Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3907

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
21-002815-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen brandstichting met gemeen gevaar voor goederen

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van brandstichting bij een woning op 7 september 2024, waarbij gemeen gevaar voor goederen ontstond. De brand veroorzaakte schade aan de voordeur, plantenbak en kozijnen, en leidde tot sluiting van de woning voor twee weken.

De verdediging stelde dat verdachte slechts het vervoer verzorgde en geen wetenschap had van de brandstichting, maar het hof oordeelde anders op basis van getuigenverklaringen, chatberichten en verklaringen van verdachte zelf. Verdachte had een jerrycan gevuld en gevraagd om de brandstichting te filmen, wat zijn actieve betrokkenheid aantoont.

Het hof legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en een vrijheidsbeperkende maatregel van 5 jaar met contact- en locatieverbod. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de benadeelden voor materiële en immateriële schade. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de impact op de slachtoffers en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en schadevergoeding voor medeplegen brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002815-25
Uitspraakdatum: 15 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 17 juni 2025 met parketnummer 05-028433-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, maar alleen tegen de veroordeling van het onder 2 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Taha, hebben aangevoerd en wat namens en door de benadeelde partij zelf naar voren is gebracht.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en verdachte veroordeeld voor het onder 2 tenlastegelegde.
Het hof oordeelt gelet op het beperkte hoger beroep alleen over feit 2 en komt ten aanzien van de strafoplegging tot een andere beslissing dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging en voor zover in hoger beroep nog aan de orde ten laste gelegd dat:
feit 2 primair
hij op of omstreeks 7 september 2024 te [plaats 1] ,
tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,
opzettelijk brand heeft gesticht door tegen en/of voor de deur van de woning een ontbrandbare vloeistof te gieten en/of te besprenkelen, en die ontbrandbare vloeistof te doen ontbranden door die in aanraking te brengen met open vuur
ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een bloempot en/of
het raam en/of de kozijnen en/of overige delen van de woning, althans andere goederen die zich in de directe nabijheid van de voordeur bevonden, te duchten was;
feit 2 subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 7 september 2024 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door tegen en/of voor de deur van de woning een ontbrandbare vloeistof te gieten en/of te besprenkelen, en die ontbrandbare vloeistof te doen ontbranden door die in aanraking te brengen met open vuur ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een bloempot en/of het raam en/of de kozijnen en/of overige delen van de woning, althans andere goederen die zich in de directe nabijheid van de voordeur bevonden, te duchten was,
waarbij verdachte behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door een mededader(s) met de auto van verdachte naar het adres van de brandstichting te brengen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Standpunt verdediging
Volgens de verdediging kan uit het dossier niet worden afgeleid dat verdachte wist dat een woning in brand zou worden gestoken. Ook uit de verklaring van [getuige] kan niet worden afgeleid dat verdachte wetenschap had van de voorgenomen brandstichting en dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij heeft de verdediging ook gewezen op de dominante positie van [medeverdachte 1] , de bepalende rol die hij vervulde en het feit dat verdachte zich door hem onder druk gezet voelde.
De verdediging komt dan ook tot de conclusie dat verdachte enkel het vervoer heeft verzorgd van degene die de brand heeft gesticht en hij zelf geen organiserende, aansturende of initiërende rol heeft gehad, zodat hij moet worden vrijgesproken van zowel het primaire als het subsidiaire tenlastegelegde.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging dat verdachte geen opzet zou hebben gehad op het plegen van een strafbaar feit verworpen moet worden. Er was zonder meer sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en de bijdrage van verdachte ging veel verder dan het enkel heen en weer rijden van de dader. De advocaat-generaal concludeert dan ook tot een bewezenverklaring van feit 2 primair.
Oordeel van het hof [1]
Op 7 september 2024 heeft [benadeelde 1] aangifte gedaan van brandstichting bij zijn woning aan de [adres 2] te [plaats 1] , gepleegd op diezelfde dag tussen 03:07 uur en 03:35 uur. [2] Er is door de brandstichting schade ontstaan aan de voordeur, plantenbak en de
kozijnen. Ook was de ruit naast de voordeur gebarsten en er lag gesmolten plastic op de stoep.
Op camerabeelden is te zien dat de dader van de brandstichting een brief heeft achtergelaten. [3] Daarop stond de volgende tekst: “Ik hoop dat de waarschuwingen duidelijk zijn. [benadeelde 2] kan contact opnemen op deze apps om het netjes op te lossen APP: SIGNAL Gebruikersnaam: [naam 1] .”
