Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3697

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.361.062
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n lid 1 en 2 BWArt. 1:251a lid 1 BWArt. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377e BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gezag, zorgregeling en kinderalimentatie na echtscheiding

De moeder en vader zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het gezag over drie minderjarige kinderen die bij de moeder wonen. De rechtbank had de vader verplicht kinderalimentatie te betalen vanaf 29 juli 2025 en het verzoek van de moeder tot eenhoofdige gezagsverlening en ontzegging omgangsrecht afgewezen.

In hoger beroep verzoekt de moeder het gezag eenhoofdig aan haar toe te wijzen, het omgangsrecht van de vader te ontzeggen, de kinderalimentatie met terugwerkende kracht te verhogen en betaling van de helft van de kinderbijslag. Het hof bevestigt het gezamenlijk gezag omdat onvoldoende bewijs is voor misbruik of mishandeling en het belang van de kinderen bij contact met de vader. Het verzoek tot ontzegging omgangsrecht wordt afgewezen omdat eerst psychologisch onderzoek nodig is.

De kinderalimentatie wordt vernietigd en opnieuw vastgesteld met ingang van 20 oktober 2023, met een oplopend bedrag van €119 tot €263 per kind per maand, rekening houdend met wettelijke indexeringen en aflossing van schulden. De moeder draagt haar eigen proceskosten. De overige verzoeken worden afgewezen.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking over kinderalimentatie en stelt nieuwe bedragen vast, bevestigt het gezamenlijk gezag en wijst het verzoek tot ontzegging omgangsrecht af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.062
(zaaknummer rechtbank Overijssel 304357)
beschikking van 9 juni 2026
inzake
[verzoekster],
wonende in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur,
en
[verweerder],
wonende in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam] ,
verweerder in het hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.J.M.H. Orgel.
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Hengelo (O),
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 7 november 2023 en 29 juli 2025, uitgesproken onder zaaknummer 304357. De beschikking van 29 juli 2025 wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 oktober 2025;
- het verweerschrift met producties;
- journaalberichten namens de moeder van 16 maart 2026, 24 maart 2026, 3 april 2026, 7 april 2026, 10 april 2026 en 13 april 2026 met productie(s) en stukken uit de eerste aanleg;
- journaalberichten namens de vader van 2 april 2026, 3 april 2026 en 10 april 2026 met productie(s).
2.2
De minderjarigen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn uitgenodigd om hun mening te geven over het hoger beroep. [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] hebben aan het hof laten weten dat zij geen gesprek willen en ook geen brief willen schrijven.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder en haar advocaat;
- de vader en zijn advocaat.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn gehuwd geweest. Het huwelijk is op 19 januari 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2009;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2013;
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2016.
De ouders zijn samen belast met het gezag over de kinderen, die allen bij de moeder wonen.
3.3
De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft in de echtscheidingsbeschikking van 23 december 2021 bepaald dat het tussen de ouders op respectievelijk 18 januari 2021 en 19 januari 2021 gesloten convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
3.4
De ouders hebben in het ouderschapsplan een co-ouderschapsregeling afgesproken, waarbij de kinderen in de even weken bij de moeder verblijven en in de oneven weken bij de vader. Het overdrachtsmoment vindt elke week plaats op vrijdag om 17.30 uur. Verder hebben de ouders afgesproken, gezien de co-ouderschapsregeling, dat ieder de eigen kosten draagt voor de momenten dat de kinderen bij hem/haar verblijven en dat zij over en weer geen bijdrage in de kosten van de kinderen voldoen.
3.5
Tussen de vader en de kinderen is sinds juni 2023 geen contact meer.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen ouders zijn in geschil het gezag over de kinderen, de zorg-/omgangsregeling, de kinderalimentatie en de kinderbijslag.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier relevant, door de rechtbank:
- bepaald dat de vader met ingang van 29 juli 2025 een bedrag van € 135.- per kind per
maand moet betalen aan de moeder, als kinderalimentatie;
  • beslist dat de vader vanaf 29 juli 2025 deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
  • het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezag van de vader, het verzoek tot betaling door de vader van de helft van de ten onrechte ontvangen kinderbijslag en het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie, afgewezen.
Verder is iedere beslissing over de zorg- en contactregeling aangehouden.
