ECLI:NL:GHARL:2026:3770

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
200.367.989/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 9 Brussel II-terArt. 12 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 11 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 128 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsingsverzoek tegen beëindiging gezamenlijk gezag en toewijzing gezag aan vader

In deze civiele zaak staat het geschil tussen de ouders over het gezag over hun minderjarige kind centraal. De rechtbank Gelderland had het gezamenlijk gezag beëindigd en het gezag aan de vader toegekend, met een omgangsregeling voor de moeder. De moeder was met het kind naar het buitenland vertrokken, wat door de vader niet werd geaccepteerd.

De moeder verzocht het hof om de onmiddellijke werking van deze beschikking te schorsen. Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat het kind haar gewone verblijfplaats in Nederland had ten tijde van de procedure. De moeder voerde nieuwe feiten aan, waaronder een deels gegrond verklaarde klacht tegen het raadsrapport en een buitenlandse uitspraak over het verblijf van het kind, maar het hof vond deze onvoldoende om van de beschikking af te wijken.

Het hof maakte een belangenafweging en concludeerde dat het belang van de vader bij onmiddellijke uitvoering zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij schorsing. De moeder had onvoldoende onderbouwd waarom schorsing noodzakelijk zou zijn. Het verzoek tot schorsing werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek van de moeder tot schorsing van de onmiddellijke werking van de beschikking die het gezag aan de vader toekent, wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.367.989-02
(zaaknummer rechtbank Gelderland 440926)
beschikking van 11 juni 2026 op het verzoek tot schorsing
inzake
[appellante],
wonende te [woonplaats1] , [land] ,
verzoekster, verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E. Gürcan,
en
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder, verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.A.H. Vullings.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor de procedure in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 maart 2026, uitgesproken onder zaaknummer 440926.
2. De procedure in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met bijlagen 0 tot en met 12, ingekomen op 11 april 2026;
-het verweerschrift in de schorsingszaak;
- een journaalbericht namens de moeder van 20 mei 2026 met bijlagen 13 tot en met 16; en
- een journaalbericht namens de moeder van 23 mei 2026 met bijlage 17.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 1 juni 2026 plaatsgevonden. De vader was aanwezig met zijn advocaat. De moeder is niet naar de mondelinge behandeling gekomen, maar namens haar is haar advocaat verschenen.
2.3
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Vullings pleitaantekeningen voorgedragen en namens de vader bezwaar gemaakt tegen de namens de moeder ingediende journaalberichten met bijlagen van 20 en 23 mei 2026. Volgens de vader hadden de stukken eerder kunnen worden ingediend en wordt hem door het (wederom) laat indienen van stukken de mogelijkheid ontnomen daar goed op te reageren.
Het hof is het eens met de vader dat de stukken eerder hadden kunnen worden ingediend door de moeder. Hoewel de stukken deels met inachtneming van de tien-dagentermijn zijn ingediend, houdt het hof echter rekening met deze stukken omdat de vader kennis heeft kunnen nemen van die bijlagen, nu zijn advocaat blijkens haar spreekaantekeningen zich heeft voorbereid op een verweer tegen - onder meer - die stukken.

