Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3830

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
200.366.931/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging faillissement en afwijzing verzoek tot faillietverklaring

Appellante heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin haar faillietverklaring werd uitgesproken. Het hoger beroep beoogde de afwijzing van het verzoek tot faillietverklaring en vernietiging van het vonnis.

Het hof heeft het beroepschrift, proces-verbaal van de rechtbankzitting, verweerschriften en aanvullende stukken van partijen en curator bestudeerd. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen en de curator een regeling hebben getroffen, waaruit blijkt dat appellante haar schuldeisers niet onbetaald heeft gelaten en niet is opgehouden met betalen.

Op grond van deze omstandigheden oordeelt het hof dat geen sprake is van een faillissementstoestand. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot faillietverklaring af. Tevens veroordeelt het hof appellante in de faillissementskosten, waaronder het salaris van de curator.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot faillietverklaring af wegens het ontbreken van een faillissementstoestand.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.366.931
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/26/129
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Proces-verbaal van de openbare mondelinge behandeling van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 april 2026, door mrs. D. Visser, voorzitter, M.H.F. van Vugt en N.M. Brouwer, leden, bijgestaan door mr. K. Engel, griffier,
in de zaak van
[appellante] B.V. ( [appellante] )
die is gevestigd in [plaats1]
advocaat: mr. A.L. Stegeman
en
[geïntimeerde] B.V. ( [geïntimeerde] )
die is gevestigd in [plaats2]
advocaat: mr. S.A.L.L. Caris
Aanwezig zijn:
  • namens [appellante] de heer [naam1] (bestuurder), bijgestaan door mr. Stegeman,
  • namens [geïntimeerde] de heer [naam2] (bestuurder), bijgestaan door mr. Caris,
  • mr. M.A. van der Hoeven (de curator).
Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof de zitting geschorst voor overleg in raadkamer. Vervolgens is de zaak uitgeroepen voor uitspraak en heeft het hof in het openbaar mondeling uitspraak gedaan (artikel 29a Rv). Deze luidt als volgt.

1.De motivering van de beslissing

1.1.
Bij (op 30 maart 2026 bij het hof binnengekomen) beroepschrift heeft [appellante] tijdig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) van 24 maart 2026. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat het verzoek van [geïntimeerde] tot faillietverklaring van [appellante] alsnog wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.
1.2.
Het hof heeft naast het beroepschrift met bijlagen kennisgenomen van:
  • het op 1 april 2026 ontvangen proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 10 maart 2026;
  • de nagekomen stukken van [appellante] van 13 april 2026;
  • de stukken van de curator van 14 april 2026;
  • het op 15 april 2026 ontvangen verweerschrift van [geïntimeerde] ;
  • het overzicht van het salaris van de curator van 20 april 2026;
  • de nagekomen stukken van [appellante] van 20 april 2026.
1.3.
Uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken volgt dat partijen een regeling met elkaar hebben getroffen. Partijen en de curator hebben daaraan de conclusie verbonden dat geen sprake is van het onbetaald laten van schuldeisers door [appellante] en dat [appellante] niet in de toestand verkeert te zijn opgehouden te betalen.
1.4.
Het hof is van oordeel dat, in deze omstandigheden, geen sprake is van een situatie dat [appellante] heeft opgehouden te betalen.

2.De beslissing

Het hof:
2.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 24 maart 2026;
en opnieuw rechtdoende:
2.2.
wijst het verzoek van [geïntimeerde] tot faillietverklaring van [appellante] alsnog af;
2.3.
veroordeelt [appellante] in de faillissementskosten, vastgesteld op € 19.253,63 inclusief btw voor salaris van de curator.
De voorzitter deelt mee dat een afschrift van het proces-verbaal van de uitspraak uiterlijk 28 april 2026 aan partijen wordt toegestuurd en sluit de zitting.
Dit proces-verbaal is ondertekend door de voorzitter.