Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3896

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
21-004675-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a SrArt. 77g SrArt. 77h SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeling openlijke geweldpleging en diefstal jeugdige verdachte

Op 22 mei 2025 pleegde de toen minderjarige verdachte samen met twee medeverdachten geweld tegen een slachtoffer en een onbekende persoon op een plein in een Nederlandse plaats. De verdachte gebruikte geweld tegen de onbekende persoon, terwijl de medeverdachten het slachtoffer mishandelden met onder meer een fles en een scherp voorwerp. Na het incident stal de verdachte een hoodie van het slachtoffer.

De rechtbank veroordeelde de verdachte voor medeplegen poging doodslag, openlijke geweldpleging en diefstal tot een jeugddetentie van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Het hof vernietigde dit vonnis en sprak de verdachte vrij van de poging tot doodslag en zware mishandeling, omdat niet kon worden vastgesteld dat hij medepleger was met opzet op deze feiten.

Wel achtte het hof bewezen dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd en diefstal heeft gepleegd. Gelet op de ernst van de feiten, de positieve ontwikkeling van de verdachte en zijn status als first offender, legde het hof een jeugddetentie van 30 dagen op met aftrek van voorarrest, gecombineerd met een voorwaardelijke werkstraf van 40 uur en bijzondere voorwaarden waaronder toezicht door de jeugdreclassering.

De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer het melden bij de jeugdreclassering, het volgen van begeleiding en dagbesteding, verblijf in een instelling, en het vermijden van contact met medeverdachten. Het hof hechtte geen dadelijke uitvoerbaarheid aan deze voorwaarden en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op. De uitspraak werd gedaan op 10 juni 2026 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag en zware mishandeling, veroordeeld tot 30 dagen jeugddetentie en een voorwaardelijke werkstraf voor openlijke geweldpleging en diefstal.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004675-25
Uitspraakdatum: 10 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo , van 30 oktober 2025 met parketnummer 08-201280-25 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte (hierna: [verdachte] ) heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • veroordeling van [verdachte] voor feit 1 primair (medeplegen poging doodslag), feit 2 (openlijke geweldpleging) en feit 3 (diefstal) tot een jeugddetentie voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal vordert daarbij de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) in het rapport van 19 mei 2026, op te leggen;
  • dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden;
  • opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de datum van dit arrest.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. M.P. Smit, hebben aangevoerd.
Het vonnis
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de kinderrechter:
  • [verdachte] voor feit 1 primair (medeplegen poging doodslag), feit 2 (openlijke geweldpleging) en feit 3 (diefstal) veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden;
  • de gestelde voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar verklaard;
  • het verzoek tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis afgewezen.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de kinderrechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank en in hoger beroep is de tenlastelegging schriftelijk gewijzigd. Aan [verdachte] is na deze wijzigingen ten laste gelegd dat:
1.
primair
hij op of omstreeks 22 mei 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] in het hoofd en/of in het bovenbeen, althans in het lichaam heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden en/of die [slachtoffer] met een, al dan niet zwaar, voorwerp op het hoofd, althans op het lichaam te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 22 mei 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] , in het hoofd en/of in het bovenbeen, althans in het lichaam heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden en/of die [slachtoffer] met een, al dan niet zwaar, voorwerp op het hoofd, althans op het lichaam te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 22 mei 2025 te [plaats] , op het [plein] in [plaats] , in elk geval openlijk, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] en/of een onbekend gebleven persoon, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of tegen het lichaam van een onbekend gebleven persoon,
- het om de nek vastpakken van een onbekend gebleven persoon,
- het op de grond gooien en/of duwen en/of trekken van een onbekend gebleven persoon,
- het stompen in het gezicht van een onbekend gebleven persoon,
- het met een, al dan niet zwaar, voorwerp slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer] ,
- het meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, steken en/of snijden en/of prikken in het hoofd en/of in het bovenbeen, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] ,
- het meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen maken in de richting van die [slachtoffer] ,
- het meermalen, althans eenmaal, gooien van een voorwerp in de richting van een onbekend gebleven persoon en/of
- het trappen tegen, althans in de richting van, een onbekend gebleven persoon;
3.
hij op of omstreeks 22 mei 2025 te [plaats] een of meer kledingstukken en/of schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Oordeel van de rechtbank over het bewijs

De gebeurtenissen op de avond van 22 mei 2025
Het hof gaat op grond van de inhoud van het dossier en op basis van wat tijdens de zitting bij het hof is besproken ervan uit dat het volgende is gebeurd.
