ECLI:NL:GHARL:2026:3704

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.360.216
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:5 BWArt. 1:206 BWArt. 1:253c lid 1 BWArt. 1:277b lid 1 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging gezags- en geslachtsnaamregeling met vaststelling informatieregeling onder opschortende voorwaarde

De man heeft bij de rechtbank verzocht om het ouderlijk gezag over de minderjarige te verkrijgen, de geslachtsnaam van de minderjarige te wijzigen en een zorg- of omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank wees deze verzoeken af, vernietigde de erkenning door de stiefvader en verleende de man vervangende toestemming om de minderjarige te erkennen. De achternaam van de minderjarige bleef ongewijzigd.

In hoger beroep bevestigt het hof deze beslissingen. Het hof oordeelt dat de achternaamwijziging niet in het belang is van de minderjarige, die haar huidige achternaam als onderdeel van haar sociale identiteit beschouwt en deze wenst te behouden. Het gezamenlijke gezag wordt afgewezen omdat de man onvoldoende contact en zicht heeft op de ontwikkeling van de minderjarige.

Wel wordt een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder de man maandelijks schriftelijk informeert over belangrijke aangelegenheden betreffende de minderjarige, onder de opschortende voorwaarde dat de man de minderjarige erkent. De overige verzoeken van de man worden afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de rechtbankbeslissing over gezag en geslachtsnaam en stelt een informatieregeling vast onder opschortende voorwaarde van erkenning door de man.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.216
zaaknummer rechtbank Gelderland 438088b
beschikking van 9 juni 2026
over de geslachtsnaam, het ouderlijk gezag en de informatieregeling
in de zaak van
[appellant](de man)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. S. Karami
en
[geïntimeerde](de moeder)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. B.J. Driessen
en
[belanghebbende](de oma (mz))
die woont in [woonplaats3]
advocaat: mr. W.G. Kuster-van de Ven
en
mr. J.G. Kalk(de bijzondere curator)
die kantoor houdt in Nijmegen
in de hoedanigheid van bijzondere curator van [minderjarige]
en
[belanghebbende1]( [belanghebbende1] )
die woont in [woonplaats4]
en
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Nijmegen(de ambtenaar van de burgerlijke stand)
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
als adviseur van het gerechtshof

1.Samenvatting

De rechtbank heeft de verzoeken van de man om de geslachtsnaam van [minderjarige] te wijzigen en de man te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven. Het hof zal het verzoek van de man over de informatieregeling onder een opschortende voorwaarde toewijzen. Het hof legt hierna uit waarom het hof zo beslist.

