Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3707

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.359.748
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:144 lid 1 BWArt. 4:147 lid 2 BWArt. 4:148 BWArt. 4:149 lid 1 sub f BWArt. 4:149 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag executeur-afwikkelingsbewindvoerster wegens gewichtige redenen en tekortkomingen

In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen het ontslag van [verzoekster] als executeur-afwikkelingsbewindvoerster van de nalatenschap van hun moeder. De kantonrechter had het verzoek van [verweerder] tot ontslag toegewezen op grond van gewichtige redenen. Het hof bevestigt dit oordeel.

De feiten tonen dat de verhoudingen tussen [verzoekster] en [verweerder] ernstig verstoord zijn, wat het vertrouwen in de executeur heeft ondermijnd. Daarnaast is de nalatenschap nog niet afgewikkeld, mede door gebrekkige communicatie en nalatige informatievoorziening door [verzoekster]. Ook heeft zij zonder overleg met erfgenamen een deel van de verkoopopbrengst geïnvesteerd in een woning in Turkije, wat niet door het testament werd gedekt.

Het hof oordeelt dat deze omstandigheden gewichtige redenen vormen voor ontslag. De investeringen zijn onvoldoende onderbouwd en het overleg met erfgenamen is niet nageleefd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd. Iedere partij draagt de eigen proceskosten vanwege de familierelatie en het karakter van het geschil.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ontslag van de executeur-afwikkelingsbewindvoerster wegens gewichtige redenen en tekortkomingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.748
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11424362
beschikking van 9 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als verweerster
hierna:
[verzoekster]
advocaat: mr. F.P. van Dalen
tegen:
[verweerder]
die woont in [woonplaats2]
en bij de kantonrechter optrad als verzoeker
hierna:
[verweerder]
advocaat: mr. P. Stehouwer
met als belanghebbende:
[belanghebbende]
die woont in [woonplaats3]
hierna:
[belanghebbende]

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Bij beroepschrift (met bijlagen) van 26 september 2025 is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 juni 2025.
1.2
[verweerder] heeft een verweerschrift in hoger beroep (met bijlagen) ingediend.
1.3
Vervolgens heeft op 23 april 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling maakt deel uit van de processtukken. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof een datum bepaald voor de beschikking.

2.De kern van de zaak

2.1
Het gaat in deze zaak om de benoeming van [verzoekster] als executeur en afwikkelingsbewindsvoerster van de nalatenschap van hun overleden moeder [naam] . [verweerder] heeft de kantonrechter op de voet van artikel 4:149 lid 2 BW Pro verzocht om [verzoekster] te ontslaan als executeur-afwikkelingsbewindvoerster wegens het bestaan van gewichtige redenen. De kantonrechter heeft dat verzoek toegewezen. Het doel van het hoger beroep van [verzoekster] is dat de beschikking van de kantonrechter wordt vernietigd en het ontslag ongedaan wordt gemaakt.
2.2
Het hof vindt dat [verzoekster] moet worden ontslagen als executeur-afwikkelingsbewindvoerster en zal de beschikking van de kantonrechter bekrachtigen. Hierna licht het hof deze beslissing toe, nadat het eerst de voor deze zaak relevante feiten heeft weergegeven.

