Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3708

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.360.016/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:401 lid 4 BWArt. 2.1.2 Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: nihilstelling per datum uithuisplaatsing kind

De man en vrouw zijn ouders van een minderjarig kind geboren in 2016. Na hun relatiebreuk woonde het kind aanvankelijk bij de vrouw, waarna het onder toezicht kwam te staan en later bij de man werd ingeschreven. De rechtbank had in 2022 de kinderalimentatie van de man aan de vrouw op nihil gesteld en de vrouw een bijdrage opgelegd.

De vrouw verzocht vervolgens om nihilstelling van de kinderalimentatie per 1 april 2022 op grond van onjuiste of onvolledige gegevens, maar het hof oordeelde dat zij onvoldoende financiële gegevens had overgelegd om dit te onderbouwen. Wel werd een relevante wijziging van omstandigheden vastgesteld vanwege de uithuisplaatsing van het kind per 16 januari 2024.

Het hof besloot daarom de kinderalimentatie per die datum op nihil te stellen, maar de eerdere bijdrage tot die datum in stand te laten. Verzoeken tot kwijtschelding van achterstanden werden afgewezen. De beschikking van de rechtbank van 1 juli 2025 werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze aanpassingen.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt per 16 januari 2024 op nihil gesteld vanwege uithuisplaatsing van het kind, terwijl het verzoek tot nihilstelling per 1 april 2022 wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.016/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 591992)
beschikking van 9 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont op een geheim te houden adres,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. P. de Haan te Almere,
en
[verweerster](de vrouw),
die woont op een geheim te houden adres,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. J.A. Wesdorp te Almere.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 1 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 30 september 2025;
- een journaalbericht namens de man van 24 november 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een brief namens de man van 9 april 2026 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 22 april 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw hebben een relatie gehad en zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016, over wie zij sinds 30 oktober 2025 weer gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Na het uiteengaan van partijen woonde [de minderjarige] aanvankelijk bij de vrouw.
3.2
Bij beschikking van 24 juni 2020 is bepaald dat de man met ingang van 11 januari 2019 € 170,- per maand aan kinderalimentatie dient te betalen aan de vrouw.
3.3
[de minderjarige] staat sinds 15 december 2020 (voorlopig) onder toezicht van [naam1] .
3.4
[de minderjarige] staat sinds 8 februari 2022 op het adres van de man ingeschreven.
3.5
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft op 1 april 2022, voor zover hier van belang, de beschikking van 24 juni 2020 gewijzigd en de opgelegde bijdrage van de man per 1 januari 2022 op nihil gesteld en bepaald dat de vrouw met ingang van 18 februari 2022 € 170,- per maand aan de man moet betalen als bijdrage voor [de minderjarige] .
3.6
Bij beschikking van 23 mei 2023 heeft dit hof de beschikking van de rechtbank van
1 april 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen (de beslissing over de kinderalimentatie), bekrachtigd en de vrouw veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
3.7
Bij beschikking van 16 januari 2024 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, bij haar opa en oma, verleend met ingang van 16 januari 2024 tot 30 januari 2024. De maatregel is daarna steeds verlengd.

4.Het geschil

4.1
Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- bestreden beschikking heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikking van 1 april 2022, de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 april 2022 op nihil bepaald. De rechtbank heeft verder bepaald dat de man de door de vrouw te veel betaalde kinderalimentatie niet aan haar hoeft terug te betalen dan wel dat de vrouw de ontstane achterstand niet meer aan de man hoeft te betalen.
4.2
De man is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 juli 2025.
Hij verzoekt het hof om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog te bepalen dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen, althans een passende bijdrage vast te stellen met ingang van een datum en een bedrag als het hof redelijk acht.
Het betoog van de man in hoger beroep komt er in de kern op neer dat de vrouw ten onrechte heeft gesteld, en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat de bij beschikking van 1 april 2022 opgelegde bijdrage nimmer aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan.
4.3
De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof om de grieven van de man in hoger beroep af te wijzen.