4.2
De moeder is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank en komt daarom in hoger beroep. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen:
I. dat zij belast zal worden met het eenhoofdige gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ;
II. dat aan de vader het recht op omgang met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] wordt ontzegd;
III. dat de vader de bijdrage in het levensonderhoud van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , verschuldigd is met ingang van 1 juli 2023, subsidiair 7 november 2023;
IV. dat de vader een bijdrage van € 577,- per kind per maand, steeds bij vooruitbetaling, zal
voldoen;
V. dat de vader de helft van de kinderbijslag aan haar moet betalen, tot op heden een bedrag van € 2.841,07.
4.3
De vader is het wel eens met de beslissingen van de rechtbank. Hij wil dat het hof die beslissingen in stand laat.

5.De motivering van de beslissing

Positie GI
5.1
Het hof heeft de GI opgeroepen als informant en niet als belanghebbende, omdat uit de beschikking van dit hof van 3 juli 2025 blijkt dat de GI destijds heeft verklaard dat het hoofddoel van de ondertoezichtstelling niet is om contactherstel tussen de kinderen en de vader te bereiken, in welk geval de GI belanghebbende zou (kunnen) zijn, maar om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen zoveel mogelijk weg te nemen door gepaste hulpverlening voor de kinderen in te kunnen zetten, zowel in de situatie dat de vader terecht is beschuldigd van seksueel misbruik, als in de situatie waarin de vader ten onrechte is beschuldigd en de kinderen mogelijk door de moeder zijn beïnvloed. De GI zal dus ook geen afschrift van deze beschikking ontvangen.
Hoor en wederhoor
5.2
De moeder voert als eerste grief aan dat zij in de procedure bij de rechtbank niet in de gelegenheid is gesteld om haar standpunt kenbaar te maken over de na de mondelinge behandeling bij de rechtbank door de vader - met haar toestemming - overgelegde rapportage van het Landelijk Expertisebureau Zeden en de beschikking van dit hof van 3 juli 2025.
5.3
Het hof overweegt als volgt. Voor zover inderdaad het recht op hoor en wederhoor van de moeder is geschonden, geldt dat een dergelijk verzuim in hoger beroep kan worden hersteld door haar alsnog in de gelegenheid te stellen haar standpunt toe te lichten (zie o.a. Hoge Raad 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1991). De moeder heeft in hoger beroep haar standpunt zowel mondeling als schriftelijk kunnen toelichten, zodat hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Hetzelfde geldt voor de vader die ook zijn standpunt niet aan de rechtbank kenbaar heeft gemaakt met betrekking tot door hem ingediende stukken.
Het gezag
5.4
De moeder stelt zich in haar tweede grief op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek om haar te belasten met het eenhoofdige gezag over de kinderen heeft afgewezen, welke beslissing volgens de moeder in strijd is met artikel 31, lid 1, van
het Verdrag van Istanbul [1] en artikel 19 IVRK Pro [2] . Volgens de moeder wordt miskend, hoe vaak er inmiddels ook al op deze omissie is gewezen door en namens haar, dat de kinderen niet alleen hebben verklaard over seksueel misbruik door de vader, maar ook over mishandeling, dronkenschap van de vader en verwaarlozing. De vader voert hiertegen verweer.
Wat staat in de wet?
5.5
De rechter kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. [3]
5.6
Tussen de ouders is er geen discussie over de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van het gezamenlijk gezag mogelijk maakt.
Hoe oordeelt het hof?
5.7
Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Van dat wettelijke uitgangspunt kan, zoals ook blijkt uit rechtsoverweging 5.5, niet zomaar worden afgeweken. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat in deze zaak niet is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan beëindiging van het gezamenlijk gezag en overweegt daartoe het volgende.
5.8
Uit het Verdrag van Istanbul en het IVRK, waarnaar de moeder verwijst, volgt dat - kort gezegd - als er signalen zijn van (huiselijk) geweld dit een factor is waarmee de rechter rekening moet houden bij het nemen van zijn beslissing over onder meer het gezag. De veiligheid van de slachtoffers (ouder en kind) moet hierbij vooropstaan.
