Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3934

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.363.610
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 281 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen aanhouding beslissing bewindvoerdersvergoeding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van verzoeker tegen een beschikking van de kantonrechter die hem ontslaat als bewindvoerder en de opvolging regelt. De kantonrechter had de beslissing over de kosten van de eindrekening en -verantwoording aangehouden. Verzoeker was het hier niet mee eens en stelde hoger beroep in zonder tussenkomst van een advocaat.

Het hof overwoog dat het indienen van een beroepschrift alleen mogelijk is via een advocaat en dat verzoeker dit verzuimde. Daarnaast richt het hoger beroep zich tegen een niet voor hoger beroep vatbare beslissing, namelijk de aanhouding van een beslissing. De kantonrechter had nog niet inhoudelijk beslist over de kosten, waardoor het hof niet kan oordelen.

Daarom verklaart het hof verzoeker niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De procedure wordt hiermee beëindigd zonder inhoudelijke beoordeling van de kosten van de eindrekening en -verantwoording.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de aanhouding van de beslissing over kosten eindrekening bewindvoering.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.610
(zaaknummer rechtbank Overijssel 11974431 BM VERZ 25-27 17 )
beschikking van 16 juni 2026
inzake
[verzoeker],
handelend onder de naam
[naam1],
ook handelend onder de naam
[naam2],
kantoorhoudende te [plaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. J. Klomp,
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1],
wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: [belanghebbende1] ,
en
[belanghebbende2],
handelend onder de naam
[naam2],
kantoorhoudende te [plaats2] ,
verder te noemen: de beoogd bewindvoerder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo) van 2 december 2025, uitgesproken onder zaaknummer 11974431 BM VERZ 25-27 17. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het door verzoeker ingediende beroepschrift met producties, ingekomen op 14 januari 2026;
  • het door mr. Klomp namens verzoeker ingediende beroepschrift met producties, ingekomen op 28 januari 2026.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 mei 2026 plaatsgevonden. Verzoeker en zijn advocaat waren aanwezig.

3.De feiten

De kantonrechter heeft een bewind ingesteld over de goederen die aan [belanghebbende1] (zullen) toebehoren en verzoeker tot bewindvoerder benoemd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter:
  • verzoeker met ingang van 1 januari 2026 ontslagen als bewindvoerder;
  • de beoogd bewindvoerder met ingang van 1 januari 2026 benoemd tot opvolgend bewindvoerder;
  • vastgesteld dat de beoogd bewindvoerder maximaal 30% van het vastgestelde tarief, zoals is opgenomen in de Regeling voor de aanvangswerkzaamheden in rekening mag brengen ten laste van het vermogen van [belanghebbende1] ;
  • bepaald dat de beoogd bewindvoerder voor haar overige werkzaamheden en voor de met het bewind gemoeide kosten de in de Regeling vastgestelde forfaitaire tarieven ten laste van het vermogen van [belanghebbende1] mag brengen; en
  • de beslissing over het door verzoeker in rekening brengen van de kosten voor de eindrekening en -verantwoording aangehouden.
4.2
Verzoeker is het niet eens met de beslissing dat hij het forfaitaire bedrag voor het opmaken van een eindrekening en -eindverantwoording niet volledig in rekening mag brengen.
Verzoeker verzoekt het hof daarom, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze ziet op het niet volledig in rekening mogen brengen van het forfaitaire tarief voor de eindrekening en -verantwoording;
  • te bepalen dat het volledige tarief voor het opstellen van de eindrekening en
  • privéaangelegenheden niet in de beschikking op te nemen; en
  • waar nodig te beslissen als het hof juist oordeelt.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Verzoeker heeft de kantonrechter verzocht om hem in zijn gehele cliëntenportefeuille van vijfentachtig zaken als bewindvoerder te ontslaan en de beoogd bewindvoerder te benoemen tot opvolgend bewindvoerder. Daarnaast heeft verzoeker de kantonrechter gevraagd een beslissing te nemen over de kosten van de eindrekening en -verantwoording.
5.2
In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter verzoeker met ingang van 1 januari 2026 ontslagen als bewindvoerder, de beoogd bewindvoerder met ingang van diezelfde datum benoemd tot opvolgend bewindvoerder en de beslissing over het in rekening brengen van de kosten voor de eindrekening en -verantwoording - in alle zaken - aangehouden.
5.3
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking overwogen dat om redenen van proceseconomie met verzoeker is afgesproken dat hij in één van de over te dragen dossiers van de daarin gegeven afwijzende beslissing tot toekenning van een vergoeding voor de eindrekening en -verantwoording, hoger beroep zal instellen. In deze zaak zal de beslissing over die vergoeding worden aangehouden tot de uitspraak in hoger beroep zal zijn gegeven.
5.4
Verzoeker is het met de beslissing over de kosten van de eindrekening en -verantwoording niet eens en is daarvan zelf, dus zonder tussenkomst van een advocaat, in hoger beroep gekomen.
5.5
Indiening van een beroepschrift kan uitsluitend geschieden door tussenkomst van een advocaat. De griffier van het hof heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen (artikel 281 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Op 28 januari 2026, dus binnen de beroepstermijn, heeft verzoeker zijn herstel verzuimd doordat zijn brief is voorzien van de titel beroepschrift en ondertekend door mr. Klomp is ingediend.
5.6
Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met verzoeker besproken dat in de ter beoordeling voor liggende beschikking niet is beslist op zijn verzoek ten aanzien van de kosten van de eindrekening en -verantwoording, maar dat deze beslissing juist is aangehouden. Verzoeker heeft daarop nader toegelicht dat de kantonrechter in geen van de vijfentachtig zaken een afwijzende beslissing heeft gegeven, maar in alle zaken de beslissing over de door hem in rekening te brengen kosten van de eindrekening en -verantwoording heeft aangehouden.
5.7
Het hof overweegt dat het verzoek in hoger beroep zich richt tegen een niet voor hoger beroep vatbare beslissing, aangezien de beslissing van een kantonrechter om een beslissing aan te houden (en dus nog niet te beslissen) geen beslissing is waarover het hof inhoudelijk kan oordelen, maar een louter procedurele beslissing. Dat de kantonrechter heeft overwogen dat verzoeker in één van de afwijzende zaken hoger beroep kan instellen, maakt dit niet anders, omdat van een dergelijke afwijzende beslissing niet is gebleken. De kantonrechter zal eerst (zelf) in ten minste een van de vijfentachtig zaken moeten beslissen op het verzoek ten aanzien van de kosten van de eindrekening en -verantwoording. Pas dan kan daar (al dan niet) hoger beroep worden ingesteld.
5.8
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof verzoeker niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek in hoger beroep.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, J.U.M. van der Werff en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 16 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.