2.De feiten

2.1.
De man en de moeder hebben in 2017 een affectieve relatie gehad.
2.2.
[minderjarige] is het kind van de moeder. [minderjarige] is [in] 2018 geboren.
2.3.
De moeder is [in] 2021 getrouwd met [belanghebbende1] . Het huwelijk is [in] 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2.4.
[belanghebbende1] heeft [minderjarige] met toestemming van de moeder erkend.
2.5.
De moeder heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de oma (mz).
2.6.
Het [naam ziekenhuis] heeft op bevel van de rechtbank (bij beschikking van 31 januari 2025) een DNA-onderzoek gedaan. Hieruit blijkt dat de man met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader is van [minderjarige] .
2.7.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de erkenning door [belanghebbende1] vernietigd en de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De man heeft de rechtbank verzocht te worden belast met het ouderlijk gezag, zodat de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag zullen uitoefenen over [minderjarige] , een zorgregeling/omgangsregeling vast te stellen zoals door hem verwoord en te bepalen dat de geslachtsnaam van [minderjarige] zal worden gewijzigd naar [achternaam man] of een beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt.
3.2.
De moeder heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de man om de achternaam te wijzigen, in die zin dat [minderjarige] zijn achternaam verkrijgt af te wijzen, te bepalen dat [minderjarige] de achternaam van de moeder verkrijgt, het verzoek van de man om partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten af te wijzen, het verzoek van de man met betrekking tot de zorgregeling/omgangsregeling af te wijzen en partijen voor de begeleide omgang door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod en anders (
subsidiair) de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag aan te houden en de raad te vragen een onderzoek te doen en een zorgregeling/omgangsregeling te bepalen die de rechtbank juist vindt.
3.3.
De rechtbank heeft de erkenning door [belanghebbende1] van [minderjarige] vernietigd, de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen, verstaan dat de achternaam van [minderjarige] [belanghebbende1] zal blijven en het meer of anders verzochte afgewezen. Ten aanzien van de verzoeken over de omgangsregeling geldt dat de rechtbank daarover heeft overwogen dat daar bij afzonderlijke beschikking wordt beslist.
3.4.
Die beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 9 juli 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De man is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank over de achternaamwijziging en het gezag. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof die beslissingen van de rechtbank ongedaan maakt en de geslachtsnaam van [minderjarige] wijzigt naar ‘ [achternaam man] ’, ‘ [achternaam man-moeder] ’, ‘ [achternaam moeder - man] ’ of ‘ [achternaam moeder] ’ en dat het hof de man mede belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Daarnaast wil de man dat het hof bepaalt dat de moeder de man met ingang van de datum van de beschikking tenminste eenmaal per maand schriftelijk zal informeren over de gewichtige aangelegenheden betreffende onderwijs, medische zaken, financiële zaken en juridische zaken met betrekking tot [minderjarige] of dat het hof een beslissing neemt die het hof juist vindt.
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat het hof niet zal ingaan op de verzoeken van de man in hoger beroep die zien op de omgang, omdat de beslissing over de omgangsregeling geen onderdeel is van de beschikking van 9 juli 2025 waartegen de man hoger beroep heeft ingesteld.
4.2.
De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat en het aanvullende verzoek van de man over het vaststellen van een informatieregeling afwijst.
4.3.
De bijzondere curator is het ook eens met de beslissing van de rechtbank over de achternaamwijziging. Zij wil dat het hof die beslissing van de rechtbank in stand laat.
4.4.
De oma (mz) is het eveneens eens met de beslissing van de rechtbank over het gezag. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
4.5.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 8 oktober 2025
  • het verweerschrift van de moeder
  • het verweerschrift van de bijzondere curator over de achternaamwijziging
  • het verweerschrift van de oma (mz) over het gezag
4.6.
[minderjarige] heeft op 11 mei 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van haar achternaam.
4.7.
De zitting bij het hof was op 12 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de man met mr. A. Azauiyat, een waarnemer van zijn advocaat
  • de moeder met haar advocaat
  • de oma (mz) met haar advocaat
  • de bijzondere curator
  • een vertegenwoordiger van de raad