5.9
Het Openbaar Ministerie heeft op 19 juni 2025 besloten naar aanleiding van de aangifte van de moeder van 1 augustus 2023 tegen de vader geen strafrechtelijke vervolging in te stellen ten aanzien van het in de aangifte gestelde ontucht, gelet op het ontbreken van (voldoende) wettig en overtuigend bewijs om tot een veroordeling te komen. In de toelichting van het Openbaar Ministerie aan de moeder verwijst het Openbaar Ministerie onder meer naar het onderzoek dat is verricht door de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (hierna: LEBZ ), teneinde de betrouwbaarheid van de verklaringen van zowel [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als de verklaring van de vader te toetsen. Door de LEBZ is een rapport opgesteld van het onderzoek, gedateerd 30 januari 2025. De LEBZ stelt dat op basis van het onderzoek niet kan worden geconcludeerd wat het meest waarschijnlijke scenario is: het misbruikscenario geschetst door [de minderjarige1] en [de minderjarige2] of het alternatieve scenario geschetst door de vader. Gelet op die conclusie en omdat verder onderzoek van de politie geen andere bevindingen heeft opgeleverd die de aangifte en de verklaringen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ondersteunen, komt het Openbaar Ministerie tot de conclusie dat er niet voldoende wettig en overtuigend bewijs is en dat daarom is besloten de zaak niet verder te vervolgen.
Naar aanleiding van het beklag van de moeder op grond van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering is door het Openbaar Ministerie nog nader ingegaan op de redenen waarom bepaalde door de LEBZ gesuggereerde onderzoekshandelingen niet zijn verricht. De LEBZ had namelijk nader onderzoek geadviseerd naar de briefjes en dagboeken van beide kinderen en geadviseerd de mogelijkheid van inktdatering, handschriftonderzoek (-vergelijking) en ouderdomsbepaling van papier te overwegen. Deze onderzoeken zijn niet ingezet omdat na contact met het Nederlands Forensische Instituut duidelijk werd dat deze onderzoeken niet kunnen leiden tot het benodigde steunbewijs. Mogelijk zou vastgesteld kunnen worden dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de briefjes en dagboek zouden hebben geschreven, maar niet wanneer dit is gebeurd en dus kon dit niet leiden tot meer duidelijkheid omtrent de authenticiteit en datering hiervan.
Nu het Openbaar Ministerie heeft besloten de vader niet te vervolgen omdat er onvoldoende bewijs is en ook na onderzoek door de LEBZ niet vaststaat dat daadwerkelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader heeft plaatsgevonden, kan en zal het hof bij het nemen van de beslissing over het gezag er niet van uitgaan dat het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden.
5.1
Op basis van het overgelegde dossier en wat is besproken op de zitting staat naar het oordeel van het hof tevens niet vast dat sprake is geweest van een andere vorm van geweld van de vader richting de kinderen of aanwijzingen van gedrag van de vader richting de kinderen dat zorgelijk is, waaronder de gestelde mishandeling en verwaarlozing. Het zijn stellingen van de moeder die zij onderbouwt met stukken die niet specifiek zien op deze zaak. Wel ontkent de vader niet dat hij wegens dronkenschap zijn rijbewijs tijdelijk is kwijtgeraakt, maar zoals de vader stelt en ook uit de stukken blijkt speelde dit nadat het contact tussen de vader en de kinderen was verbroken en waren de kinderen daar dus niet bij betrokken. De politie heeft tegen de raad hierover verklaard dat sinds er in 2023 aangifte door de moeder tegen de vader is gedaan, het met de vader bergafwaarts lijkt te zijn gegaan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het hof geen concrete aanwijzingen dat mede-gezag van de vader in strijd is met de uitgangspunten van het Verdrag van Istanbul en het IVRK.
