Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3699

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.351.635
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 BWArt. 1:404 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen nihilstelling kinderalimentatie wegens verjaring en draagkracht

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin de man verzocht had om de kinderalimentatie vanaf 5 augustus 2009 op nihil te stellen, met als grond verjaring en gewijzigde draagkracht. De rechtbank had de alimentatie voor een deelperiode op nihil gesteld en een lage bijdrage vastgesteld vanaf september 2024.

In hoger beroep hebben zowel de vrouw en kinderen als de man grieven ingediend, waarbij de vrouw en kinderen de verjaring betwisten en de draagkracht van de man aanvechten, terwijl de man ook de behoefte van de kinderen betwist. Het hof oordeelt dat de verjaring niet in deze procedure hoeft te worden beoordeeld, omdat er geen executiegeschil is.

De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de behoefte van de kinderen lager was dan de vastgestelde alimentatie en heeft zijn draagkracht niet overtuigend onderbouwd. Zijn financiële situatie is onduidelijk, met ontbrekende stukken over inkomsten en faillissementen. Het hof concludeert dat de man niet heeft aangetoond dat hij niet in staat was om de alimentatie te betalen.

Daarom vernietigt het hof de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de man af. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man om kinderalimentatie vanaf 5 augustus 2009 op nihil te stellen af wegens onvoldoende bewijs van gewijzigde draagkracht en behoefte.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.351.635 en 200.351.674
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 578072, 578074 en 578070)
beschikking van 9 juni 2026
inzake
[appellante1] (de vrouw)
[appellant2] ( [appellant2])
[appellant3] ( [appellant3] )
die wonen in [woonplaats1]
(hierna gezamenlijk ook: de vrouw en de kinderen)
advocaat mr. D.E. Oud
en
[geïntimeerde] (de man)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: eerst mr. E.J. Robert, nu mr. D.I.A. Schröder

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 28 november 2024, uitgesproken onder de hiervoor genoemde zaaknummers (de bestreden beschikking), hersteld bij beschikking van 24 januari 2025.

2.Het geding in hoger beroep

in de zaak met zaaknummer 200.351.635
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift van de vrouw en de kinderen, ingekomen op 22 februari 2025, met bijlagen
- het verweerschrift van de man
- een bericht van de vrouw en de kinderen van 27 maart 2026 met bijlagen
in de zaak met zaaknummer 200.351.674
2.2
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift van de man, ingekomen op 26 februari 2025, met bijlagen
- het verweerschrift van de vrouw en de kinderen
- een journaalbericht van de man van 20 maart 2026 met bijlagen
in beide zaken
2.3
De eerste mondelinge behandeling bij het hof was op 9 september 2025. Aanwezig waren:
- de vrouw en [appellant3] ;
- de man bijgestaan door zijn advocaat.
Omdat de advocaat van de vrouw en [appellant3] niet aanwezig kon zijn is de mondelinge behandeling aangehouden.
2.4
De tweede mondelinge behandeling bij het hof was op 31 maart 2026. Aanwezig waren:
- de vrouw en [appellant3] bijgestaan door hun advocaat;
- de man bijgestaan door zijn advocaat.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [appellant2] , geboren [in] 2004, en [appellant3] , geboren [in] 2005.
3.2
Bij beschikking van 5 augustus 2009 heeft de rechtbank Utrecht bepaald dat de
man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 500,- per kind per maand (verder ook: kinderalimentatie) moet voldoen. De man heeft destijds geen verweer gevoerd.

4.De omvang van het geschil

4.1
De man heeft op 27 juni 2024 een verzoek bij de rechtbank ingediend om de kinderalimentatie op nihil te stellen met ingang van 5 augustus 2009.
De rechtbank heeft de door de man te betalen kinderalimentatie gewijzigd voor de volgende twee periodes:
- voor de periode 18 maart 2016 tot en met 31 december 2020 is de kinderalimentatie op nihil gesteld;
- met ingang van september 2024 is een bijdrage vastgesteld op € 25,- per kind per maand.
Verder heeft de rechtbank bepaald dat de man de bijdrage voor [appellant2] vanaf [datum1] 2022 rechtstreeks aan [appellant2] en de bijdrage van [appellant3] vanaf [datum2] 2023 rechtstreeks aan [appellant3] moet betalen (in plaats van aan de vrouw).
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
in de zaak met zaaknummer 200.351.635
4.2
De vrouw, [appellant3] en [appellant2] zijn met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Grief 1 ziet op de verjaring en de grieven 2 en 3 op de draagkracht van de man.
De vrouw en de kinderen verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen.
4.3
De man voert verweer en vraagt het hof de verzoeken van de vrouw en de kinderen in hoger beroep af te wijzen.
in de zaak met zaaknummer 200.351.674
4.4
De man is ook met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Grief 1 ziet op de verjaring, grief 2 op de behoefte van de kinderen en grief 3 op de draagkracht van de man. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking deels te vernietigen en te bepalen dat de vorderingen die zien op de periode tussen 5 augustus 2009 en december 2019 zijn verjaard en de door hem te betalen bijdrage over de periode van 1 januari 2021 tot september 2024 op nihil te stellen.
4.5
De vrouw voert verweer en vraagt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel zijn verzoeken in hoger beroep af te wijzen en een beslissing te geven over de kosten van de procedure.