3.De kern van de zaak

3.1
In deze zaak gaat het over de vraag of, zoals de moeder heeft verzocht, de onmiddellijke werking van de bestreden beschikking voor zover de vader bij die beschikking alleen met het ouderlijk gezag over [mindejarige] is belast, dient te worden geschorst.
3.2
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
- [mindejarige] , geboren [in] 2023 in [geboorteplaats] . De vader heeft [mindejarige] erkend. De ouders oefenden tot aan de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag uit over [mindejarige] .
3.3
Op [-] is de moeder met [mindejarige] naar [land] vertrokken, waar zij sindsdien verblijven.
3.4
De rechtbank Gelderland heeft bij beschikking van 24 januari 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld, voor de duur van de bodemprocedure. De beslissing over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de vervangende toestemming voor verhuizing is aangehouden.
3.5
Bij beschikking van 8 mei 2025 heeft de rechtbank Gelderland de beslissing over het hoofdverblijf, het gezag, de zorgregeling, de vervangende toestemming voor verhuizing en de kinderalimentatie aangehouden in afwachting van een onderzoek door de raad.
3.6
Bij beschikking van 2 oktober 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het
verzoek van de moeder afgewezen om alsnog de door haar gevraagde provisionele
voorzieningen over de toevertrouwing van [mindejarige] en vervangende toestemming voor het
verblijf met [mindejarige] in [land] toe te wijzen.
3.7
Bij beschikking van 11 november 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
de beschikking van de rechtbank van 24 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het
hof onderworpen, vernietigd en aan de vader vervangende toestemming verleend voor
deelname door [mindejarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma dan wel een door het
consultatiebureau opgesteld gepersonaliseerd programma voor het vaccineren van [mindejarige] . Ook
is als voorlopige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat
[mindejarige] om de veertien dagen een weekend van vrijdag 15:00 uur tot zondag 18:30 uur bij de
vader verblijft en dat de vakanties en feestdagen gelijkelijk tussen de ouders worden
verdeeld. Het meer of anders verzochte heeft dit hof afgewezen.
3.8
Bij beslissing van 26 december 2025 heeft de rechtbank in [stadsnaam] , [land] , bepaald
dat de overbrenging van [mindejarige] naar [land] door de moeder niet ongeoorloofd is. Ook is het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [mindejarige] naar Nederland afgewezen. De vader is tegen die uitspraak in [land] in hoger beroep gegaan.
3.9
Op 28 januari 2026 heeft de raad rapport uitgebracht.
3.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank Gelderland, voor zover hier van belang, in de bodemzaak beslist dat het gezamenlijk gezag van de ouders wordt beëindigd en bepaald dat het gezag over [mindejarige] wordt uitgeoefend door de vader. Ook is een omgangsregeling vastgesteld voor het moment dat [mindejarige] is teruggekeerd in Nederland en voor zolang [mindejarige] nog in [land] verblijft. De hiervoor genoemde beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de uitspraak kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld.
3.11
Bij beslissing van 23 maart 2026 is het hoger beroep van het OM en de vader door het Gerechtshof in [stadsnaam] afgewezen. De vader heeft tegen die beslissing cassatie ingesteld.