5.Het oordeel van het hof

Geslachtsnaam
Wat staat in de wet?
5.1.
Nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad. [1]
5.2.
In artikel 1:5 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) is bepaald hoe een kind een geslachtsnaam verkrijgt. Als een kind twee juridische ouders heeft, geeft de wet voor de geslachtsnaam van dat kind keuzemogelijkheden. Het is aan de ouders om een keuze te maken, die zij tot uitdrukking brengen door daarover gezamenlijk een verklaring af te leggen op specifieke door de wet genoemde momenten, zoals bij de aangifte van de geboorte van een kind, bij de erkenning van een kind of bij de adoptie van een kind. Als de ouders geen keuze maken, bepaalt dit artikel welke geslachtsnaam het kind zal dragen door middel van een zogeheten ‘vangnetnorm’.
Hoe oordeelt het hof?
5.3.
De rechtbank heeft besloten dat de achternaam van [minderjarige] niet wijzigt bij de vernietiging van de erkenning. De rechtbank heeft dat als volgt toegelicht.
6.8.
De rechtbank merkt op dat de vernietiging van de erkenning van [minderjarige] , nadat de beschikking houdende de vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, terugwerkende kracht heeft op grond van artikel 1:206 BW Pro en dat daarmee de heer [belanghebbende1] juridisch nooit de vader van [minderjarige] is geweest. Op grond van artikel 1:5 eerste Pro lid BW krijgt [minderjarige] dan de geslachtsnaam van de moeder.
6.9.
Het naamrecht is dwingend recht. Het naamrecht valt daarnaast echter ook onder de bescherming van artikel 8 EVRM Pro. [minderjarige] heeft op grond van dit artikel recht op eerbiediging van haar privé-, familie- en gezinsleven. Ook heeft zij er recht op dat de Staat daarin een positieve houding aanneemt voor zover dat niet in strijd komt met de openbare orde. Indien onverkorte toepassing van het Nederlandse naamrecht in dit geval een onaanvaardbare inbreuk zou vormen op deze rechten van [minderjarige] , kan de rechtbank het Nederlandse naamrecht buiten toepassing laten.
6.10.
[minderjarige] gebruikt - voor zover zij dat zelf weet - al haar hele leven de naam ‘ [achternaam stiefvader] ’. Deze achternaam maakt daarmee onderdeel uit van haar sociale identiteit. Op school en ook op andere plaatsen kent iedereen haar als [minderjarige] . Het veroorzaakt verwarring voor [minderjarige] als zij zich op school opeens op een andere manier moet identificeren. In een periode die toch al de nodige onduidelijkheid meebrengt, is dit niet in het belang van [minderjarige] . Daarnaast heeft zij op dit moment dezelfde achternaam als haar (half)broertjes. De familieband die zij onderling hebben wordt hiermee bevestigd. Wijziging van haar achternaam zal ook in dit opzicht veel onrust en onduidelijkheid geven. Immers, zij is dan de enige van de broers en zussen met een andere achternaam. Tot slot komt in haar achternaam de band tot uitdrukking die zij met haar stiefvader (de heer [belanghebbende1] ) heeft. Hoewel er juridisch gezien bij de vernietiging van de erkenning van uit wordt gegaan dat er nooit sprake is geweest van verwantschap, is de feitelijke situatie een andere: [minderjarige] heeft jarenlang onderdeel uitgemaakt van het gezin van haar moeder, de heer [belanghebbende1] en haar twee jongere (half)broertjes. De moeder en de heer [belanghebbende1] staan achter dit verzoek. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat wijziging van de achternaam van [minderjarige] een onaanvaardbare inbreuk maakt op het recht van [minderjarige] op bescherming van haar identiteit en familieleven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 1:5 BW Pro in dit geval buiten toepassing moet blijven. Dit betekent dat de achternaam van [minderjarige] niet wijzigt bij de (vernietiging van) de erkenning.
Het hof kan zich vinden in de door de rechtbank gegeven motivering. Het hof neemt die motivering na eigen onderzoek over en voegt daar het volgende aan toe.
5.4.
Tijdens het gesprek van [minderjarige] met een raadsheer en een griffier van het hof heeft [minderjarige] haar wens om de geslachtsnaam [achternaam stiefvader] te behouden benadrukt. Zij heeft in dat kader laten weten dat zij [minderjarige] is en dat zij het belangrijk vindt dat zij dezelfde achternaam houdt als haar broertjes. [minderjarige] groeit hoofdzakelijk op bij haar oma (mz) en voelt geen of minder verbinding met de achternaam van de moeder en van de man. Sinds het moment dat de moeder [minderjarige] heeft verteld dat [belanghebbende1] niet haar biologische vader is, is er een verwarrende periode voor [minderjarige] aangebroken. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft benadrukt verandert er op dit moment veel in het leven van [minderjarige] . De rust die het behoud van de achternaam [achternaam stiefvader] voor [minderjarige] met zich brengt, is voor haar dan ook van groot belang. De geslachtsnaam maakt onderdeel uit van de sociale identiteit van [minderjarige] en [minderjarige] heeft belang bij het behouden van die identiteit. Dat [minderjarige] , zoals is gebleken, op dit moment nauwelijks meer contact heeft met [belanghebbende1] , maakt dit niet anders.
5.5.
