzevenentwintig euro en zevenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 september 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 135,00 (honderdvijfendertig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 135,00 (honderdvijfendertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 september 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 16.500,00 (zestienduizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 8] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 16.500,00 (zestienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 107 (honderdzeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 september 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 9]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 9] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 8.454,13 (achtduizend vierhonderdvierenvijftig euro en dertien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.454,13 (achtduizend vierhonderdvierenvijftig euro en dertien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 67 (zevenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 september 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. J.D. den Hartog, mr. J. Steenbrink en mr. I.C.E. Draisma, in aanwezigheid van de griffier mr. I.H. Scharrenberg en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 11 juni 2026.