ECLI:NL:GHARL:2026:3702

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.364.342
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging voorlopige omgangsregeling tussen vader en kinderen ondanks verstoorde samenwerking met jeugdbescherming

De vader en moeder zijn ouders van twee minderjarige kinderen die onder toezicht staan van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel (GI). De moeder heeft het gezag en de kinderen wonen bij haar. De vader verzocht de rechtbank om een uitgebreide omgangsregeling, maar de rechtbank stelde een voorlopige omgangsregeling vast van één uur per week onder begeleiding van een door de GI aan te wijzen instantie.

Zowel de GI als de vader gingen in hoger beroep tegen deze beslissing. De GI wilde een andere voorlopige omgangsregeling, terwijl de vader een bijzondere curator wilde benoemen om de omgang te begeleiden en een opbouwende omgangsregeling wilde. De moeder steunde het beroep van de GI en wilde het verzoek van de vader afwijzen.

Het hof oordeelde dat er sprake was van een relevante wijziging van omstandigheden, waaronder het feit dat de kinderen al lange tijd geen omgang hadden met de vader en dat de verhouding tussen de vader en de GI verstoord was. Desondanks bekrachtigde het hof de voorlopige omgangsregeling van de rechtbank en wees het verzoek van de vader om een bijzondere curator af. Het hof benadrukte dat het op de GI ligt om in overleg met de vader een begeleider te zoeken en gaf de GI in overweging om een andere GI aan te vragen vanwege de verstoorde samenwerking en de licht verstandelijke beperking van de vader.

De beschikking van de rechtbank blijft daarmee van kracht, ondanks dat de omgang nog niet daadwerkelijk plaatsvindt. Het hof benadrukte het belang van omgang en de noodzaak van actieve inzet van de GI om deze mogelijk te maken.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de voorlopige omgangsregeling van één uur per week onder begeleiding en wijst het verzoek tot wijziging en benoeming van een bijzondere curator af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.342
(zaaknummer rechtbank Overijssel 336956)
beschikking van 9 juni 2026
over de voorlopige omgangsregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI)
die is gevestigd in Hengelo (O)
en
[geïntimeerde](de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. S.L. Geeraths
en
[belanghebbende](de moeder)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
als adviseur van het hof