Onderzoek van verbalisant en forensisch brandonderzoeker [verbalisant 1] op de locatie [adres 2] te [plaats 1] op 9 september 2024 heeft uitgewezen dat de brand moet zijn veroorzaakt door het opzettelijk gieten/besprenkelen met een ontbrandbare vloeistof tegen of voor de deur waarna deze is ontstoken. [4] [verbalisant 1] zag dat de deur, met name aan de klink/slotzijde, brandschade had en ook een kunststof bloempot, die voor het linker raam naast de deur stond, was versmolten.
Het te duchten gevaar voor goederen ten gevolge van het sprenkelen en ontsteken van
een ontbrandbare vloeistof was aanwezig. De bloempot en de voordeur hadden
brandschade. Indien de brand later was ontdekt of in een later stadium was geblust
zou deze schade zich hebben kunnen uitbreiden in de vorm van ernstigere aantasting
van de buitenzijde van de deur, het naastgelegen raam, diens kozijnen en mogelijk
hittebreuken aan de buitenlaag van de thermopane ruit.
Verdachte heeft meermalen een verklaring afgelegd over zijn betrokkenheid bij de brandstichting. Zo heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat [medeverdachte 1] (
het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) hem benaderd had met de vraag of verdachte [medeverdachte 2] (
het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) wilde ophalen en dat verdachte hem van A naar B moest brengen.
Tijdens de terechtzitting van de rechtbank van 3 juni 2025 heeft verdachte verklaard dat hij [medeverdachte 2] twee keer heeft afgezet in [plaats 1] .
Op de vraag van de voorzitter of verdachte wist dat er op 28 augustus 2024 brand was gesticht, heeft hij geantwoord dat hij dat achteraf wist, toen hij weg moest rijden. Volgens verdachte stapte [medeverdachte 2] in zijn auto en zei hij ‘rij weg rij weg’. Volgens verdachte stonk [medeverdachte 2] naar benzine en wist hij het vanaf toen.
Ter terechtzitting van het hof van 1 juni 2026 heeft verdachte verklaard dat hij 50 euro heeft gekregen van [medeverdachte 1] om [medeverdachte 2] op te halen en later weer af te zetten. Ook heeft verdachte op een vraag van zijn raadsvrouw verklaard dat hij [medeverdachte 1] heeft benaderd nadat de eerste brandstichting had plaatsgevonden en hem verteld heeft dat het echt niet kan en dat hij het echt niet wil, maar dat [medeverdachte 1] hem vertelde dat hij moest doen wat hem gezegd werd. Volgens verdachte heeft [medeverdachte 1] dat vóór die tweede keer (
het hof begrijpt: dat er brand werd gesticht) tegen hem gezegd.
Daarnaast is getuige [getuige] gehoord en zij heeft bij de politie verklaard dat ze met een vriend van haar (
opmerking hof: later in het verhoor verklaart de getuige dat de jongen over wie ze het heeft [verdachte] is) in de auto zat en dat hij toen zei dat ze een andere vriend van hem moesten ophalen. De getuige kende die andere jongen niet. Ze hebben die jongen toen opgehaald. Toen zei die vriend van haar dat hij een jerrycan ging vullen omdat iemand hem geld verschuldigd was en hij hem een lesje wilde leren.
De getuige stapte uit met de jongen die ze niet kende en de jongen die ze wel kende bleef in de auto. De getuige moest van [verdachte] meelopen omdat hij wilde dat zij het ging filmen. Hij zei dat ze een paar honderd euro zou krijgen als ze het zou filmen. Hij vroeg het haar toen die andere jongen wilde uitstappen. De andere jongen heeft de brandstichting gepleegd door de jerrycan leeg te gooien tegen het huis aan en het aan te steken. [5]
Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [getuige] verklaard dat zij bij de politie naar waarheid heeft verklaard. Ze bevestigt ook dat [verdachte] haar die avond had gevraagd of ze wat kon filmen en dat hij haar een paar honderd euro bood. Hij zei dat ze iemand een lesje gingen leren en iemand gingen aanpakken. [6]
Tot slot zijn op de telefoon van verdachte de volgende Telegram berichten aangetroffen die op 6 september 2024 tussen 14:29:02 uur en 17:39:26 zijn verstuurd door “ [naam 2] ”:
- VANAVOND KKKK ACTIE
- Is die brief ready?
