Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3942

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.350.116
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en contactregeling tussen vader en minderjarige met spina bifida vastgesteld

In deze zaak staat de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en moeder van een minderjarige met spina bifida centraal. De rechtbank wees het verzoek van de vader om een zorgregeling af. Het hof verwijst naar een eerder tussenbeschikking en een rapport van de raad voor de kinderbescherming waarin de medische situatie en zorgbehoefte van het kind uitgebreid zijn beschreven.

De raad concludeert dat contact tussen vader en kind wenselijk en in het belang van het kind is, ondanks de complexe zorgbehoefte. Er wordt geadviseerd om het contact geleidelijk op te bouwen onder begeleiding van een hulpverleningsorganisatie, met een opbouw van een uur naar twee uur per contactmoment, eens per twee weken. Beide ouders zijn bereid tot samenwerking, maar er zijn nog praktische onduidelijkheden over begeleiding en locatie.

Het hof volgt het advies van de raad en stelt een voorlopige zorgregeling vast conform het opbouwschema. De behandeling van het hoger beroep wordt aangehouden voor negen maanden om de voortgang te monitoren en te beoordelen of een definitieve regeling mogelijk is. Beide ouders dienen het hof uiterlijk 26 februari 2027 te informeren over de voortgang en hun wensen omtrent de procedure.

Uitkomst: Het hof stelt een voorlopige zorg- en contactregeling vast en houdt de verdere behandeling van het hoger beroep aan voor negen maanden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.116
(zaaknummer rechtbank Gelderland 424253)
beschikking van 16 juni 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.F.J. Huigens,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.E. Mulder.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 10 juli 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
  • het rapport van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) van 20 januari 2026;
  • een journaalbericht namens de moeder van 13 maart 2026 met een productie.
1.3
Op 26 mei 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Aanwezig waren:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • een vertegenwoordiger van de raad.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Zoals het hof in de tussenbeschikking van 10 juli 2025 heeft overwogen is tussen partijen in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen voor [de minderjarige] , geboren [in] 2022. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen afgewezen.
2.2
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 10 juli 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.3
In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over de volgende vragen:
  • is een contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] wenselijk en in het belang van [de minderjarige] , mede gelet op haar medische situatie?
  • indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, welke zorgregeling is dan het meest wenselijk voor [de minderjarige] , mede gelet op haar medische situatie?
  • welke stappen moeten worden genomen om tot die regeling te kunnen komen en op welke termijn kunnen die stappen plaatsvinden?
2.4
De raad heeft op 20 januari 2026 gerapporteerd. In het raadsrapport is, voor zover hier van belang, het volgende te lezen:

1. Wat betekenen de zorgen en krachten voor het veilig opgroeien van [de minderjarige] in de context van de scheiding?
[de minderjarige] is een kwetsbaar meisje met forse lichamelijke beperkingen als gevolg van haar aandoening, te weten spina bifida (open ruggetje). Zij kan niet lopen en laat op motorisch en cognitief gebied achterstanden zien in haar ontwikkeling. Dit maakt dat [de minderjarige] een grote zorgbehoefte heeft en dat er rekening gehouden dient te worden met verschillende hulpmiddelen in de zorg voor [de minderjarige] . Ook recent zijn er weer nieuwe zorgen over haar fysieke situatie, doordat er een bobbel op haar rug is gevonden en er toegenomen spierspanning is. Ondanks haar beperkingen wordt gezien dat zij een vrolijk meisje is, dat makkelijk contact met anderen aangaat en flexibel kan zijn in situaties waarin zij zich bevindt.
[de minderjarige] groeit op met gescheiden ouders. Ouders zijn op dit moment niet in staat om op een effectieve manier met elkaar in gesprek te gaan en afspraken te maken over de zorg voor [de minderjarige] . De RvdK heeft de indruk dat dit deels komt doordat de communicatie tussen ouders niet soepel verloopt. Er is eerder geprobeerd hulpverlening in te zetten om te werken aan de onderlinge samenwerking en communicatie, maar dit is door onduidelijke factoren niet tot stand gekomen. De betrokkenen hebben hierover verschillende visies. Op dit moment zijn ouders in contact met het [naam1] en hebben zij beiden aangegeven in te stemmen met een hulpverleningstraject om aan de onderlinge communicatie te werken. De RvdK vindt het krachtig dat ouders hiertoe bereid zijn.
Er is al langere tijd geen structureel contact tussen vader en [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft met Kerst 2024 contact gehad met vader, maar dit is enkel een incident geweest waarover de visies ook verschillen tussen ouders. Ook is er recent in het ziekenhuis contact geweest tussen vader en [de minderjarige] . Ouders hebben hier echter verschillende verhalen over, maar dit lijkt wel rustig te zijn verlopen.
[de minderjarige] is door het lange ontbreken van contact met haar vader, niet gewend aan een vaderfiguur om zich heen. De RvdK maakt zich hier zorgen over, omdat het voor de identiteitsontwikkeling van kinderen in het algemeen van belang is dat zij de mogelijkheid hebben om hun beide ouders te kennen. Dit geldt ook voor [de minderjarige] . Moeder geeft aan dat zij inziet dat het voor [de minderjarige] fijn zou zijn wanneer zij positief contact met haar vader kan hebben. Moeder heeft echter de ervaring dat vader zich niet altijd aan afspraken gehouden heeft en wil [de minderjarige] beschermen voor teleurstelling. Daarnaast is moeder bezorgd dat vader op termijn zich kan terugtrekken, als hij zou afschrikken van de grote zorgbehoefte die [de minderjarige] heeft. Dit vraagt namelijk veel van ouders in de zorg voor [de minderjarige] en in alle zorg die om [de minderjarige] georganiseerd is.
2. Wat moet er voor [de minderjarige] gebeuren om de zorgen voor het veilig opgroeien in de context van de scheiding weg te nemen?