5.De overwegingen voor de beslissing

Artikel 1:401 lid 4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
5.1
De vraag die eerst moet worden beantwoord, is of de beschikking van de rechtbank van 1 april 2022 moet worden gewijzigd op grond van artikel 1:401 lid 4 BW Pro omdat die beschikking van aanvang af niet heeft beantwoord aan de wettelijke maatstaven omdat daarbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.2
Bij de toepassing van artikel 1:401 lid 4 BW Pro gaat het om ieder gegeven waarvan achteraf is komen vast te staan dat het bij de rechterlijke uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht een rol had behoren te spelen, maar niet heeft gespeeld of waarvan achteraf is komen vast te staan dat het niet om het juiste gegeven ging, terwijl het juiste of ontbrekende gegeven tot een andere vaststelling van de onderhoudsuitkering op grond van de draagkracht of de behoefte had geleid.
5.3
Het hof stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast van het ontbreken van draagkracht rusten op degene die zich op die grond van een op hem rustende onderhoudsverplichting wil bevrijden. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stelling dat zij destijds geen draagkracht had voor een bijdrage voor [de minderjarige] van € 170,- per maand en dat de door haar aan de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 april 2022 op nihil dient te worden gesteld, mede gelet op de betwisting daarvan door de man, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof verwijst in dit verband naar artikel 2.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven. Hieruit volgt dat in alimentatiezaken, indien de draagkracht wordt betwist, onder meer de volgende financiële informatie moet worden overgelegd:
a. van werknemers en uitkeringsgerechtigden: de meest recente jaaropgave en de drie meest recente loonopgaven en/of uitkeringsspecificaties; b. van een zelfstandige: stukken die inzicht geven in de financiële positie van de ondernemer en zijn onderneming, waaronder die betreffende de bedrijfsvoering in de laatste jaren, zoals in ieder geval de drie laatst vastgestelde jaarrekeningen (…); c. de meest recente aangifte inkomstenbelasting, indien gedaan, met de bijbehorende aanslag; j. een draagkrachtberekening (…). Indien het een wijzigingsverzoek betreft, moet tevens de financiële informatie over de periode waarover wijziging wordt verzocht, worden overgelegd. Het hof constateert dat de door de vrouw overgelegde financiële gegevens niet compleet zijn. Het lag - zoals de man terecht heeft aangevoerd - op de weg van de vrouw om volledig inzicht te geven in haar financiële situatie en haar daarmee samenhangende draagkracht. De vrouw heeft weliswaar de aangiftes Inkomstenbelasting (IB) over de jaren 2021 tot en met 2023, de bijbehorende aanslagen, en de verklaringen geregistreerd inkomen van de Belastingdienst over de jaren 2022 en 2023 in het geding gebracht, maar zij heeft nagelaten om de onderliggende jaarstukken van haar onderneming ( [naam2] ) in te dienen. Uit de stukken blijkt dat de vrouw deze onderneming per 22 augustus 2022 heeft opgeheven. Volgens de aangifte IB 2023 heeft de vrouw in dat jaar een Ziektewetuitkering ontvangen. Hiervan heeft zij geen uitkeringsspecificaties of jaaropgave ingediend. Ook heeft de vrouw nagelaten om een draagkrachtberekening in te dienen.
5.4
Uit het voorgaande volgt dat de vrouw onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar financiële situatie en niet heeft aangetoond dat haar draagkracht ontoereikend was om de bij beschikking van 1 april 2022 vastgestelde kinderalimentatie van € 170,- per maand voor [de minderjarige] te kunnen voldoen. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de bij die beschikking vastgestelde kinderbijdrage van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.5
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat het inleidend verzoek van de vrouw tot wijziging van de door te betalen kinderalimentatie, zoals dat is gegrond op artikel 1:401 lid 4 BW Pro, alsnog dient te worden afgewezen.
Artikel 1:401 lid 1 BW Pro
5.6
Nu de vrouw in haar inleidend verzoek van 7 april 2025 tevens heeft verzocht de aan de man te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang per 1 januari 2024, dan wel per de datum van de indiening van het verzoekschrift, op nihil te stellen, is de vraag of er een grondslag is voor toewijzing van dat verzoek.
Wijziging van een door de rechter vastgestelde of tussen partijen overeengekomen alimentatie is mogelijk als zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Naar het oordeel van het hof is dat het geval omdat [de minderjarige] vanaf 16 januari 2024 uit huis is geplaatst en niet meer bij de man verblijft. Dit betekent dat de man vanaf dan geen (verblijfs)kosten meer voor [de minderjarige] heeft. Het hof is daarom van oordeel dat de door de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 16 januari 2024 op nihil moet worden gesteld. De stelling van de man dat hij ook na 16 januari 2024 nog kosten heeft gemaakt voor [de minderjarige] , namelijk benzinekosten om haar te bezoeken en kosten voor cadeautjes voor [de minderjarige] , kan niet tot een ander oordeel leiden. De man heeft deze kosten niet onderbouwd en niet is gebleken dat hij dergelijke kosten niet kon voldoen uit de kinderbijslag en het kindgebonden budget dat hij voor [de minderjarige] ontving en nog ontvangt.
5.7
Het voorgaande betekent dat de beschikking van de rechtbank van 1 april 2022 in stand blijft voor zover het de periode tot 16 januari 2024 betreft, zodat de vrouw tot dan een bedrag van € 170,- per maand verschuldigd blijft aan de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De man heeft zich in hoger beroep verzet tegen het inleidend verzoek van de vrouw om te bepalen dat zij de ontstane achterstand niet meer aan de man hoeft te betalen. Het hof overweegt dat de vrouw, anders dan de stelling dat de bijdrage van aanvang af niet heeft beantwoord aan de wettelijke maatstaven, geen grondslag heeft aangevoerd voor toewijzing van dat verzoek. Het hof ziet in de uit het dossier gebleken feiten evenmin ambtshalve een grondslag voor toewijzing van dat verzoek. Het hof zal de bestreden beschikking daarom ook in zoverre vernietigen en het verzoek van de vrouw tot kwijtschelding alsnog afwijzen. Tevens zal het hof de beslissing van de rechtbank dat de man de door de vrouw te veel betaalde kinderalimentatie niet aan de vrouw hoeft terug te betalen om doelmatigheidsredenen vernietigen. Een terugbetalingsverplichting van de man is immers niet aan de orde, omdat uit de stukken is gebleken dat de vrouw nooit kinderalimentatie aan hem heeft betaald.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking om doelmatigheidsredenen in zijn geheel vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 1 juli 2025, en opnieuw rechtdoende;
wijzigt de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2016, zoals die was vastgelegd in de beschikking van 1 april 2022, en bepaalt deze bijdrage vanaf 16 januari 2024 op nihil;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. L. Pieters en mr. M.A.L.M. Willems, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 9 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.