3.De feiten

3.1
[verzoekster] , [verweerder] en [belanghebbende] zijn, samen met hun in 1999 overleden zus [naam2] (die geen echtgenoot of kinderen heeft achtergelaten) de kinderen van
  • [naam] (hierna: ‘erflaatster’), geboren in [plaats1] [in] 1932 en overleden in [plaats2] [in] 2019, en
  • [naam3] (hierna: ‘de vader’), geboren in [plaats3] [in] 1930 en overleden in Turkije [in] 1994.
3.2
Erflaatster heeft bij testament van 16 april 2019 [verzoekster] benoemd tot uitvaartexecuteur, executeur en afwikkelingsbewindvoerder. In het kader van haar taak als executeur is in het testament bepaald dat de executeur niet verplicht is om over de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking in overleg te treden en daarvoor evenmin toestemming nodig heeft van de erfgenamen. [verzoekster] heeft deze benoemingen aanvaard.
3.3
Erflaatster heeft in haar testament onder meer de volgende twee legaten opgenomen:
  • indien en voor zover [belanghebbende] geen afstand doet van zijn aandeel in het aandeel van erflaatster in het registergoed in Turkije, heeft zij aan [verzoekster] en [naam3] haar aandeel in dit registergoed gelegateerd. Dit betreft het registergoed in Turkije met [adres1] , dat deel uitmaakt van de wegens het overlijden van de vader ontbonden huwelijksgemeenschap van de vader en erflaatster, welk registergoed onverdeeld is gebleven.
  • indien en voor zover uit een gerechtelijke procedure, een vaststellingsovereenkomst of anderszins mocht voortvloeien dat de nalatenschap van haar zus, [naam4] (hierna: ‘ [naam4] ’), nog een vordering heeft op [belanghebbende] , heeft zij haar aandeel (als erfgenaam van haar zus) in die vordering aan [belanghebbende] gelegateerd.
3.4
[verweerder] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Daarbij heeft hij aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie.
3.5
Onderdeel van de nalatenschap betrof daarnaast een woning van erflaatster aan de [adres2] in [plaats2] . Deze woning is in 2020 verkocht door [verzoekster] . De levering van de woning is vertraagd doordat [verweerder] voorafgaand aan de levering conservatoir beslag had gelegd op de woning. Dat beslag is bij vonnis in kort geding van de rechtbank Noord-Nederland van 10 februari 2021 opgeheven. De woning is op 14 februari 2021 aan de kopers geleverd. In een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 12 juli 2023 is [verzoekster] in haar hoedanigheid van executeur veroordeeld tot betaling van de contractueel bedongen boete aan de kopers wegens het te laat leveren van de woning. In hoger beroep heeft dit hof die boete op 10 december 2024 gematigd. De kantonrechter in de rechtbank Gelderland heeft [verweerder] op 12 februari 2025 veroordeeld tot betaling van een bedrag ter hoogte van deze boete (vermeerderd met wettelijke rente), omdat het door hem gelegde conservatoir beslag onrechtmatig werd geacht.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1
[verzoekster] komt in haar beroepschrift met vier bezwaren (‘grieven’) op tegen de beschikking van de kantonrechter, welke bezwaren het hof hierna zal behandelen tegen de achtergrond van het navolgende wettelijke kader.
Wettelijk kader
4.2
De executeur heeft ingevolge artikel 4:144 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) de taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan. Artikel 4:147 lid 2 BW Pro bepaalt dat een executeur over de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking zoveel mogelijk in overleg treedt met de erfgenamen, tenzij de erflater anders heeft beschikt. Artikel 4:148 BW Pro bepaalt dat de executeur aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn of haar taak geeft.
4.3
Op grond van artikel 4:149 lid 1 sub f BW Pro eindigt de taak van een executeur wanneer deze door de kantonrechter wordt ontslagen. Artikel 4:149 lid 2 BW Pro bepaalt dat het ontslag onder andere wordt verleend als sprake is van gewichtige redenen.
Zijn er gewichtige redenen voor het gevraagde ontslag?
4.4
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat gewichtige redenen het ontslag van [verzoekster] als executeur rechtvaardigen. De verhoudingen tussen [verzoekster] als executeur en [verweerder] als erfgenaam zijn ernstig verstoord, waardoor [verweerder] geen vertrouwen meer heeft in het optreden van [verzoekster] . Dit wantrouwen is naar het oordeel van het hof objectief gestaafd, mede gelet op de moeizame communicatie vanuit [verzoekster] , de gebrekkige en mede gezien de communicatie tussen [verzoekster] en [verweerder] uit maart 2025 zelfs nalatige informatievoorziening door [verzoekster] en het tijdsverloop tussen het overlijden van erflaatster en heden. In al die tijd is de nalatenschapsboedel nog niet afgewikkeld en is nog geen taxatie opgemaakt van de woning in Turkije. [verzoekster] heeft onvoldoende aangetoond dat de afwikkeling van de nalatenschapsboedel door [verweerder] onmogelijk is gemaakt of is vertraagd. Daarvoor is in ieder geval onvoldoende dat [verweerder] conservatoir beslag heeft gelegd en dat meerdere procedures zijn gevoerd.
4.5
Naast het ernstige gebrek aan vertrouwen van de erfgenaam in de executeur mede gebaseerd op het feit dat de nalatenschap nog niet is afgewikkeld - wat op zichzelf als een gewichtige reden kan worden aangemerkt - is het hof van oordeel dat [verzoekster] verder is tekortgeschoten in haar uitvoerende taken als executeur. Vaststaat dat zij een deel van de verkoopopbrengst van de woning in [plaats2] heeft geïnvesteerd in de woning in Turkije, zonder [verweerder] daarvan op de hoogte te stellen. In het testament is in afwijking van artikel 4:147 lid 2 BW Pro bepaald dat de executeur over de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking niet in overleg hoeft te treden met de erfgenamen en geen toestemming hiervoor nodig heeft. Dit gaat echter niet zover dat de executeur de opbrengst van een te gelde gemaakt goed in een ander goed kan investeren, zonder de erfgenamen bij die keuze te betrekken. [verzoekster] heeft aangevoerd dat de investeringen nodig waren voor het behoud van de woning in Turkije, maar dat laat onverlet dat [verweerder] hierbij betrokken had moeten worden, mede gelet op de in het testament opgenomen verplichting om over uitoefening van bevoegdheden en rechten over de woning zoveel mogelijk met de legataris ( [verweerder] ) in overleg te treden. Daarbij heeft [verzoekster] de noodzaak voor de investering, zeker gezien de waarde die de woning in Turkije volgens haar heeft, niet voldoende onderbouwd.
4.6
Het hof is dus van oordeel dat sprake is van gewichtige redenen in de zin van artikel 4:149 lid 2 BW Pro wegens een geobjectiveerd gebrek aan vertrouwen en het door [verzoekster] niet voldoen aan haar uitvoerende taken als executeur. Om die reden kan de beslissing van de kantonrechter om [verzoekster] als executeur te ontslaan in stand blijven.
De conclusie
4.7
Het hoger beroep slaagt niet. Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen broer en zus zijn en dit geschil ziet op de afwikkeling van de nalatenschapsboedel van hun moeder.
4.8
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 juni 2025;
5.2
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, M.W. Zandbergen en K.H.P. Selcraig, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.