[de minderjarige] heeft ouders die met elkaar kunnen overleggen en tot afspraken kunnen komen over zaken rondom [de minderjarige] en zich aan deze afspraken houden.
o
Hiervoor is het van belang dat ouders het hulpverleningstraject bij [naam2] aangaan en dat zij alles op alles zetten om hierin tot een betere onderlinge samenwerking en communicatie te komen.
o
Hierbij is het nodig dat in het traject van [naam2] gewerkt wordt aan het versterken van het onderlinge vertrouwen tussen ouders en hun samenwerking.

[de minderjarige] heeft de mogelijkheid om positief contact met haar vader te hebben.
o
Hiervoor is het nodig dat er gewerkt gaat worden naar contact tussen [de minderjarige] en vader.
o
Hiervoor is het ook nodig dat vader begeleiding krijgt in de zorg die [de minderjarige] van hem nodig heeft en op welke manier vader kan aansluiten bij het niveau en de belevingswereld van [de minderjarige] . Daarnaast dient vader actief informatie te zoeken over hoe hij bijvoorbeeld kan leren te katheteriseren.
o
Ook is het nodig dat vader zich betrouwbaar toont en afspraken nakomt. (…)
Is een contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] wenselijk en in het belang van [de minderjarige] , mede gelet op haar medische situatie?
Ja, de RvdK is van mening dat het voor [de minderjarige] wenselijk en in haar belang is dat er contact is tussen haar en haar vader. [de minderjarige] krijgt hiermee de mogelijkheid om een band op te bouwen met haar vader, wat gunstig zal zijn voor haar verdere identiteitsontwikkeling. De medische situatie van [de minderjarige] maakt dat er goed nagedacht moet worden over de locatie en de duur van het contact. Daarnaast zal er begeleiding voor vader moeten zijn in hoe hij [de minderjarige] dient te benaderen en hoe hij kan voorzien in de zorg van [de minderjarige] op de momenten dat zij contact met elkaar hebben. Mocht blijken dat [de minderjarige] op korte termijn geopereerd moet worden en dat zij hiervan lange tijd moet revalideren, dan zal gekeken moeten worden op welke manier vader in deze periode contact met [de minderjarige] kan hebben. De RvdK denkt dat hierin voldoende mogelijkheden zijn om een vorm van contact te realiseren.
Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, welke zorgregeling is dan het meest wenselijk voor [de minderjarige] , mede gelet op haar medische situatie?
Aangezien [de minderjarige] nog jong is en er aangegeven wordt dat wordt verwacht dat zij in staat is zich te voegen naar een situatie waarin er contact is tussen haar en vader, vindt de RvdK het van belang dat er zo spoedig mogelijk op een veilige en verantwoorde wijze contact wordt opgestart. Hierbij dient ook gekeken te worden naar wat realistisch is. [naam2] kan ouders hierin begeleiden. Vader heeft aangegeven naar een co-ouderschapsregeling te willen werken, maar een dergelijke regeling is op dit moment niet realistisch en in het belang van [de minderjarige] . Het is tevens de vraag of dit op de langere termijn wel haalbaar zal zijn, omdat de zorg van [de minderjarige] ook aanpassingen vraagt van de woning waar vader verblijft en aanpassingen van zijn leven vereist.
Op dit moment vindt de RvdK een regeling haalbaar waarbij [de minderjarige] eens per twee weken voor de duur van twee uur contact heeft met vader, onder begeleiding van een hulpverleningsorganisatie. De RvdK adviseert hierin een kleine opbouw, waarbij de eerste keer het contact een uur duurt, de tweede keer anderhalf uur duurt en vanaf het derde contactmoment twee uur duurt.
Wanneer een dergelijke contactregeling goed verloopt, kan gekeken worden of het haalbaar is om de regeling uit te breiden. [naam2] kan ouders hierin ondersteunen en adviseren. De RvdK adviseert dat vader al wel stappen gaat ondernemen om te leren hoe hij kan katheteriseren, zodat hij deze vaardigheid al bezit op het moment dat hij contact gaat krijgen met [de minderjarige] . Vader mag zich hierin minder afwachtend opstellen. (…)
