ECLI:NL:GHARL:2026:3775

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
200.366.450/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 lid 1 RvArt. 8 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vader wordt belanghebbende in procedure verlenging ondertoezichtstelling minderjarige

De minderjarige is sinds december 2024 onder toezicht gesteld en geplaatst in een netwerkpleeggezin van de grootouders moederszijde. De moeder heeft het gezag, de vader niet. De rechtbank had de vader niet als belanghebbende aangemerkt in de procedure over verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, maar slechts als informant.

De vader ging in hoger beroep tegen deze beslissing en stelde dat hij wel belanghebbende is. Het hof overwoog dat de vader de minderjarige in 2022 erkend heeft en sindsdien juridisch vader is. Er is sprake van family life tussen vader en kind, ondanks het feit dat het contact sinds opname van de vader in een penitentiaire inrichting is verminderd. Het contact wordt sinds april 2026 via videobellen onderhouden en de omgangsregeling wordt door de gecertificeerde instelling (GI) begeleid en uitgebreid.

Het hof concludeerde dat de vader door de ondertoezichtstelling rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt, omdat de GI de regie voert over de omgangsregeling. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en bepaalde dat de vader als belanghebbende moet worden aangemerkt in de procedure over de ondertoezichtstelling.

Uitkomst: Het hof bepaalt dat de vader als belanghebbende moet worden aangemerkt in de procedure over de ondertoezichtstelling van zijn minderjarige kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.366.450
zaaknummer rechtbank Overijssel 337869
beschikking van 11 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. E. Uijt de Boogaardt
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI)
die gevestigd is in Hengelo (Overijssel)
en
[belanghebbende1](de moeder)
die woont in [woonplaats2] ,
en
[belanghebbenden2](de grootouders moederszijde),
die woont in [woonplaats3] .

1.Samenvatting

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2018. De moeder heeft alleen het gezag over [de minderjarige] . De rechtbank Overijssel, locatie Almelo (hierna: de rechtbank), heeft de vader niet als belanghebbende aangemerkt in deze fase van de procedure over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De rechtbank heeft de vader als informant aangemerkt. Het hof beslist dat de vader wel belanghebbende is en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
[de minderjarige] is sinds 12 december 2024 onder toezicht van de GI gesteld. Bij diezelfde beschikking is een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in het netwerkpleeggezin van de grootouders moederszijde. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] in de beschikking van 8 december 2025 verlengd tot 12 december 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerkpleeggezin verlengd tot 12 december 2026.
2.2
Op 9 april 2026 heeft dit hof een beschikking gegeven over onder meer de omgangsregeling (200.360.759). Het hof heeft bepaald dat de vader en [de minderjarige] minimaal eenmaal per maand omgang met elkaar hebben via videobellen en dat onder regie van de GI invulling wordt gegeven aan eventuele verdere uitbreiding van de omgang (duur, frequentie, begeleiding, fysieke vorm).

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De GI heeft de rechtbank verzocht om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
De vader heeft de rechtbank verzocht om hem in deze procedure als belanghebbende aan te merken. De rechtbank heeft bepaald dat de vader in deze fase van de procedure niet als belanghebbende wordt aangemerkt.
3.3.
Ook die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 8 december 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met die beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. De vader wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en hem alsnog als belanghebbende aanmerkt.
4.2.
De GI is het eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift op 6 maart 2026
  • het verweerschrift van de GI
  • een bericht namens de vader van 2 april 2026
  • een bericht namens de vader van 20 april 2026
  • een bericht namens de vader van 1 mei 2026.
4.4.
Het bericht met bijlage namens de vader van 1 mei 2026 heeft het hof op 8 mei 2026, dus na de mondelinge behandeling, ontvangen.
4.5.
De mondelinge behandeling bij het hof was op 7 mei 2026. Aanwezig waren:
  • mr. Uijt de Boogaardt namens de vader
  • twee vertegenwoordigers van de GI.
4.6.
De vader had verzocht om digitaal te mogen deelnemen aan de mondelinge behandeling. Dat verzoek heeft het hof toegewezen. Op de mondelinge behandeling is het echter niet gelukt om een digitale verbinding tot stand te brengen met de PI waar de vader verblijft. De advocaat van de vader heeft het hof desgevraagd medegedeeld dat de mondelinge behandeling wel kon worden voortgezet omdat zij de vader ter zitting kon vertegenwoordigen. Hierop heeft het hof beslist de mondelinge behandeling ondanks de afwezigheid van de vader door te laten gaan.