1.Samenvatting

De rechtbank heeft een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader een uur per week omgang heeft met [minderjarige1] en [minderjarige2] en de omgang door een door de GI aan te wijzen instantie wordt begeleid. Het hof beslist dat dit zo moet blijven. Het hof zal de verzoeken van de vader om een opbouwende omgangsregeling vast te stellen en een bijzondere curator te benoemen om de omgang te begeleiden afwijzen. Het hof legt hierna uit waarom het hof zo beslist.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige1] en [minderjarige2] . [minderjarige1] is [in] 2016 geboren en [minderjarige2] is [in] 2018 geboren.
2.2.
De moeder heeft het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen wonen bij de moeder.
2.4.
De kinderen staan sinds 8 juni 2023 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt nog tot 8 juni 2026.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vader heeft de rechtbank verzocht een omgangsregeling vast te stellen waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader zijn, welke omgangsregeling wordt opgebouwd onder regie van de jeugdbeschermer, of een beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt.
3.2.
De rechtbank heeft een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader een uur per week omgang heeft met [minderjarige1] en [minderjarige2] en de omgang door een door de GI aan te wijzen instantie wordt begeleid. De beslissing over de definitieve omgangsregeling heeft de rechtbank voor zes maanden aangehouden.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 9 december 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De GI is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en een voorlopige omgangsregeling vaststelt die nader wordt ingevuld door de GI en anders een omgangsregeling te bepalen die het hof, rekening houdend met de veiligheid, ontwikkelingsbehoeften en wensen van [minderjarige1] en [minderjarige2] , juist vindt.
4.2.
De vader is het ook niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt, mevrouw mr. B.E.A. Lamping als bijzondere curator benoemt en een omgangsregeling vaststelt waarin wordt bepaald dat de vader recht heeft op een omgangsregeling van één uur per week bij hem thuis onder begeleiding van de bijzondere curator. Deze regeling moet na anderhalve maand als volgt worden uitgebreid; de vader haalt onder begeleiding van de bijzondere curator de kinderen op van school en de kinderen verblijven tot 17.30 uur bij de vader, waarbij de kinderen onder begeleiding van hulpverlening van de vader naar de moeder gaan. Vervolgens wordt de regeling onder regie van de bijzondere curator uitgebreid tot een weekendregeling van eens per veertien dagen van vrijdag naar school tot maandag naar school.
4.3.
De moeder is het eens met het verzoek in hoger beroep van de GI. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en het verzoek van de vader in hoger beroep afwijst.
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 28 januari 2026;
  • het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep van de vader;
  • het verweerschrift van de moeder in het incidenteel hoger beroep;
  • het verweerschrift van de GI in het incidenteel hoger beroep.
4.5.
De volgende stukken:
  • het verweerschrift van de vader in reactie op het verweerschrift van de moeder;
  • het stuk van de moeder ingediend op 11 mei 2026
zijn geweigerd, omdat de moeder geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld waarop de vader nog schriftelijk mocht reageren en omdat het stuk van de moeder zonder noodzaak de dag voor de mondelinge behandeling is ingediend.
4.6.
[minderjarige1] en [minderjarige2] zijn uitgenodigd te vertellen wat zijn vinden van de voorlopige omgangsregeling. Zij zijn niet naar het gesprek met de rechter gekomen.
4.7.
De zitting bij het hof was op 12 mei 2026. Aanwezig waren:
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de raad.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechter kan op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. [1]
Hoe oordeelt het hof?
Wijziging van omstandigheden
5.2.
Naar het oordeel van het hof is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de omgangsregeling rechtvaardigt. Er is al lange tijd geen omgang tussen de vader en de kinderen. Gebleken is dat partijen het er niet over eens zijn of de vader heeft voldaan aan de door de GI in het kader van de omgang gestelde voorwaarden en dat de verhouding tussen de vader en de GI inmiddels zodanig is verstoord dat een goede samenwerking niet langer mogelijk lijkt. Daar komt bij dat [minderjarige1] recent heeft aangegeven haar vader te willen zien. Het hof ziet hierin voldoende aanleiding voor een herbeoordeling van de omgangsregeling.
De voorlopige omgangsregeling
5.3.
De vader verzoekt het hof in incidenteel hoger beroep om een definitieve omgangsregeling vast te stellen. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank echter een voorlopige omgangsregeling vastgesteld en de beslissing over de definitieve omgangsregeling aangehouden. Dat betekent dat in hoger beroep enkel de voorlopige omgangsregeling voorligt, zodat het hof niet toekomt aan een beoordeling van het verzoek van de vader voor zover het de vaststelling van een definitieve omgangsregeling betreft.
5.4.
De rechtbank heeft de beslissing over de definitieve zorgregeling zes maanden aangehouden. Deze termijn loopt begin juni af. Dit betekent dat de rechtbank binnenkort opnieuw naar de omgangsregeling zal kijken. Het hof ziet in wat in hoger beroep is aangedragen geen aanleiding om in de tussentijd anders te beslissen over de voorlopige zorgregeling. Daarbij vindt het hof van belang dat alle partijen het erover eens zijn dat het belangrijk is dat er omgang komt tussen de vader en de kinderen, dat [minderjarige1] heeft laten weten haar vader te willen zien en dat in beginsel van een rechter kan worden verwacht dat hij aanwijzingen geeft over frequentie en duur van de omgang. De beslissing van de rechtbank zal dan ook in stand blijven (worden bekrachtigd). Dat geldt ook voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de omgang moet worden begeleid door een door de GI aan te wijzen instantie. Het hof zal het verzoek van de vader in incidenteel hoger beroep om een bijzondere curator te benoemen om de omgang te begeleiden dan ook afwijzen. Naar het oordeel van het hof ligt het op de weg van de GI om in overleg met de vader een begeleider van de omgang te zoeken.
5.5.
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de door de rechtbank vastgestelde voorlopige omgangsregeling niet wordt uitgevoerd en dat er tot op heden dan ook geen omgang plaatsvindt tussen de vader en de kinderen. Hoewel de vader zegt dat hij er alles aan wil doen om de kinderen te zien, is het voor hem naar eigen zeggen niet mogelijk om (opnieuw) met de GI in gesprek te gaan over (de voorwaarden voor) de omgang. Daar komt bij dat partijen het er niet over eens zijn of er op dit moment op een voor de kinderen veilige manier omgang kan plaatsvinden tussen de vader en de kinderen. Volgens de GI is het de vader de afgelopen jaren niet gelukt om verandering te brengen in de bestaande situatie, zodat er van omgang geen sprake kan zijn. Zo stelt de GI zich op het standpunt dat de vader moet laten zien dat hij betrouwbaar is en hulpverlening moet accepteren om te werken aan zijn emotieregulatie. Tijdens de mondelinge behandeling is in dat kader besproken of de GI, mede gelet op de licht verstandelijke beperking van de vader, niet te veel van de vader vraagt. Het hof is van oordeel dat van de GI mag worden verwacht dat zij zich in het belang van de kinderen actief inzet om de omgang tussen de vader en de kinderen mogelijk te maken en dat dit ook met zich kan brengen dat zij de vader indien nodig actief ondersteunt en begeleidt in het vinden van de benodigde hulpverlening om die omgang in de toekomst mogelijk te maken. Dit is de GI de afgelopen jaren echter niet gelukt. Voor het hof is voldoende duidelijk dat de verhouding tussen de GI en de vader inmiddels zodanig verstoord is dat een goede samenwerking ook niet langer mogelijk lijkt. Gelet op de huidige situatie, waarbij er de afgelopen jaren geen omgang tot stand is gekomen, de verhouding tussen de GI en de vader inmiddels is verstoord en is gebleken dat bij de vader sprake is van een licht verstandelijke beperking, geeft het hof de GI in overweging om bij de kinderrechter een wijziging van GI, met name naar de William Schrikker Stichting, te verzoeken.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 9 december 2025 over de voorlopige omgangsregeling;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.R. Davila Talavera, J.U.M. van der Werff en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:377e BW