In de avond van 22 mei 2025 is op het [plein] in [plaats] door drie personen geweld uitgeoefend tegen de 18-jarige [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en een onbekend gebleven persoon. De personen die geweld hebben gepleegd zijn [verdachte] , [medeverdachte 1] en de broer van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] . De broers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn beiden onherroepelijk veroordeeld door de rechtbank voor het medeplegen van poging tot doodslag van [slachtoffer] en tot openlijke geweldpleging.
[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben [slachtoffer] voorafgaand aan het incident telefonisch gesproken. Daarbij was sprake van een conflict. Vervolgens is [verdachte] samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het [plein] gegaan waar [slachtoffer] met een aantal andere jongens op een bankje zat. Op de videobeelden van het incident is te zien dat de drie verdachten in een rechte lijn op het bankje aflopen en dat [verdachte] bij aankomst direct als eerste geweld gebruikt tegen de onbekend gebleven persoon. [verdachte] heeft meermalen geslagen tegen het lichaam van die persoon, hij heeft deze persoon om de nek vastgepakt, hem op de grond gegooid en hem stompen in het gezicht gegeven. [verdachte] heeft deze onbekend gebleven persoon daarnaast met zijn linkerbeen een trap gegeven. Terwijl dit gebeurde, heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer] van achteren benaderd en hem meermalen in zijn gezicht geslagen. Ook heeft [medeverdachte 1] met een glazen fles tegen het hoofd van [slachtoffer] geslagen. Uit de hoofdwond van [slachtoffer] zijn door de arts glasscherven verwijderd. Op het moment dat [medeverdachte 1] en [slachtoffer] met elkaar in gevecht waren, is [medeverdachte 2] ten slotte richting [slachtoffer] gelopen en heeft hij drie stekende bewegingen gemaakt met een scherp en/of puntig voorwerp dat hij in zijn hand droeg. [medeverdachte 2] heeft daarbij meerdere keren met het voorwerp in het bovenbeen van [slachtoffer] gestoken. [slachtoffer] heeft hierdoor twee steekwonden aan zijn rechterbovenbeen opgelopen. Verder heeft [medeverdachte 1] een voorwerp van de grond gepakt en in de richting van de onbekend gebleven persoon gegooid. Nadat de slachtoffers waren gevlucht, heeft [verdachte] bij het bankje waar [slachtoffer] kort daarvoor zat, een hoodie (trui met capuchon) uit zijn tas gepakt en meegenomen.
Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair (poging doodslag) en subsidiair (poging zware mishandeling)
[verdachte] wordt onder feit 1 verweten dat hij samen met anderen heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden (primair), dan wel dat hij samen met anderen heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar te mishandelen (subsidiair).
Nauwe en bewuste samenwerking
De vraag die het hof om te beginnen moet beantwoorden is of [verdachte] samen met anderen (‘medeplegen’) heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden of geprobeerd heeft hem zwaar (ernstig) te mishandelen. Een medepleger is een verdachte die samen met iemand anders of meerdere anderen een strafbaar feit pleegt. Als medepleger kun je schuldig zijn, als duidelijk is dat je voldoende nauw en bewust hebt samengewerkt met anderen bij het plegen van dat strafbare feit. Ook wanneer het medeplegen eigenlijk niet bestaat uit het samen uitvoeren van het strafbare feit, maar uit bijvoorbeeld het geven van informatie, het op de uitkijk staan, het helpen bij de vlucht (handelingen die meestal bij ‘medeplichtigheid’ horen) kan toch sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De bijdrage van de medepleger moet dan wel belangrijk genoeg zijn. Om te beoordelen of iemand een medepleger is, wordt bijvoorbeeld gekeken naar de vraag hoe sterk de samenwerking was, wie welke taken had, welke rol de medepleger had bij de eventuele voorbereiding, uitvoering of afronding van het strafbare feit en hoe belangrijk zijn rol was.
Dubbel opzet
Naast de hiervoor besproken nauwe en bewuste samenwerking moet je voor medeplegen ook dubbel opzet hebben: je moet niet alleen opzet hebben op de samenwerking met anderen maar ook op het strafbare feit. In deze zaak betekent dat dat [verdachte] opzet moet hebben gehad om samen met anderen [slachtoffer] te doden, of hem zwaar te mishandelen. Daarbij is op zich niet vereist dat [verdachte] op de hoogte is geweest van de precieze gedragingen van zijn mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Als het opzet onderling te veel uit elkaar loopt en de anderen (in dit geval [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) veel verder gaan dan waarop het opzet van de medepleger is gericht, kan die mogelijke medepleger, in dit geval [verdachte] , daarvoor niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld. In dat geval is geen sprake meer van een 'bewuste en nauwe samenwerking' met hetzelfde doel (opzet) tussen de drie jongens. [verdachte] is dan alleen verantwoordelijk voor zijn eigen handelen en zijn eigen opzet.
Oordeel van het hof
[verdachte] is als eerste op de groep jongens afgelopen en heeft daarbij geweld gebruikt tegen één van de jongens uit de groep. Dit betekent dat [verdachte] als eerste de fysieke confrontatie is aangegaan met de onbekend gebleven jongen. Tegelijkertijd heeft [verdachte] zelf geen geweld gebruikt richting [slachtoffer] , maar waren dat de broers [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] in zijn gezicht en met een fles op zijn hoofd geslagen. Terwijl [medeverdachte 1] en [slachtoffer] in gevecht waren, heeft [medeverdachte 2] [slachtoffer] met een scherp en/of puntig voorwerp gestoken in zijn been. [verdachte] oefende iets verderop zelf geweld uit ten opzichte van iemand anders.
Het hof kan niet vaststellen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van tevoren een plan hadden om [slachtoffer] met een scherp en/of puntig voorwerp aan te vallen of te steken. Het hof vindt daarom dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het om het leven brengen van [slachtoffer] of opzet heeft gehad om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Dat [verdachte] mogelijk wist dat [medeverdachte 2] een scherp en/of puntig voorwerp bij zich had, betekent niet dat hij ervan uit had hoeven gaan dat dat voorwerp door hem gebruikt zou worden in een poging [slachtoffer] te doden of om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Dit betekent voor het hof dat het gewelddadige handelen (het opzet) van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar [slachtoffer] verder ging dan voor [verdachte] de bedoeling was of kon zijn. Om die reden vindt het hof dat er geen sprake was van medeplegen tussen de broers en [verdachte] voor de verdenking onder feit 1 en dat [verdachte] niet strafrechtelijk aansprakelijk is voor hun handelen.
[verdachte] wordt voor feit 1 (primair en subsidiair) vrijgesproken.
Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 2 en feit 3
Openlijke geweldpleging
Het hof komt wel tot de conclusie dat bewezen kan worden dat [verdachte] zich samen met de broers schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.
Zoals hiervoor is beschreven is [verdachte] samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het station in [plaats] gegaan om daar een confrontatie aan te gaan met [slachtoffer] en in ieder geval een onbekend gebleven andere persoon. Daarbij is van belang dat [verdachte] op de zitting bij het hof heeft verklaard dat hij als eerste afliep op de (onbekend gebleven) jongen die hij herkende van een video-gesprek kort daarvoor.
