ECLI:NL:GHARL:2026:3937

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.363.345
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 onder a en b BWArtikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArtikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag ouders over minderjarige kinderen bevestigd door hof

De rechtbank had het gezag van de moeder over het eerste kind en het gezag van beide ouders over het tweede kind beëindigd en de gecertificeerde instelling (GI) benoemd tot voogd. De ouders gingen in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof bevestigde het vonnis.

Het hof oordeelde dat er ernstige zorgen zijn over de basale zorg en opvoeding, en dat de kinderen schade in hun ontwikkeling hebben opgelopen. Ondanks diverse pogingen tot samenwerking en hulpverlening is niet gebleken dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de zorg kunnen hervatten.

Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat het eerste kind nog geen BSN heeft en dat de vader recentelijk in detentie heeft gezeten, waardoor het perspectief op herstel beperkt blijft. Het hof benadrukte het belang van rust, continuïteit en stabiliteit voor de kinderen en vond dat het gezag daarom terecht is beëindigd.

De omgangsregeling met de moeder wordt wel voorzichtig uitgebreid onder toezicht van de pleegmoeder. De beslissing van de rechtbank wordt door het hof bekrachtigd, waarmee het gezag definitief is beëindigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over het eerste kind en van beide ouders over het tweede kind en handhaaft de voogdij bij de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN
locatie Arnhem , afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.345
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 596090
beschikking van 16 juni 2026
over het gezag van
[de minderjarige1]( [de minderjarige1] ) en
[de minderjarige2]( [de minderjarige2] )
in de zaak van
[verzoekster1](de moeder)
en
[verzoeker2](de vader)
die beiden wonen in [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
tezamen verder te noemen: de ouders,
advocaat: mr. F. van den Heuvel,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Utrecht.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering(de GI)
die is gevestigd in Utrecht,
de pleegouders van [de minderjarige2](de pleegouders)
die wonen op een bij de GI bekend adres.

1.Samenvatting

De rechtbank heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en het gezag van beide ouders over [de minderjarige2] beëindigd en de GI benoemd tot voogdes over de kinderen.
Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , (vermoedelijk) geboren [in] 2018, en
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2020.
2.2.
De moeder oefent alleen het gezag uit over [de minderjarige1] . De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige2] .
2.3.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn in de beschikking van 3 februari 2023 voorlopig onder toezicht gesteld. Aan de GI is toen een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verleend. De kinderen zijn in de beschikking van 25 april 2023 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Deze maatregelen zijn daarna verlengd, voor het laatst tot 25 april 2026.
2.4.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn in februari 2023 in het gezin van de pleegouders geplaatst.
[de minderjarige1] is op 15 mei 2025 in een tijdelijk gezinshuis geplaatst en in de week van 11 augustus 2025 op een groep geplaatst.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en het gezag van beide ouders over [de minderjarige2] te beëindigen.
3.2.
De rechtbank heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en het gezag van beide ouders over [de minderjarige2] beëindigd. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 8 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.
4.2.
De raad is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
4.3.
De GI wil ook dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 7 januari 2026
  • het verweerschrift van de raad
  • de stukken van de ouders ingediend op 12 mei 2026
4.5.
De zitting bij het hof was op 19 mei 2026.
Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • een vertegenwoordiger van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. [1]
5.2.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
Hoe oordeelt het hof?
5.3.
Het hof vindt net als de rechtbank dat het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en van de ouders over [de minderjarige2] moet worden beëindigd. De rechtbank heeft een goede weergave gegeven van de ernstige zorgen over de basale zorg en opvoedsituatie van de kinderen, de problemen die de kinderen in hun ontwikkeling hebben opgelopen – waarover nog veel onduidelijk is – en hun grote opvoedvraag. Ook is duidelijk uiteengezet dat er allerlei pogingen – zowel in het vrijwillige als in het gedwongen kader – zijn gedaan om een samenwerking aan te gaan met de ouders en de nodige hulp in te zetten. Dit alles heeft er echter niet toe geleid dat duidelijk is geworden dat de ouders de kinderen binnen een aanvaardbare termijn weer zelf zouden kunnen opvoeden.
5.4.
Op de mondelinge behandeling van het hof is naar voren gekomen dat [de minderjarige1] nog steeds geen BSN heeft. De GI heeft verklaard dat zij daarmee bezig is en dat het een ingewikkeld proces is. Verder heeft de GI verklaard dat de vader in het begin van dit jaar in detentie heeft gezeten en dat er nog steeds weinig zicht is op de opvoedsituatie van de ouders.
De moeder heeft het hof verteld dat de ouders inmiddels zijn verhuisd naar [woonplaats] en dat zij een aanvraag bij de IND wil indienen voor een verblijfsvergunning.
Positief vindt het hof dat de GI voornemens is om de omgangsregeling van de moeder met de kinderen uit te breiden, zodat de moeder in het bijzijn van de pleegmoeder met de kinderen op pad kan. Op dit moment vindt de omgang, vanwege het gedrag van de vader, plaats vanuit het kantoor van de GI.
De raad heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] lang genoeg hebben gewacht op het creëren van mogelijkheden door hun ouders en dat het perspectief van de kinderen nu niet meer bij de ouders ligt. Het hof volgt de raad hierin. De aanvaardbare termijn is overschreden. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben rust en zekerheid nodig en zij hebben belang bij continuïteit, stabiliteit en duidelijkheid over hun opvoedsituatie, zodat zij zich kunnen richten op hun verdere ontwikkeling. Hierbij is het belangrijk dat alles wat zij nog nodig hebben zonder vertraging en zonder onrust en spanningen kan worden ingezet. Om dit te kunnen waarborgen is het in het belang van de kinderen dat het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en van beide ouders over [de minderjarige2] is beëindigd. Wat er op de mondelinge behandeling is besproken, is voor het hof geen aanleiding om hierover anders te oordelen.
5.5.
De beslissing van de rechtbank zal in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 oktober 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, S. Kuijpers en L.D.M. Rubens-Snijders, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW
2.Artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind