Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3929

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.363.923
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:265g lid 1 BWArt. 377a lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoofdverblijfplaats vader en herziening zorgregeling minderjarige

De zaak betreft een geschil tussen de ouders over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van hun minderjarige kind, geboren in 2022, die onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI).

De rechtbank had de hoofdverblijfplaats bij de vader vastgesteld en een zorgregeling waarbij het kind om de veertien dagen bij de moeder verblijft. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, met zorgen over de opvoedsituatie van de vader en de afstand tussen woonplaatsen.

Het hof heeft de beslissing van de rechtbank om de hoofdverblijfplaats bij de vader te bevestigen, mede op advies van de raad voor de kinderbescherming en de GI. Het belang van rust en stabiliteit voor het kind werd zwaar meegewogen. De zorgregeling is echter vernietigd en opnieuw vastgesteld met een gedetailleerde regeling voor weekenden, vakanties en feestdagen, waarbij het kind regelmatig bij beide ouders verblijft.

De moeder's verzoeken over inschrijving in de basisregistratie personen en schoolkeuze zijn niet meer aan de orde nu de hoofdverblijfplaats bij de vader blijft. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige blijft bij de vader en de zorgregeling wordt herzien met een gedetailleerde regeling voor verblijf bij beide ouders.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.363.923 en 200.364.203
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 593779 en 581720)
beschikking van 16 juni 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. T.C. Cooman,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. T. de Jong,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming Reclassering,
verder te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 januari 2025, 18 juni 2025 en 17 oktober 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
De beschikking van 17 oktober 2025 wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 januari 2026;
  • het verweerschrift van de vader met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 mei 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
  • een vertegenwoordiger van de GI,
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2022. De ouders zijn samen belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 20 september 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst tot 20 september 2026.
de procedure bij de rechtbank met zaaknummer 581720
3.3
De vader heeft de rechtbank op 26 september 2024 verzocht om:
  • de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem vast te stellen;
  • primaireen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij [de minderjarige] om de veertien dagen van vrijdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de moeder verblijft;
  • subsidiaireen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij [de minderjarige] in de oneven weken bij de vader verblijft en in de even weken bij de moeder; dan wel
  • een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als de rechtbank juist oordeelt; en
  • de moeder te verbieden om zonder toestemming van de vader dan wel vervangende toestemming van de rechtbank met [de minderjarige] te verhuizen.
3.4
De moeder heeft in eerste aanleg verweer gevoerd en de rechtbank gevraagd om de verzoeken van de vader af te wijzen.
3.5
Bij beschikking van 24 januari 2025 heeft de rechtbank de moeder verboden om zonder toestemming van de vader of de rechtbank met [de minderjarige] te verhuizen. De rechtbank heeft de verdere beslissingen aangehouden.
de procedure bij de kinderrechter met zaaknummer 593779
3.6
De GI heeft de kinderrechter op 21 mei 2025 verzocht om als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (in het kader van 1:265g van het Burgerlijk Wetboek, BW)) de volgende regeling vast te stellen:
  • zondagochtend tot woensdagochtend verblijft [de minderjarige] bij de moeder;
  • woensdagochtend tot donderdagmiddag verblijft [de minderjarige] bij tante [naam] ; en
  • donderdagmiddag tot zondagochtend verblijft [de minderjarige] bij de vader.
3.7
Bij beschikking van 18 juni 2025 heeft de kinderrechter de volgende
voorlopigeverdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:
  • zondagochtend tot woensdagochtend verblijft [de minderjarige] bij de moeder;
  • woensdagochtend tot donderdagmiddag verblijft [de minderjarige] bij tante [naam] ; en
  • donderdagmiddag tot zondagochtend verblijft [de minderjarige] bij de vader.
De kinderrechter heeft de verdere beslissingen aangehouden.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
  • de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader bepaald;
  • als zorgregeling vastgesteld dat [de minderjarige] één keer per veertien dagen bij de moeder verblijft van vrijdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur. Vanaf het moment dat [de minderjarige] naar school gaat, verblijft hij van vrijdag uit school bij de moeder, waarbij de moeder of haar partner [de minderjarige] uit school halen en de vader [de minderjarige] op zondag ophaalt; en
  • de volgende regeling voor verjaardagen, vakanties en feestdagen vastgesteld:
  • [de minderjarige] verblijft op zijn eigen verjaardag en de verjaardag van de ouders bij de vader, tenzij de verjaardag in het weekend of een vakantie valt en [de minderjarige] volgens de zorgregeling bij de moeder verblijft;
  • de voorjaarsvakantie: [de minderjarige] verblijft bij de moeder;
  • de meivakantie: [de minderjarige] verblijft de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. De week start op vrijdag om 12.00 uur of op vrijdag uit school en duurt tot de volgende vrijdag om 12.00 uur;
  • de zomervakantie: [de minderjarige] verblijft drie weken bij de vader en drie weken bij de moeder. De eerste drie weken starten op vrijdag om 12.00 uur of op vrijdag uit school en duren tot de vrijdag drie weken later om 12.00 uur;
  • de herfstvakantie: [de minderjarige] verblijft bij de moeder;
  • de kerstvakantie: in de even jaren verblijft [de minderjarige] in de eerste week bij de vader en in de tweede week bij de moeder. In de oneven jaren verblijft [de minderjarige] in de eerste week bij de moeder en in de tweede week bij de vader. De eerste week start op vrijdag om 12.00 uur of op vrijdag uit school en duurt tot de volgende vrijdag op 12.00 uur;
  • Pasen: [de minderjarige] verblijft in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
  • Pinksteren: [de minderjarige] verblijft in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
  • Hemelvaartsdag: [de minderjarige] verblijft bij de moeder inclusief de vrijdag na Hemelvaart tot 17.00 uur of aansluitend op het omgangsweekend met de moeder;
  • Koningsdag: [de minderjarige] verblijft in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader, van de dag ervoor om 17.00 uur tot de dag erna om 10.00 uur;
  • Sinterklaas: [de minderjarige] verblijft bij de vader, tenzij dit in het weekend valt dat [de minderjarige] volgens de zorgregeling bij de moeder verblijft;
  • vanaf het moment dat [de minderjarige] naar school gaat, verblijft hij ook op studiedagen bij de moeder, als deze aansluiten op het weekend dat hij volgens de zorgregeling bij de moeder verblijft.
De rechtbank heeft de verzoeken van de ouders en van de GI voor het overige afgewezen.
4.2
De moeder is met meerdere grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om bij (het hof begrijpt) beschikking en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, haar verzoeken alsnog toe te wijzen en de verzoeken van de vader en de GI af te wijzen.
4.3
De vader voert verweer. De vader vraagt het hof om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep dan wel die verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Juridisch kader hoofdverblijfplaats en zorgregeling
5.1
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten:
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
5.2
In artikel 1:265g lid 1 van het BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Wat vinden partijen over de hoofdverblijfplaats?
5.3
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader vast te stellen. De moeder heeft zorgen over [de minderjarige] in de opvoedsituatie van de vader. De moeder wordt er ten onrechte van beschuldigd dat zij onrust creëert, maar het is de verantwoordelijkheid van een goede ouder om te handelen als een kind vapet en koffie en energydrinks drinkt. Dat heeft [de minderjarige] gedaan toen hij bij tante [naam] verbleef. Daarom heeft de moeder daar melding van gemaakt bij de hulpverlening. De situatie van de vader is volgens de moeder ook niet meer stabiel dan haar situatie. De vader wisselt vaak van baan en krijgt geregeld een ziektewetuitkering. De vader is bovendien in hoge mate afhankelijk van zijn sociaal netwerk. Daarnaast heeft de vader diverse schuldeisers.
De moeder heeft een sociaal netwerk in [provincie] en geen binding met [plaats] . Sterker nog, de vader houdt de moeder in de gaten, waardoor zij zich in [plaats] niet prettig voelt. De moeder benadrukt dat haar zorgen over de situatie van de vader door de opvoedondersteuning worden gedeeld. Ook die ondersteuning ziet dat de vader zich niet aan het ritme en de structuur van [de minderjarige] houdt.
5.4
De vader vraagt het hof om de beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats in stand te laten. De moeder en haar partner doen volgens de vader alles om [de minderjarige] bij zich te krijgen. Zo hebben zij achter de rug van de vader en de GI contact opgenomen met tante [naam] om een andere zorgregeling af te spreken, omdat zij op bepaalde momenten geen tijd hadden om voor [de minderjarige] te zorgen. De moeder had urgentie voor een woning in [plaats] kunnen krijgen, maar zij is vertrokken naar [provincie] . Mogelijk is er iets meer structuur in de opvoedsituatie van de moeder, maar de vader doet hard zijn best om voor [de minderjarige] ook die structuur en regelmaat te creëren. Daarom heeft de vader ook gevraagd om opvoedondersteuning. Tegelijkertijd blijft de moeder zorgen voor onrust door niet in overleg te treden en niet samen te werken. Bovendien, zo voert de vader aan, is het snelle samenwonen van de moeder emotioneel belastend voor [de minderjarige] en in ieder geval niet in zijn belang. De vader heeft een vaste baan, een goed inkomen en hij lost af op zijn schulden. Tot slot heeft de vader een warm en groot netwerk waar hij een beroep op kan doen. Onder deze omstandigheden is het niet in het belang van [de minderjarige] om van leefomgeving te wisselen.
5.5
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er zowel bij de vader als bij de moeder plus- en minpunten zijn in de opvoedsituatie, maar dat beide opvoedsituaties goed genoeg zijn om [de minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Dat maakt dat de raad ook andere omstandigheden moet meewegen. In de stukken is volgens de raad te lezen dat de moeder beslissingen heeft genomen die belastend zijn geweest voor [de minderjarige] . De raad wijst in dit kader op de situatie met tante [naam] . Daarnaast is de moeder naar [woonplaats1] verhuisd, waardoor zij op grote afstand van de vader is komen te wonen én waardoor de moeder [de minderjarige] de kans heeft ontnomen om met beide ouders in
zijnleefomgeving op te groeien. [de minderjarige] heeft in zijn jonge leeftijd al veel wisselingen van woonplek en opvoeders meegemaakt. Daardoor is de rek er bij [de minderjarige] volgens de raad nu uit. [de minderjarige] heeft bij de vader zekerheid en hij laat groei zien. De vader heeft bovendien een netwerk waar hij een beroep op kan doen en tante [naam] is ook weer in beeld. Dat is fijn voor [de minderjarige] want tante [naam] is een belangrijk hechtingsfiguur voor [de minderjarige] . Als de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] nu bij de moeder wordt vastgesteld, dan moet [de minderjarige] daar letterlijk afstand van nemen en dat is volgens de raad te veel gevraagd van [de minderjarige] . Met andere woorden: weer een wisseling van woonplek is volgens de raad niet in het belang van [de minderjarige] . Onder deze omstandigheden heeft de raad geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader in stand te laten.
5.6
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de vader steviger wordt in zijn vaderschap. Daarvoor is ook opvoedondersteuning ingezet, die de vader helpt met ‘
tips and tricks’. De GI is op de hoogte van de zorgen van de moeder over de opvoedsituatie van de vader, maar herkent niet alle zorgen. De GI meent dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader moet blijven. De GI vindt het niet in het belang van [de minderjarige] dat zijn hoofdverblijfplaats wisselt. Als er dan meer rust komt, kan ook worden gestart met traumaverwerking. De GI heeft tot slot de wens uitgesproken dat de ouders meer in het belang van [de minderjarige] gaan handelen en hun onderlinge communicatie verbeteren.
5.7
Het hof zal de beslissing van de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te bepalen in stand laten (bekrachtigen). Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank hierover. Deze beslissing is bovendien overeenkomstig de adviezen van de raad en de GI. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.
5.8
In de stukken is te lezen en tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd dat [de minderjarige] in zijn nog jonge leven al veel heeft meegemaakt en dat hij meerdere keren van woonplek is gewisseld. Het hof vindt het van het grootste belang voor [de minderjarige] dat er rust komt in zijn leven en opvoedsituatie. Anders dan de moeder heeft aangevoerd, is het hof niet gebleken dat de opvoedsituatie van de vader niet veilig is of op een andere manier niet voldoende is. Dat de vader hulp accepteert vanuit opvoedondersteuning ziet het hof - anders dan de moeder - juist als een positief signaal. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de vader hulp vraagt en accepteert vanuit zijn netwerk. Het hof overweegt dat het - zeker gelet op de recente geschiedenis waarin het de ouders niet altijd lukte om voor [de minderjarige] beschikbaar te zijn - belangrijk is dat er vanuit de opvoedondersteuning en de ondertoezichtstelling zicht blijft op de opvoedsituatie bij beide ouders.
5.9
Nu de beslissing van de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader vast te stellen in stand blijft, behoeft het verzoek van de moeder over de inschrijving in de basisregistratie personen (brp) evenals haar verzoek [de minderjarige] in te schrijven op een school en kinderdagverblijf in [woonplaats1] geen bespreking meer.
Wat vinden partijen over de zorgregeling?
5.1
Zoals hiervoor is overwogen, blijft de beslissing van de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te bepalen in stand. Dat betekent dat de grief van de moeder dat de zorgregeling moet worden omgedraaid als de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar wordt vastgesteld geen bespreking meer behoeft.
5.11
De vader heeft ingestemd met het voorstel van de moeder over de zorgregeling tijdens de verjaardagen van [de minderjarige] en de ouders en de zorgregeling tijdens Moeder- en Vaderdag. Het hof zal daarom overeenkomstig het voorstel van de moeder beslissen.
5.12
Wat betreft de start- en de eindtijd van de vakanties van één week zoekt het hof ter verduidelijking van de vastgestelde regeling aansluiting bij de door de rechtbank vastgestelde tijden bij de meerweekse vakanties.
5.13
Omwille van de duidelijkheid zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de verlenging van de zorgregeling vernietigen en de zorgregeling opnieuw vaststellen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin vastgestelde hoofdverblijfplaats bekrachtigen en ten aanzien van de zorgregeling vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 oktober 2025, voor zover deze beschikking ziet op de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader;
vernietigt deze beschikking, voor zover die ziet op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [de minderjarige] , en in zoverre opnieuw beschikkende:
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder als volgt:
[de minderjarige] verblijft één keer per veertien dagen bij de moeder van vrijdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur. Vanaf het moment dat [de minderjarige] naar school gaat, verblijft hij van vrijdag uit school bij de moeder, waarbij de moeder of haar partner [de minderjarige] uit school haalt en de vader [de minderjarige] op zondag ophaalt;
[de minderjarige] verblijft op zijn eigen verjaardag in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
[de minderjarige] verblijft op de verjaardag van de vader en op Vaderdag bij de vader en op de verjaardag van de moeder en op Moederdag bij de moeder;
de voorjaarsvakantie: [de minderjarige] verblijft bij de moeder. De week start op vrijdag om 12.00 uur of op vrijdag uit school en duurt tot de volgende vrijdag om 12.00 uur;
de meivakantie: [de minderjarige] verblijft de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. De week start op vrijdag om 12.00 uur of op vrijdag uit school en duurt tot de volgende vrijdag om 12.00 uur;
de zomervakantie: [de minderjarige] verblijft drie weken bij de vader en drie weken bij de moeder. De eerste drie weken starten op vrijdag om 12.00 uur of op vrijdag uit school en duren tot de vrijdag drie weken later om 12.00 uur;
de herfstvakantie: [de minderjarige] verblijft bij de moeder. De week start op vrijdag om 12.00 uur of op vrijdag uit school en duurt tot de volgende vrijdag om 12.00 uur;
de kerstvakantie: in de even jaren verblijft [de minderjarige] in de eerste week bij de vader en in de tweede week bij de moeder. In de oneven jaren verblijft [de minderjarige] in de eerste week bij de moeder en in de tweede week bij de vader. De eerste week start op vrijdag om 12.00 uur of op vrijdag uit school en duurt tot de volgende vrijdag op 12.00 uur;
Pasen: [de minderjarige] verblijft in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
Pinksteren: [de minderjarige] verblijft in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
Hemelvaartsdag: [de minderjarige] verblijft bij de moeder inclusief de vrijdag na Hemelvaart tot 17.00 uur of aansluitend op het omgangsweekend met de moeder;
Koningsdag: [de minderjarige] verblijft in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader, van de dag ervoor om 17.00 uur tot de dag erna om 10.00 uur;
Sinterklaas: [de minderjarige] verblijft bij de vader, tenzij dit in het weekend valt dat [de minderjarige] volgens de zorgregeling bij de moeder verblijft;
vanaf het moment dat [de minderjarige] naar school gaat, verblijft hij ook op studiedagen bij de moeder, als deze aansluiten op het weekend dat hij volgens de zorgregeling bij de moeder verblijft.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, J.U.M. van der Werff en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 16 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.