Niet bewezen kan worden dat [verdachte] tijdens de confrontatie zelf een scherp en/of puntig voorwerp voorhanden heeft gehad. Het hof kan wel vaststellen dat hij door het opzoeken van die confrontatie, waarbij hij zelf tenminste heeft geslagen en geschopt, aanzienlijk heeft bijgedragen aan het samen met anderen (in vereniging) plegen van openlijk geweld en dat zijn opzet daarop ook was gericht. [verdachte] heeft bekend dat hij deze geweldshandelingen heeft verricht en was zich daarnaast ook bewust van het feit dat twee anderen ook meededen aan de openlijke geweldpleging. Daaruit volgt dat hij actief heeft deelgenomen aan het groepsgeweld, waaronder dus ook de geweldshandelingen die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben gepleegd. Dit betekent dat [verdachte] , samen met de anderen, verantwoordelijk wordt gehouden voor het al toegepaste geweld: tegen de onbekende persoon en tegen [slachtoffer] .
Diefstal
[verdachte] heeft de diefstal van de hoodie van [slachtoffer] bekend. Op basis van de bekennende verklaring van [verdachte] en de aangifte van [slachtoffer] acht het hof dit feit ook bewezen.
Als door de advocaat van [verdachte] cassatie wordt ingesteld tegen deze uitspraak, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Bewezenverklaring
Het hof acht, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
hij op 22 mei 2025 te [plaats] , op het [plein] in [plaats] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer] en een onbekend gebleven persoon, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het meermalen slaan en/of stompen tegen het lichaam van een onbekend gebleven persoon,
- het om de nek vastpakken van een onbekend gebleven persoon,
- het op de grond gooien en/of duwen van een onbekend gebleven persoon,
- het stompen in het gezicht van een onbekend gebleven persoon,
- het met een voorwerp slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer] ,
- het meermalen met een scherp en/of puntig voorwerp steken in het bovenbeen van die [slachtoffer] ,
- het meermalen met een scherp en/of puntig voorwerp stekende bewegingen maken in de richting van die [slachtoffer] ,
- het gooien van een voorwerp in de richting van een onbekend gebleven persoon en
- het trappen tegen een onbekend gebleven persoon;
3.
hij op 22 mei 2025 te [plaats] een kledingstuk dat aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof spreekt [verdachte] vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Strafbaarheid van [verdachte]
is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat [verdachte] niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] .
Ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich op 22 mei 2025 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Daarbij heeft hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ernstig geweld gebruikt tegen een onbekend gebleven persoon en [slachtoffer] . De drie verdachten hebben de slachtoffers, die op een bankje op het [plein] zaten, direct fysiek aangevallen toen zij bij hen aankwamen. [verdachte] heeft stevig geweld gebruikt tegen de onbekend gebleven persoon. Tegelijkertijd werd [slachtoffer] door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ernstig mishandeld waarbij hij met een fles op zijn hoofd is geslagen en is gestoken met een scherp en/of puntig voorwerp. [slachtoffer] heeft hierdoor twee steekwonden in zijn been opgelopen, maar dit letsel had gezien het wilde en ongecontroleerde steken veel ernstiger kunnen zijn. Door actief deel te nemen aan de openlijke geweldpleging heeft [verdachte] ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Uitbarstingen van geweld op de openbare weg veroorzaken ook gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Daarbij komt dat [verdachte] , nadat de slachtoffers waren gevlucht, nog een hoodie uit de tas van [slachtoffer] heeft gestolen. Door dit te doen heeft [verdachte] ook inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [slachtoffer] .
Persoon van [verdachte]
Het hof heeft gelet op het strafblad van [verdachte] van 30 april 2026, waaruit volgt dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook na het plegen van het feit is [verdachte] niet met justitie in aanraking gekomen. [verdachte] is een zogenoemde ‘first offender’. Dit betekent dat [verdachte] ’s strafblad geen reden is om een zwaardere straf op te leggen.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de rapportages over [verdachte] , waaronder het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 19 mei 2026. Hieruit volgt – kort samengevat – het volgende. [verdachte] is een alleenstaande minderjarige vluchteling. Hij komt uit Syrië en heeft op jonge leeftijd veel meegemaakt in zijn leven. Zijn ouders wonen in Turkije, maar zijn op afstand bij hem betrokken. Het is nog onduidelijk of [verdachte] in Nederland mag blijven.