De man heeft zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat [minderjarige] in de toekomst last zou kunnen krijgen van het behouden van de achternaam [achternaam stiefvader] en dat dit tot identiteitsverwarring zou kunnen leiden. Hij maakt zich daar zorgen over. In dat kader merkt het hof op dat als [minderjarige] in de toekomst last krijgt van het feit dat zij de achternaam [achternaam stiefvader] heeft, dit op dat moment mogelijk aanleiding kan zijn om haar achternaam te veranderen. Voor nu geldt dat het belang van [minderjarige] met zich brengt dat zij de achternaam [achternaam stiefvader] behoudt. Dat het behouden van de achternaam [achternaam stiefvader] , zoals de man stelt, tot praktische problemen kan leiden en verwarring kan veroorzaken over de familierechtelijke relatie tussen de man en [minderjarige] , heeft de man onvoldoende onderbouwd. Het hof benadrukt in dat kader dat het in de praktijk vaker voorkomt dat een kind een andere achternaam heeft dan (een van) zijn of haar ouders zonder dat dit tot problemen en/of verwarring leidt.
De grief van de man slaagt niet.
(Gezamenlijk) gezag
Wat staat in de wet?
5.6.
De tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, kan de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Als het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen als
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. [2]
Hoe oordeelt het hof?
5.7.
De man heeft inmiddels al lange tijd geen contact met [minderjarige] . Als gevolg daarvan heeft de man onvoldoende zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] en op wat zij nodig heeft. De man heeft tijdens de zitting ook laten weten dat hij het beeld van [minderjarige] dat naar voren komt uit het gesprek dat [minderjarige] had met de raadsheer van het hof niet herkent. Gelet hierop kan de man op dit moment geen wezenlijke invulling geven aan het gezag en niet te verwachten is dat daar binnen afzienbare tijd verandering in komt. Gezamenlijk gezag is dan ook niet in het belang van [minderjarige] .
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de raad het onderzoek naar de omgangsregeling inmiddels heeft afgerond, maar dat er nog geen zitting is geweest waarop de mogelijkheden ten aanzien van de omgang zijn besproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad in dat kader laten weten dat het advies van de raad is om partijen door te verwijzen naar begeleide omgang en de definitieve beslissing over de omgang met negen maanden aan te houden.
Ook deze grief van de man slaagt niet.
Informatieregeling
Wat staat in de wet?
5.8.
De ouder die met het gezag is belast is gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. Op verzoek van een ouder kan de rechter daarvoor een regeling vaststellen. [3]
Met ‘ouder’ is bedoeld diegene die de juridische vader of moeder van het kind is. Biologisch ouderschap alleen is onvoldoende.
Hoe oordeelt het hof?
5.9.
De man vraagt het hof een informatieregeling vast te stellen waarbij de moeder de man tenminste eenmaal per maand schriftelijk zal informeren over de gewichtige aangelegenheden over onderwijs, medische zaken, financiële zaken en juridische zaken met betrekking tot [minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder laten weten bereid te zijn om informatie over [minderjarige] aan de man te verstrekken. Het hof vindt het mede gelet op eventuele toekomstige omgang tussen de man en [minderjarige] ook in het belang van [minderjarige] dat de man informatie over haar zal krijgen. Dit zodat de man tijdens omgangsmomenten beter in staat zal zijn om bij haar aan te sluiten. Het hof zal dit verzoek van de man dan ook toewijzen, met dien verstande dat het hof daar een opschortende voorwaarde aan zal verbinden.
5.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] nog niet is erkend door de man, zodat op dit moment nog niet voldaan is aan de in artikel 1:277b lid 1 BW gestelde voorwaarden voor het opleggen van een informatieverplichting. Gelet hierop zal het hof het verzoek van de man tot het vaststellen van een informatieregeling toewijzen onder de opschortende voorwaarde dat de man [minderjarige] heeft erkend, in die zin dat een ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van erkenning heeft opgemaakt.
5.11.
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof op dat het de moeder vrijstaat om ook voor de erkenning al informatie over [minderjarige] aan de man te verstrekken.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 9 juli 2025 over het gezag en de geslachtsnaam;
6.2.
stelt een informatieregeling vast waarbij de moeder de man iedere eerste van de maand schriftelijk informeert over de gewichtige aangelegenheden over onderwijs, medische zaken, financiële zaken en juridische zaken met betrekking tot [minderjarige] , onder de opschortende voorwaarde dat de man [minderjarige] heeft erkend, in die zin dat een ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van erkenning heeft opgemaakt;
6.3.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, M.L. van der Bel en L.R. Davila Talavera, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:206 BW Pro
2.artikel 1:253c lid 1 BW
3.artikel 1:377b lid 1 BW