- Tonight’s it’s showtime
- Niet met je eigen die Jerry can vullen [verdachte]
- En neem je Bully mee alles moet op film [verdachte]
- Heb je een printer toevallig? [verdachte] [7]
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte wist dat de eerste keer, te weten op 28 augustus 2024, dat hij [medeverdachte 2] naar [plaats 1] had gebracht er door hem brand was gesticht en dat de verklaring van verdachte dat hij op 7 september 2024 niet wist dat er brand gesticht zou worden dus niet aannemelijk is.
Daarbij is de rol van verdachte niet beperkt gebleven tot het enkele vervoeren van [medeverdachte 2] .
Zo blijkt uit de verklaring van [getuige] dat verdachte een jerrycan ging vullen en dat hij haar gevraagd heeft om de brandstichting te filmen. Het deel van de verklaring van [getuige] waarin het gaat om het gebruik van de jerrycan en het filmen wordt ook ondersteund door de hiervoor weergegeven berichten die in de telefoon van verdachte zijn aangetroffen. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting van het hof verklaard dat ‘bully’ vriend of vriendin betekent. [8] Dat verdachte de berichten op zijn telefoon niet zou hebben gezien, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, acht het hof evenmin aannemelijk.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de brandstichting.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks7 september 2024 te [plaats 1] ,
tezamen en in vereniging met
een ander/anderen,
althans alleen,
opzettelijk brand heeft gesticht door tegen
en/of voor de deur van de woning een ontbrandbare vloeistof te gieten
en/of te besprenkelen, en die ontbrandbare vloeistof te doen ontbranden door die in aanraking te brengen met open vuur
ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een bloempot en
/of
het raam en
/ofde kozijnen en
/ofoverige delen van de woning, althans andere goederen die zich in de directe nabijheid van de voordeur bevonden, te duchten was.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Daarbij heeft de rechtbank aan de proeftijd de algemene voorwaarden gekoppeld en de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet melden bij de reclassering en mee moet werken aan ambulante behandeling. Ook heeft de rechtbank aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende een contactverbod met de slachtoffers en een gebiedsverbod voor het adres waar de brand is gesticht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De verdediging heeft aangevoerd dat de rol van verdachte wezenlijk verschilt van die van de feitelijke uitvoerders, zodat zijn aandeel afzonderlijk dient te worden beoordeeld. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou het behandeltraject van verdachte doorkruisen en meebrengen dat hij zijn werk, opleiding en dus zijn toekomstperspectief verliest. Het primaire verzoek is dan ook te volstaan met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en het subsidiaire verzoek is aan verdachte een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.
Verdachte heeft zich samen met anderen midden in de nacht schuldig gemaakt aan een brandstichting bij een woning, terwijl de bewoners op dat moment lagen te slapen. Het motief was gelegen in een conflict dat een van de medeverdachten had met de zoon van de partner van aangever. Verdachte heeft een medeverdachte, die de brand daadwerkelijk heeft gesticht, met zijn auto in de nabijheid van de woning afgezet, terwijl hij deze medeverdachte daar tien dagen eerder ook al had afgezet en wist dat hij toen ook brand heeft gesticht. Verdachte is direct na het stichten van de brand met de medeverdachte weggereden, zonder zich te bekommeren om de gevolgen daarvan. De brand heeft schade aangericht aan goederen die bij de voordeur van de woning stonden. Dat er bij de brand bij de woning voor de slachtoffers en de buren niet meer gevaar en schade is ontstaan, is niet aan het handelen van verdachte en de medeverdachten te danken geweest, maar aan een alerte buurvrouw die de hulpdiensten heeft gebeld. Verdachte en de medeverdachten hebben door hun gedragingen welbewust een groot gevaar voor goederen in het leven geroepen en hebben zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers.
De brandstichting heeft grote indruk op de slachtoffers gemaakt en een groot gevoel van onveiligheid bij hen veroorzaakt, mede gelet op het feit dat deze brandstichting volgde op een brandstichting die iets meer dan een week daarvoor de auto van de slachtoffers op de oprit van dezelfde woning totaal had verwoest. Na de tweede brandstichting hebben de bewoners hun huis moeten verlaten omdat de burgemeester de woning voor twee weken had gesloten. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan.
Uit de spreekrechtverklaring van het slachtoffer ter terechtzitting bij het hof blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.
Naast de angstige ervaring voor de slachtoffers geldt ook in het algemeen dat gebeurtenissen als deze gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweegbrengen. Het hof houdt met dit alles rekening.
Het hof heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennisgenomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (
‘het strafblad’) van 4 mei 2026. Uit dit strafblad blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, maar wel voorafgaand aan het onderhavige feit met justitie in aanraking is gekomen wegens overtredingen.