In het verleden waren er duidelijke zorgen over [verdachte] omdat er verschillende redenen waren die de kans op herhaling van strafbaar gedrag vergrootten. [verdachte] was geschorst van school, hield zich niet aan de afspraken met zijn opvangvader en ging om met jongeren die een negatieve invloed op hem hadden. Sinds zijn verblijf in de jeugdgevangenis en zijn geschorste voorlopige hechtenis in 2025 laat [verdachte] een positieve ontwikkeling zien. Hij wil zich inzetten voor zijn toekomst en uit de problemen blijven. [verdachte] volgt met succes onderwijs en woont sinds september 2025 begeleid bij [instelling] (24-uursetting), waar hem structuur, toezicht en een daginvulling worden geboden. Nu [instelling] en de jeugdreclassering zijn betrokken, er duidelijke kaders worden gesteld en wordt ingezet op vermindering van de risicofactoren en het vergroten van de beschermende factoren, gaat het veel beter met [verdachte] . Hij komt niet meer in de problemen en stelt zich begeleidbaar op. Inmiddels laat hij al langere tijd een positieve ontwikkeling zien. De kans dat [verdachte] opnieuw een strafbaar feit pleegt, is met het stevige en duidelijke kader waarmee hij nu bij [instelling] verblijft, volgens de Raad daarom laag.
Ondanks de lage kans op herhaling, vindt de Raad toezicht vanuit de jeugdreclassering nog wel noodzakelijk. De Raad adviseert om aan [verdachte] een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen als stok achter de deur om de positieve ontwikkeling vast te houden en niet opnieuw de fout in te gaan. Eerder is gezien dat [verdachte] snel kan afglijden als hij bijvoorbeeld in contact komt met anderen die een negatieve invloed op hem uitoefenen. Vanuit pedagogisch oogpunt vindt de Raad een onvoorwaardelijke jeugddetentie niet passend. [verdachte] heeft al veel consequenties ondervonden van deze strafzaak en zal bij een detentie zijn woonplaats bij [instelling] kwijtraken, terwijl [instelling] een belangrijke beschermende factor is in zijn leven. Dit geldt ook voor het onderwijs dat [verdachte] volgt. Als deze beschermende factoren wegvallen, zullen de risicofactoren opnieuw toenemen.
[verdachte] heeft tijdens de zitting bij het hof zelf ook verklaard dat het goed met hem gaat. Hij is bezig met een Mbo-opleiding in de zorg, denkt na over zijn toekomst, sport regelmatig en is hard bezig met het leren van de Nederlandse taal. Hij zou graag groepsbegeleider willen worden op een soortgelijke locatie als waar hij op dit moment zelf verblijft. De structuur en begeleiding die hij bij [instelling] krijgt doen hem goed. Hij krijgt advies en hulp bij het maken van de juiste keuzes. [verdachte] geeft verder aan uit de problemen te willen blijven en dat als hij weer in een lastige situatie komt, hij zal proberen weg te gaan. Hij geeft aan spijt te hebben van wat er is gebeurd en dat hij begrijpt dat daar consequenties aan verbonden zijn. [verdachte] kan zich vinden in de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De voogd van [verdachte] en de jeugdreclasseerder bij de [Stichting] hebben tijdens de zitting bij het hof bevestigd dat sprake is van een positieve ontwikkeling. Zij geven aan dat hij het afgelopen jaar erg is gegroeid. Hij werkt samen met begeleiders, gaat naar school en gaat daarnaast goed om met de stress die hij heeft van de lopende asielprocedure. De structuur en begeleiding die hij hierbij krijgt, zijn belangrijk en helpen hem. Het is voor de ontwikkeling van [verdachte] belangrijk dat deze ondersteuning en het toezicht blijven bestaan. Het is positief dat [verdachte] afstand heeft genomen van zijn negatieve vriendschappen, maar dit neemt volgens de jeugdreclasseerder niet weg dat hij nog steeds beïnvloedbaar is en hiertegen moet worden beschermd. Gelet op zijn gewenning bij [instelling] en zijn huidige ontwikkeling, zal een taakstraf voor [verdachte] – anders dan eerder – op dit moment volgens de jeugdreclasseerder geen overvraging van [verdachte] betekenen.