5.11
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat het belang van de kinderen vereist dat de moeder voortaan alleen met het gezag wordt belast. Het hof ziet niet dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Er is al jaren geen contact tussen de vader en de kinderen. Volgens de moeder hebben de kinderen daar geen last van. Het hof is ook niet gebleken dat de vader de kinderen confronteert met informatie die hij als gezaghebbende ouder over de kinderen heeft ontvangen. Het hof constateert dat de vader een afwachtende houding laat zien. Verder zijn er geen (recente) voorbeelden gesteld van situaties waarin de vader gezagsbeslissingen heeft tegengewerkt. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat de vader in de toekomst mogelijk wel gezagsbeslissingen zal frustreren. Er is evenmin gebleken van omstandigheden die maken dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Aangezien er geen contact is tussen de kinderen en de vader, is gezamenlijk gezag op dit moment de enige manier voor de vader om nog een rol te blijven spelen in het leven van de kinderen. Het hof heeft de vrees dat de beëindiging van het gezamenlijk gezag tot gevolg zal hebben dat de vader helemaal uit het leven van de kinderen verdwijnt. Het hof acht dat niet in het belang van de kinderen. De vader blijft immers de vader van de kinderen. Ondanks het negatieve beeld dat de kinderen op dit moment van de vader hebben, worden zij misschien op enig moment wel nieuwsgierig naar de vader of krijgen ze behoefte aan contact met hem. Als gezaghebbende ouder kan de vader via bijvoorbeeld de school en betrokken instanties op de hoogte blijven van zaken die spelen in het leven van de kinderen en daardoor, in de toekomst, beter bij hun aansluiten mocht er contactherstel komen. Omdat de moeder daarnaast in het kader van de opgelegde informatieregeling de vader updates geeft over de kinderen, is de vader ondanks dat er verder tussen de ouders geen communicatie mogelijk is voldoende op de hoogte van de ontwikkelingen in het leven van de kinderen om samen met de moeder de noodzakelijke gezagsbeslissingen over hen te kunnen nemen.
5.12
De beslissing van de rechtbank over het gezag zal in stand blijven (worden bekrachtigd).
De zorgregeling/omgangsregeling
5.13
In haar derde grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek om aan de vader het recht op contact met de kinderen te ontzeggen niet aanstonds heeft toegewezen. De vader voert hiertegen verweer.
Wat staat in de wet?
5.14
De rechter kan op verzoek van de ouders of één van hen de zorgregeling, die eerder is vastgesteld door een rechter of die de ouders samen zijn overeengekomen, wijzigen, als daarna de omstandigheden zijn gewijzigd. [4]
5.15
Niet in geschil is tussen de ouders dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de zorgregeling mogelijk maakt.
Hoe oordeelt het hof?
De ontvankelijkheid
5.16
Allereerst dient het hof zich uit te laten over de vraag of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek aan het hof de vader het recht op contact met de kinderen te ontzeggen. Volgens de vader heeft de rechtbank geen eindbeslissing gegeven, maar een tussenbeslissing en staat hoger beroep niet open. In dit geval is het hof van oordeel dat sprake is van een deelbeslissing, een beslissing bestaande voor een deel uit een eindbeslissing en voor een deel uit een tussenbeslissing. Tegen een deelbeslissing staat hoger beroep open. In dat geval kan ook tegelijkertijd gegriefd worden tegen onderdelen van de beslissing die niet het karakter van een eindbeslissing hebben. Het hof begrijpt de derde grief van de moeder aldus dat haar verzoek om de vader het recht op contact met de kinderen te ontzeggen impliciet is afgewezen door de rechtbank, omdat de rechtbank heeft besloten de beslissing over de zorgregeling aan te houden in afwachting van nader onderzoek waarbij dient te worden gekeken naar de (on)mogelijkheden tot contactherstel tussen de vader en de kinderen. De moeder is dan ook ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep aan het hof om in plaats van de zaak aan te houden voor onderzoek alsnog de vader het recht op contact met de kinderen te ontzeggen.
De inhoudelijke beoordeling
5.17
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat voordat een beslissing over de zorgregeling kan worden genomen eerst zicht dient te komen op in hoeverre er sprake is van trauma of andere psychologische problematiek bij de kinderen en op de onderliggende patronen binnen het systeem die eventueel invloed hebben op de huidige complexe situatie, waarin de kinderen al sinds juni 2023 geen contact meer hebben met de vader en er bij de kinderen geen ruimte lijkt te zijn voor contactherstel. Het hof zal dan ook het verzoek van de moeder om de vader het recht op contact met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te ontzeggen, afwijzen. De bestreden beschikking blijft dus ook op dit punt in stand.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
5.18
Met haar vierde grief stelt de moeder zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum van de kinderalimentatie heeft bepaald op de datum van de beschikking van de rechtbank en niet op de datum dat de kinderen volledig bij haar kwamen wonen dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift. De vader voert hiertegen verweer.