Daarnaast heeft het hof gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport van 19 mei 2025 en hetgeen ter terechtzitting over de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren is gebracht. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat er beschermende factoren zijn, zoals het werk en de opleiding van verdachte, maar ook dat er delictgerelateerde criminogene factoren zijn, zoals financiën, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren. De grootste zorg van de reclassering ligt in de mate van weerbaarheid van verdachte en dat hij daarvoor is aangemeld bij [naam 3] .
Uit de bespreking van de persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting en de brief over de voortgang van de behandeling van [naam 3] van 29 april 2026 blijkt dat verdachte vanaf begin 2026 is gestart met zijn behandeling voor het vergroten van zijn weerbaarheid en hij vooruitgang merkt bij deze hulpverlening.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf en de hoogte daarvan oog gehad voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder zijn vaste baan, zijn opleiding en het behandeltraject waar hij in zit, en het verzoek om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof acht echter de ernst van het feit zo zwaarwegend dat niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf of een combinatie van taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar, zoals door de verdediging is verzocht.
Het hof ziet ook onvoldoende aanleiding om de rol van verdachte bij het tenlastegelegde anders te wegen dan de rol van de medeverdachte van wie zijn zaak gelijktijdig bij het hof is behandeld of rekening te houden met de druk die vanuit een van de medeverdachten op verdachte zou zijn gelegd, nu daarvoor in het dossier onvoldoende aanknopingspunten te vinden zijn.
Alles afwegende acht het hof uit een oogpunt van vergelding en ter bescherming van de maatschappij en in verband met een juiste normhandhaving, een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Ter voorkoming van herhaling van strafbare feiten en ter verdere bevordering van stabiliteit in het leven van verdachte, zullen aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals de rechtbank deze ook aan de hand van reclasseringsrapport van 19 mei 2025 heeft opgelegd.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Met het oog op de beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal het hof net als de rechtbank aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De maatregel houdt een contactverbod met de slachtoffers in en een locatieverbod voor het adres waar de brand is gesticht en een straal van 500 meter daaromheen, gedurende vijf jaren.
Het hof zal bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.824,84 ingediend, bestaande uit materiële schade (€ 2.824,84) en immateriële schade (€ 2.000,00). De rechtbank heeft die vordering toegewezen tot een bedrag van € 3.310,00 (materieel
€ 1.310,00 en immaterieel € 2.000,00). De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd.
Daarnaast heeft de benadeelde partij voorafgaand aan de zitting in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding verhoogd met het bedrag waarop de benadeelde partij sinds september 2025 gekort wordt op haar netto inkomen (een bedrag van € 2.594,55) en verzocht ten aanzien van dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Voor wat betreft de materiële schade acht het hof de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor de haptonoom (€ 960,00), de inboedelverzekering (€ 100,00) en de opstalverzekering (€ 100,00) voor toewijzing vatbaar, nu deze voldoende zijn onderbouwd en ook niet zijn betwist.
Ten aanzien van de overige posten (camera’s, kosten tandheelkunde, autoverzekering en giften) is het hof van oordeel dat het in deze procedure niet kan vaststellen dat deze door de benadeelde gevorderde schade veroorzaakt is door het handelen van verdachte.
De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft de benadeelde partij deze vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW Pro. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.​
Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval eigenlijk al mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat de brandstichting voor langere tijd een forse impact heeft gehad op de benadeelde partij en in het bijzonder op haar gevoel van veiligheid. Zij lag te slapen toen de brand bij de woning werd gesticht en er is een brief achtergelaten met bedreigende woorden. Ook is haar woning gesloten en heeft zij tijdelijk elders moeten verblijven.
De benadeelde partij heeft ter zitting onder andere geschetst dat de nare emoties er nog steeds zijn, dat haar lijf bij andere dan de normale geluiden in en om het huis in paniek raakt en zij nog steeds regelmatig ’s nachts wakker wordt met een gevoel van angst. Ook gaat er geen dag voorbij dat ze er niet aan denkt en is ze nog steeds buiten in het donker bang, schrikt ze bij harde knallen en heeft ze moeite zich te concentreren en ontspannen. Ook is ze het vertrouwen in zichzelf en anderen kwijt, schaamt ze zich voor de buurt en maakt ze zich druk om wat andere mensen denken.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en kijkend naar de Rotterdamse schaal is het hof van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schade daarom geheel toe.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Voor wat betreft de hoogte van deze schadevergoedingsmaatregel is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het verzoek van de benadeelde partij om de schadevergoedingsmaatregel te verhogen met het bedrag waarop de benadeelde partij sinds september 2025 gekort wordt op haar netto inkomen niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Uit de stukken van de benadeelde partij blijkt immers dat zij bezig was met een re-integratietraject om weer volledig aan het werk te kunnen gaan, toen zij met haar fiets is gevallen en haar arm gebroken heeft. Van de korting op haar salaris is naar het oordeel van het hof niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit. Nader onderzoek hiernaar zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen en het hof is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Het hof zal daarom niet overgaan tot oplegging van de gevorderde schadevergoedingsmaatregel voor een hoger bedrag.
Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 4] en [benadeelde 2]
De benadeelde partijen hebben ieder een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00 ingediend wegens immateriële schade. De rechtbank heeft deze bedragen toegewezen.
De benadeelde partijen hebben deze vorderingen gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW Pro. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.​
Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat de brandstichting voor langere tijd een forse impact heeft gehad op de benadeelden en in het bijzonder op hun gevoel van veiligheid. Zij lagen te slapen toen de brand bij de woning werd gesticht en er is een brief achtergelaten met bedreigende woorden. Ook is hun woning gesloten en hebben zij tijdelijk elders moeten verblijven.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en kijkend naar de Rotterdamse schaal is het hof van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Het hof wijst de vorderingen van de benadeelde partijen tot immateriële schade daarom geheel toe.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte
- verdachte zich gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken met de reclassering op het adres [adres 3] in [plaats 2] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- verdachte gedurende de proeftijd zich laat behandelen door [naam 3] te [plaats 3] of een
soortgelijke forensische zorgaanbieder. De behandeling start wanneer de reclassering dit nodig acht en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgaanbieder geeft voor de behandeling.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren
- zich niet zal ophouden in een straal van 500 meter van het adres [adres 2] in [plaats 1] , en
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
  • [benadeelde 3] , geboren op [geboortedatum 2] 1978;
  • [slachtoffer] , wonende aan de [adres 2] in [plaats 1] ;
  • [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2004;
  • [benadeelde 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2009;
  • [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum 5] 1969.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
1 weekvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van
6 maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.160,00 (drieduizend honderdzestig euro) bestaande uit € 1.160,00 (duizend honderdzestig euro) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.160,00 (drieduizend honderdzestig euro) bestaande uit € 1.160,00 (duizend honderdzestig euro) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening en wijst af het meer gevorderde.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 september 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 september 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 september 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 september 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. C.T. Tjauw-Foe, mr. F.A.M. Bakker en mr. R.W.E. van Leuken,
in aanwezigheid van de griffier mr. H.J. Rosmalen-Jansen
en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 15 juni 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 15 juni 2026.
Tegenwoordig:
mr. K. Gilhuis, voorzitter,
mr. O.J. Ingwersen, advocaat-generaal,
mr. H.A.C. Peters, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.De hierna onder noot 2, 4, 5 en 7 genoemde bewijsmiddelen zijn als bijlagen gevoegd bij het stamproces-verbaal, onderzoeksnummer ON5R024084/LANCIA, in de wettelijke vorm opgemaakt op 12 februari 2025 door [verbalisant 2] , brigadier.
2.Het proces-verbaal van aangifte, nummer PL0600-2024419326-3 (pagina’s 67 t/m 69), in de wettelijke vorm opgemaakt op 7 september 2024 door [verbalisant 3] , brigadier.
3.Zie het hiervoor onder voetnoot 1 genoemde stamproces-verbaal, pagina 8.
4.Het proces-verbaal forensisch brandonderzoek voor een woning, nummer PL0600-2024419326-14 (pagina’s 75 t/m 78), in de wettelijke vorm opgemaakt op 11 september 2024 door [verbalisant 1] , brigadier.
5.Het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 192 en BVH-nummer 2024419326 (pagina’s 276 t/m 286), in de wettelijke vorm opgemaakt op 5 februari 2025 door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , beiden hoofdagent.
6.Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] ten overstaan van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Gelderland van 30 mei 2025 (los opgenomen in het dossier).
7.Het proces-verbaal van bevindingen proces-verbaalnummer 92 en BVH-nummer 2024419326 (pagina’s 118 t/m 136, in het bijzonder pagina’s 119-120), in de wettelijke vorm opgemaakt op 15 oktober 2024 door [verbalisant 4] , hoofdagent.
8.Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juni 2026.