5.Het oordeel van het hof

5.1.
Onder belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. [1] De door internationale verdragen beschermde rechten worden, voor zover een burger zich daarop rechtstreeks kan beroepen, gerekend tot deze bedoelde rechten en verplichtingen. Dit geldt bijvoorbeeld voor een beroep op het recht op respect voor ‘family life’. [2]
5.2.
Het hof overweegt als volgt. De vader heeft [de minderjarige] – na vervangende toestemming van de rechtbank – in 2022 erkend. Sindsdien is de vader niet alleen de biologische vader, maar ook de juridische vader van [de minderjarige] . In dezelfde procedure over de erkenning heeft de vader de rechtbank verzocht om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige] . In de tijdlijn die door de GI is ingediend [3] , staat onder meer dat:
  • de omgang tussen [de minderjarige] en de vader in juni 2023 opgestart zal worden bij [naam1] (22 mei 2023);
  • de omgangsregeling een mooie start heeft gemaakt en de omgang aangepast wordt van een volledig begeleide omgang naar ook één uur onbegeleide omgang (oktober 2023).
  • de omgang tussen [de minderjarige] en vader is opgestart bij [naam1] en goed verloopt (november 2023);
  • de raad voor de kinderbescherming concludeert dat de ouders met hulpverlening gewerkt hebben aan het vormgeven van de omgangsregeling, beide ouders aangaven dat [de minderjarige] geniet van het contact met vader en dat zij de wens hebben om uiteindelijk toe te werken naar een voor [de minderjarige] passende omgangsregeling met vader (maart 2024);
  • de ouders aangeven aan dat de omgang goed verloopt, dat [de minderjarige] het leuk vindt om naar de vader te gaan (mei 2024).
Er is dus zowel begeleide als onbegeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] geweest. Het hof is van oordeel dat hierdoor family life is ontstaan tussen de vader en [de minderjarige] . Op dit moment verblijft de vader in de PI in [plaats1] en is hij in afwachting van een plek bij een TBS kliniek. Sindsdien is het contact tussen de vader en [de minderjarige] beperkter. Sinds de beslissing van dit hof van 9 april 2026 zal [de minderjarige] één keer per maand via videobellen contact hebben met de vader. Dat het contact tussen [de minderjarige] en de vader anders is dan voorheen maakt naar het oordeel van het hof niet dat het family life tussen de vader en [de minderjarige] is doorbroken.
5.3.
Het hof betrekt in zijn overweging dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] nu juist als doel binnen de ondertoezichtstelling wordt meegenomen [4] en dat het hof in zijn beschikking van 9 april 2026 de GI de regie heeft gegeven om – naast het videobellen – invulling te geven aan een eventuele verdere uitbreiding van de omgang. Op de mondelinge behandeling heeft de GI aan het hof verteld dat zij ook de planning van de omgang regelt.
5.4.
Het hof is van oordeel dat nu de GI zich bezighoudt met de uitvoering van de omgangsregeling en is belast met de regie over de eventuele uitbreiding hiervan, de vader door de ondertoezichtstelling rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. Het hof zal de vader daarom alsnog als belanghebbende aanmerken.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 december 2025 en bepaalt dat de vader in de procedure over de ondertoezichtstelling als belanghebbende dient te worden aangemerkt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, L.D.M. Rubens-Snijders en L.R. Davila Talavera, en is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 798 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
2.Artikel 8 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)
3.Verweerschrift, bijlage 2
4.Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing, rechtbank Overijssel, locatie Almelo, 8 december 2025, zaaknummer 337869