In het belang van [de minderjarige] adviseert de RvdK dat de zorg- en opvoedtaken tussen beide ouders als volgt wordt verdeeld:
Een tijdelijke regeling waarbij [de minderjarige] eens per twee weken voor de duur van twee uur contact heeft met vader, onder begeleiding van een hulpverleningsorganisatie. De RvdK adviseert hierin een opbouw, waarbij de eerste keer het contact een uur duurt, de tweede keer anderhalf uur duurt en vanaf het derde contactmoment twee uur duurt. De RvdK adviseert een besluit over een definitieve regeling aan te houden voor de duur van zes maanden, zodat er monitoring kan plaatsvinden op de inzet van ouders aan het traject bij [naam2] . Ook kan binnen deze zes maanden duidelijk worden of eventuele uitbreiding van het contact mogelijk gaat zijn.
Deze omgangsregeling/verdeling van zorg- en opvoedtaken is in het belang van [de minderjarige] omdat [de minderjarige] hiermee de mogelijkheid krijgt om een band met haar vader op te bouwen, rekening houdend met haar fysieke beperkingen en ontwikkelingsachterstand.
2.5
Tijdens de mondelinge behandeling op 26 mei 2026 hebben de vader en de moeder eensluidend verklaard dat zij zich kunnen vinden in het advies van de raad. De vader heeft daarom verzocht het advies van de raad vast te leggen in een beschikking. De moeder ziet dat [de minderjarige] op zoek is naar een vaderfiguur, maar de moeder twijfelt of de vader in staat is om [de minderjarige] een stabiele zorgregeling te kunnen bieden. Bovendien zien zowel de vader als de moeder nog wel problemen in de uitvoering van de door de raad geadviseerde zorgregeling. Zo is nog niet duidelijk wie de zorgregeling moet begeleiden en waar deze moet worden uitgevoerd. Na een gesprek met [naam2] op 5 februari 2026 hebben de ouders namelijk niets meer gehoord en is niet duidelijk of [naam2] de zorgregeling kan begeleiden. Ook is op dit moment nog niet duidelijk wat een geschikte plek is om uitvoering te geven aan de zorgregeling. De moeder heeft al wel bij [naam3] geïnformeerd of zij kunnen bemiddelen en de vader heeft als mogelijkheid genoemd dat de school waar [de minderjarige] na de zomervakantie heen gaat misschien ondersteuning kan bieden. Beide ouders zijn hierin dus proactief en zij zijn bovendien bereid - ook al is de situatie tussen hen nog precair - de samenwerking hierin aan te gaan.
2.6
Het hof ziet onder deze omstandigheden aanleiding om het advies van de raad te volgen en een opbouwende
voorlopigezorgregeling vast te stellen, zoals hierna wordt beschreven. Anders dan het advies van de raad ziet het hof aanleiding om de behandeling van het verzoek in hoger beroep aan te houden voor de duur van negen maanden. Het hof overweegt in dit kader dat er op dit moment nog geen contact plaatsvindt tussen de vader en [de minderjarige] . Mede bezien in het licht van de extra kwetsbaarheid van [de minderjarige] is het belangrijk dat er een stabiele zorgregeling wordt opgestart waar beide ouders achter staan en aan welke zorgregeling beide ouders bestendig uitvoering kunnen blijven geven.

3.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
alvorens verder te beslissen:
stelt als
voorlopigeverdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder vast dat [de minderjarige] en de vader eens per twee weken twee uur contact hebben, onder begeleiding van een hulpverleningsinstantie, waarbij deze zorgregeling in die zin wordt opgebouwd dat het eerste contact een uur duurt, het tweede contact anderhalf uur en dat met ingang van het derde contact het contact twee uur duurt;
bepaalt dat zowel de vader als de moeder het hof uiterlijk
26 februari 2027zullen informeren over de voortgang van de hiervoor genoemde
voorlopigeverdeling van de zorg- en opvoedingstaken als ook over de gewenste voortzetting van deze procedure in hoger beroep;
houdt verder iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, J.U.M. van der Werff en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 16 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.