4.Het oordeel van het hof over het verzoek tot schorsing

Bevoegdheid Nederlandse rechter
4.1
Het hof dient allereerst te beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek in hoger beroep.
4.2
Gezag is een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid en valt daarmee onder het toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter). Gelet op artikel 7 lid 1 en Pro artikel 9 Brussel Pro II-ter zijn ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Op het moment van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg had [mindejarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland. Zij heeft tot het moment dat de moeder haar ongeoorloofd meenam naar het buitenland, steeds in Nederland verbleven. Het enkele feit dat moeder met [mindejarige] naar het buitenland is vertrokken en daar nu enige tijd verblijft kan niet meebrengen dat de gewone verblijfplaats van [mindejarige] nu daar is. Temeer nu de vader niet berust niet in het verblijf van [mindejarige] in [land] en de moeder en [mindejarige] nog steeds staan ingeschreven op het adres van de vader. Gelet op vorenstaande heeft de Nederlandse rechter dan ook rechtsmacht.
Toepasselijk recht
4.3
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven tegen gericht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Litispendentie
4.4
De moeder heeft een beroep gedaan op de zogenoemde exceptie litispendentie van artikel 12 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De regeling van dat artikel ziet op de situatie dat er tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp in Nederland én in een ander land een procedure aanhangig is. Als de buitenlandse procedure eerder aanhangig is gemaakt dan die in Nederland en de uitspraak van de buitenlandse rechter in Nederland voor erkenning of, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging vatbaar is, kan de Nederlandse rechter de behandeling van de bij hem aangebrachte zaak aanhouden totdat door de buitenlandse rechter is beslist. Zodra blijkt dat de buitenlandse uitspraak voor erkenning dan wel tenuitvoerlegging vatbaar is, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. De litispendentieregeling beoogt te voorkomen dat er gelijktijdig twee procedures tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp worden gevoerd, hetgeen inefficiënt is en het gevaar van tegenstrijdige uitspraken in zich bergt.
4.5
Uit de artikelen 11,12 en 128, derde lid, Rv volgt dat de exceptie van onbevoegdheid en de exceptie van litispendentie moeten worden opgeworpen voor alle weren ten gronde. Zowel bij de rechtbank als bij het hof heeft de moeder dit niet tijdig gedaan, daargelaten dat de grief van moeder, ook als zij wel voor alle andere grieven was opgeworpen (en niet zoals nu als grief 9) volgens vaste jurisprudentie niet kan slagen, nu de rechtbank al een inhoudelijke beslissing gegeven nadat zij had geoordeeld dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van art. 12 Rv Pro. [1] Het beroep in hoger beroep van de moeder op het bepaalde in artikel 12 Rv Pro faalt dan ook.
Schorsingsverzoek
4.6
Hoger beroep schorst de werking van een beschikking, tenzij die beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid Pro 2, tweede volzin, Rv kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
4.7
De rechtbank heeft de beslissing tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de verzoeker om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid eveneens schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.
4.8
Dat sprake is (geweest) van een duidelijke fout of vergissing in de beschikking van de rechtbank is gesteld noch gebleken.
Nieuwe feiten
4.9
De moeder stelt dat zich een nieuw feit heeft aangediend omdat haar klacht tegen het raadsrapport na de bestreden beschikking deels gegrond is verklaard, waardoor - zo begrijpt het hof de moeder - de houdbaarheid aan dat rapport en daarmee de grondslag van de beslissing van de rechtbank, is ontvallen. Daarnaast heeft het hof in [land] volgens de moeder geoordeeld dat zij en [mindejarige] niet terug hoeven naar Nederland, wat ook maakt dat de bestreden beschikking moet worden geschorst. De vader voert verweer en stelt dat hetgeen de moeder aanvoert geen nieuwe feiten zijn die tot een andere beslissing van de rechtbank hadden kunnen leiden.
Het hof is van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten die maken dat van de bestreden beschikking moet worden afgeweken. In de klachtenprocedure tegen de raad is de moeder in het gelijk gesteld waar het haar klacht betreft dat in het raadrapport een expliciete (over)weging voor wat betreft door beide ouders geuite zorgen over signalen van intieme terreur en - vooral – tot welke inzichten het onderzoek en de expertise van de raad ten aanzien van dit onderwerp hebben geleid ontbreekt. De raad zal dit bij brief nader aanvullen. Het hof leest echter in de beschikking van de rechtbank dat de beslissing niet volledig is gebaseerd op het raadsrapport en de signalen over intieme terreur. De belangrijkste overwegingen van de rechtbank zagen op het gegeven dat de moeder de vader niet, althans onvoldoende, betrekt bij en informeert over gezagsbeslissingen over [mindejarige] die zij in [land] neemt. De vader kan in de huidige situatie op geen enkele wijze invloed uitoefenen op de verzorging en opvoeding van [mindejarige] en de te nemen gezagsbeslissingen. De afloop van de klachtenprocedure en de beslissing van het hof in [land] over teruggeleiding maken niet dat van de bestreden beschikking moet worden afgeweken.
Belangenafweging
4.1
Het hof is van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd waarom haar belang om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan zwaarder weegt dan het belang van de vader om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Voor zover de moeder aanvoert dat eenhoofdig gezag van de vader er toe zal leiden dat noodzakelijke medische behandelingen van [mindejarige] in [land] niet door kunnen gaan, heeft de vader dat gemotiveerd betwist. De vader wordt immers nergens bij betrokken en de moeder voert geheel haar eigen koers. Anders dan de moeder aanvoert leidt de bestreden beschikking ook niet tot de situatie dat de vader nu [mindejarige] kan overbrengen naar Nederland. De cassatieprocedure over de teruggeleiding loopt nog in [land] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Gürcan ook nog namens de moeder aangevoerd dat het rust geeft als de beslissing wordt geschorst. Dit standpunt is niet nader onderbouwd.
De vader voert aan dat als de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst dit voor de moeder aanleiding zal zijn het contact tussen hem en [mindejarige] verder te beperken en dat zij de uitspraak zal gebruiken in de lopende cassatiezaak in [land] . Om zijn positie in de procedure in [land] niet te ondergraven heeft de vader er belang bij dat het hof de beslissing van de rechtbank niet zal schorsen.
Het hof is gelet op wat hiervoor is overwogen van oordeel dat de moeder onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie te rechtvaardigen dat zij een groter belang heeft bij schorsing van de werking van de beschikking dan de vader bij uitvoering ervan.
4.11
Het verzoek van de moeder om de werking van de bestreden beschikking te schorsen wordt afgewezen.

5.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, R. Feunekes en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door de griffier, en is op 11 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.