Het hof kan zich vinden in de conclusies over [verdachte] in het rapport van de Raad, de voogd en [verdachte] ’s jeugdreclasseerder en neemt die over.
Op te leggen straf
Gelet op al het voorgaande en op de gebruikelijke straffen die worden opgelegd voor het bewezenverklaarde, acht het hof een jeugddetentie voor de duur van 30 dagen (met aftrek van zijn voorarrest), in combinatie met een geheel voorwaardelijke werkstraf van 40 uren, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Met name de openlijke geweldpleging betreft een zeer ernstig feit, maar het hof weegt ook mee dat [verdachte] al veel gevolgen van de zaak heeft ondervonden, waaronder een langer durend voorarrest, het volgen van ITB-CRIEM en langdurig intensief (elektronisch) toezicht. Daarnaast heeft [verdachte] zijn leven aantoonbaar verbeterd, terwijl dit niet makkelijk is in zijn situatie. Net als de Raad vindt het hof het belangrijk dat [verdachte] deze positieve ontwikkelingen doorzet en dat daarom bijzondere voorwaarden moeten worden verbonden aan de voorwaardelijke straf. Het hof sluit voor de inhoud van die voorwaarden (grotendeels) aan bij de door de Raad geadviseerde voorwaarden. Dit houdt – kort gezegd – in dat [verdachte] zich moet melden bij de jeugdreclassering, dat hij meewerkt aan de door de [Stichting] noodzakelijk geachte ondersteuning of verwijzing naar andere hulpverleningsinstanties, dat hij zinvolle dagbesteding heeft, dat hij zal verblijven bij [instelling] , dat hij zich niet in [plaats] zal bevinden tenzij de jeugdreclassering toestemming geeft om zijn opvangvader in [plaats] te bezoeken en dat hij geen contact legt met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .
Dadelijke uitvoerbaarheid
Het hof ziet, anders dan de kinderrechter en door de advocaat-generaal gevorderd, geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren omdat uit de rapportages en hetgeen tijdens de zitting bij het hof is besproken volgt dat het recidivegevaar laag is. Het hof heft het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid daarom op.
Voorlopige hechtenis
Gelet op voornoemde strafoplegging, heft het hof ook het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van [verdachte] op.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
30 (dertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. verdachte zich gedurende de door de gecertificeerde instelling [Stichting] , jeugdbescherming en jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
2. verdachte meewerkt aan door [Stichting] , noodzakelijk geachte ondersteuning of verwijzing naar andere hulpverleningsinstanties, die gedurende de begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht om de kans op herhaling te verkleinen;
3. verdachte een zinvolle dagbesteding heeft, waarbij de jeugdreclassering bepaalt wat zinvol is;
4. verdachte zal verblijven bij [instelling] , [adres 2] (of soortgelijke instelling) en zich houdt aan de huisregels, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;
5. verdachte zich niet zal bevinden in de plaats [plaats] , tenzij de jeugdreclassering toestemming geeft om zijn opvangvader in [plaats] te bezoeken;
6. verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen of zoeken met medeverdachten:
[medeverdachte 2] , en
[medeverdachte 1] .
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de [Stichting] jeugdbescherming en jeugdreclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank op grond van artikel 77zSr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht.
Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Godthelp, mr. J.A.M. Kwakman en mr. R.R.H. Laurens, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Kiemel en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 juni 2026.