4.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof zal de grieven in beide procedures (gezamenlijk) per onderwerp beoordelen.
verjaring
5.2
De vrouw en de kinderen stellen in hun eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de alimentatievordering over de periode van 5 augustus 2009 tot 18 maart 2016 is verjaard en de man heeft hiertegen verweer gevoerd.
De man stelt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verjaringstermijn op 18 maart 2021 is gestuit.
5.3
Het hof is van oordeel dat de vraag of de alimentatievordering van de vrouw en de kinderen is verjaard niet hoeft te worden beantwoord in deze procedure. In deze zaak gaat het over de vraag wat de omvang is van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vanaf 5 augustus 2009. De man vraagt nihilstelling van de kinderalimentatie vanaf 5 augustus 2009 en in dat kader moeten zijn stellingen over de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders worden beoordeeld.
Er is ook geen verklaring voor recht verzocht dat de vorderingen van de vrouw en de kinderen zijn verjaard in deze procedure. Pas wanneer de vrouw en de kinderen de gerechtelijk vastgestelde kinderalimentatie gaan innen kan een (executie)geschil ontstaan over de vraag of (een deel van) de alimentatievordering is verjaard.
Het voorgaande brengt mee dat de grieven die betrekking hebben op de verjaring van de kinderalimentatie niet slagen.
wat in de wet staat
5.4
Een ouder is verplicht financieel bij te dragen aan de verzorging en opvoeding van zijn kind (artikel 1:392 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)). Op grond van artikel 1:404 lid 1 BW Pro zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Hieruit volgt dat onderhoudsverplichting wordt begrensd door de behoefte van de kinderen enerzijds en anderzijds door de draagkracht van de ouders.
behoefte van de kinderen in 2009
5.5
De tweede grief van de man heeft betrekking op de behoefte van de kinderen. Hij betwist dat de kinderen in 2009 behoefte hadden aan een bijdrage van € 500,- per kind per maand. Daarom heeft de destijds vastgestelde kinderalimentatie volgens de man van meet af aan niet voldaan aan de wettelijke maatstaven.
De man stelt dat de behoefte van de kinderen op basis van zijn inkomen in 2010 van € 30.000,- bruto per jaar en een geschat inkomen van de vrouw van € 18.000,- bruto per jaar € 406,- per kind per maand bedraagt.
5.6
De vrouw en de kinderen betwisten de door de man gestelde inkomens en stellen dat het inkomen van de vrouw in ieder geval hoger was. De vrouw en de kinderen wijzen erop dat de man nog steeds niet met verifieerbare stukken onderbouwt hoe hoog de inkomens destijds exact waren.
5.7
Het hof is van oordeel dat de man in hoger beroep opnieuw niet heeft aangetoond wat de mate van welstand (namelijk het netto gezinsinkomen) was waarin partijen leefden in de periode voordat zij uit elkaar gingen. De man wil een wijziging van de eerder vastgestelde kinderalimentatie dus de stelplicht rust op hem. Inkomensgegevens over 2009 en de jaren daarvoor heeft de man niet overgelegd en dat komt voor zijn rekening en risico. Dat de kinderen geen behoefte hebben aan de eerder vastgestelde bijdrage heeft de man niet aannemelijk gemaakt. De grief van de man over de behoefte faalt daarom.
draagkracht van de man
5.8
De tweede en de derde grief van de vrouw en de kinderen en de derde grief van de man hebben betrekking op het inkomen van de man waarop zijn draagkracht om kinderalimentatie te kunnen betalen moet worden gebaseerd.
De man stelt dat de rechtbank in 2009 is uitgegaan van onjuiste gegevens bij het bepalen van zijn draagkracht, zodat de bijdrage voor de kinderen ook om die reden van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. De bewijslast rust op dit punt eveneens op de man. Partijen verschillen van inzicht over de hoogte van het inkomen van de man sinds 2009 dat in aanmerking moet worden genomen.
5.9
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat hij niet precies meer weet hoe zijn arbeidsverleden is verlopen. In 2009 werkte hij in een bouwmarkt met een arbeidsovereenkomst. Hij verdiende toen ongeveer € 1.100,- per maand. Vervolgens is hij gaan werken als vertegenwoordiger van verfspullen en dat is fout gelopen. De betalingen waar hij recht op had werden niet aan hem uitbetaald. Wat de man voor werk deed in 2010 en daarna kan hij zich niet meer precies herinneren. Hij is een aantal jaren later voor zichzelf begonnen. Derden hebben flink geïnvesteerd in zijn bedrijf. Eerst noemt de man dat het om miljarden gaat, maar later geeft hij in reactie op een opmerking van de advocaat van de vrouw aan dat het om een bedrag van zes, dan wel vier ton ging. Zijn bedrijf is vervolgens failliet gegaan. De man zegt dat hij als kunstenaar een ander soort leven heeft geleid dan de meeste mensen doen: ‘Dan leef je gewoon en heb je ook niet veel geld nodig.’
Het hof heeft de man voorgehouden dat hij wel had kunnen werken. Juist omdat hij kinderen had voor wie moest worden gezorgd en die behoefte hadden aan een bijdrage in de kosten van hun opvoeding en verzorging. De man heeft hierop geantwoord dat hij dat onzin vindt. Er is volgens de man veel gebeurd tussen hem en de vrouw en ‘dan ga je gewoon verder met je leven’. De vrouw en de kinderen zijn destijds verhuisd en verbleven op een voor hem geheim adres. Zij hebben zich pas na vijftien jaar weer gemeld om geld bij hem te halen. Er moet ook rekening mee worden gehouden dat hij zijn kinderen vijftien jaar niet heeft gezien, vindt de man.
De advocaat van de man heeft hierop aangevuld dat de man niet wist dat hij een bijdrage voor de kinderen moest betalen en dat hij anders andere keuzes zou hebben gemaakt. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat hij alle jaren een laag inkomen heeft gehad en niet in staat was om de kinderalimentatie te voldoen. De vrouw
5.1
In reactie hierop voert de advocaat van de vrouw aan dat de man ook nog een derde zoon heeft en dat deze zoon ook financiële steun nodig had. Uit het feit de man aan deze zoon wel een financiële bijdrage heeft voldaan, kan worden afgeleid dat de man wist dat hij ook een onderhoudsverplichting voor [appellant2] en [appellant3] had.
De man heeft sinds 2009 voldoende verdiencapaciteit gehad om kinderalimentatie te kunnen betalen. Er moet geen rekening mee worden gehouden dat man ervoor koos een kunstenaarsleven te willen leiden.
5.11
Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende stukken in de procedure bij de rechtbank en het hof heeft overgelegd om zijn draagkracht te kunnen vaststellen. De stellingen van de man over zijn financiële situatie geven geen duidelijk beeld. Een chronologisch overzicht van zijn werkzaamheden en verdiensten ontbreekt. De man heeft belastingaangiften en inkomensverklaringen van de belastingdienst overgelegd, maar aanslagen en andere stukken ontbreken. Onduidelijk is waar de man de door hem bij de belastingdienst aangeleverde cijfers op heeft gebaseerd. Deze stukken van de belastingdienst vormen daarom onvoldoende bewijs.
Dit geldt vooral omdat het inkomen van de man door de belastingdienst over een aantal jaren op nihil is gesteld. Onduidelijk is waarvan de man in die jaren heeft geleefd. Stukken van de ondernemingen die de man zegt te hebben gehad ontbreken. De man stelt dat hij heeft geleefd van geld van investeerders, maar hoe groot deze investeringen waren is onbekend. De man stelt dat zijn onderneming failliet is verklaard, maar stukken hieromtrent (zoals faillissementsverslagen) ontbreken eveneens.
Van de man wordt gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen verwacht dat hij zich inspant om inkomsten te verwerven om in hun kosten te kunnen bijdragen. Het gaat om inkomsten die de man in redelijkheid kan verwerven. Niet gebleken is dat de man zich voldoende heeft ingespannen om zijn verdiencapaciteit te benutten; onduidelijk blijft ook hoe hij dat heeft gedaan.
Sinds september 2024 ontvangt de man een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. De man heeft echter niet gesteld dat hij niet in staat is om inkomsten te verwerven. Niet gebleken is dat hij arbeidsongeschikt is, of dat er andere redenen zijn waarom hij geen inkomsten kan verwerven. Uit de door de man overlegde stukken blijkt dat hij sinds enige tijd wordt bijgestaan door Budgetbeheer van de gemeente [gemeentenaam] . De man heeft geen inzicht gegeven in de reden hiervoor en de wijze van invulling van het beheer.
Het hof is van oordeel dat uit de door de man overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat hij te weinig inkomen heeft genoten dan wel kon verwerven om de eerder vastgestelde kinderalimentatie te betalen en dat dit ook nu nog steeds het geval is. Dit maakt dat de man zijn stelling dat de rechtbank destijds bij het vaststellen van de kinderalimentatie is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de grief van de vrouw en de kinderen slaagt. Dit leidt ertoe dat het verzoek van de man bij de rechtbank om de kinderalimentatie te wijzigen door het hof alsnog wordt afgewezen.
5.12
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat de procedure de bijdrage van de man aan de kinderen betreft.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in zaaknummers 200.351.635 en 200.351.674
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 28 november 2024, hersteld bij beschikking van 24 januari 2025, en opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de man om de kinderalimentatie voor [appellant2] en [appellant3] met ingang van 5 augustus 2009 op nihil te stellen alsnog af;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door de griffier, en is op 9 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.