5.19
Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting, met dien verstande dat de rechter behoedzaam dient om te gaan met een wijziging met terugwerkende kracht met het oog op de eventuele ingrijpende gevolgen daarvan. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
5.2
Het hof stelt de ingangsdatum van een door de vader te betalen bijdrage, anders dan de rechtbank, vast op 20 oktober 2023, de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank. De vader heeft vanaf dat moment rekening kunnen en moeten houden met een door de rechter vast te stellen bijdrage. Dat de vader, zoals hij stelt, geen financiële gegevens had van de moeder om zelf alvast een berekening te maken van de kinderalimentatie, is voor het hof geen reden om de ingangsdatum later vast te stellen. De vader had deze gegevens zelf bij (de advocaat van) de moeder kunnen opvragen. Ook is niet gesteld of gebleken dat sprake is van ingrijpende gevolgen voor de vader door de vaststelling van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht.
Draagkracht vader
5.21
In haar vijfde grief stelt de moeder dat de rechtbank rekening had moet houden met een dividenduitkering aan de zijde van de vader. Volgens de moeder heeft zij bij de rechtbank niet meer kunnen reageren op de door de vader bij journaalbericht van 10 juli 2025 overgelegde verklaring dat hij zijn aandelen per 4 februari 2022 heeft verkocht en dus is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Zoals hiervoor al door het hof is overwogen heeft de moeder in hoger beroep zowel mondeling als schriftelijk alsnog de gelegenheid gehad hierop te reageren, zodat hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.
5.22
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat geen rekening wordt gehouden met andere inkomsten dan het inkomen dat de vader verdient bij zijn [land1] werkgever. Dat de vader structureel een dividenduitkering kan ontvangen is niet gebleken. De moeder heeft als verzoekster in hoger beroep nagelaten het betreffende journaalbericht van 10 juli 2025 met de daarbij behorende productie 16 (informatie over aandeelhouderschap van de vader) en productie 17 (afbetaling van de vader) aan het hof over te leggen. Het hof begrijpt dat de vader heeft verklaard dat hij zijn aandelen per 4 februari 2022 heeft verkocht, maar dat de moeder deze verklaring als volstrekt ontoereikend van de hand wijst. Het hof ziet op basis van de beschikbare informatie geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de vader over de verkoop van de aandelen. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de vader ligt het op de weg van de moeder voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen dat en zo ja, op welke wijze de vader inkomen genereert uit een voor het hof onbekende besloten vennootschap. Nu de moeder dat heeft nagelaten, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht. Aan het leveren van bewijs op dit punt wordt derhalve, nog daargelaten de vraag of het bewijsaanbod voldoende concreet en ter zake dienend is, niet toegekomen.
5.23
De rechtbank heeft de door de man te betalen kinderalimentatie op basis van zijn inkomen in 2025 met ingang van 29 juli 2025 vastgesteld op € 135,- per kind per maand. Het hof volgt de rechtbank in de berekening van de kinderalimentatie in 2025 op een bedrag van € 135,- per kind per maand. Hierboven heeft het hof de ingangsdatum op een eerder moment bepaald, namelijk op 20 oktober 2023. Omdat het hof constateert op basis van de overgelegde stukken dat de man in 2023 hetzelfde inkomen ontving als de jaren daarna, zal het hof in redelijkheid de door de man te betalen kinderalimentatie vaststellen met ingang van 20 oktober 2023 op het bedrag van € 135,- per kind per maand te verminderen met de wettelijke indexering per 1 januari 2025 (6,5%) en per 1 januari 2024 (6,2%). Dit betekent dat de kinderalimentatie met ingang van 20 oktober 2023 (afgerond) € 119,- per kind per maand bedraagt. Voor de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2024 zal het bedrag van € 135,- per kind per maand worden verminderd met de wettelijke indexering per 1 januari 2025 (6,5%). Dit betekent dat de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2024 (afgerond) € 127,- per kind per maand bedraagt. Met ingang van 1 januari 2025 bedraagt dan de kinderalimentatie € 135,- per kind per maand.
5.24
De rechtbank heeft bij de berekening van de kinderalimentatie aan de zijde van de vader rekening gehouden met een aflossing van € 500,- per maand op een openstaande schuld aan de belastingdienst. Voor zover de moeder heeft gesteld dat met deze aflossing geen rekening moet worden gehouden (de zesde grief), volgt het hof haar niet in die stelling. In het dossier zit een overzicht van de openstaande schuld aan de belastingdienst op 8 juni 2023 waarvoor een beslag is gelegd op roerende zaken. Het hof acht het redelijk om met een aflossing van € 500,- per maand op deze schuld rekening te houden tot 1 december 2025. De vader heeft op de zitting verklaard dat hij in november 2025 de gehele schuld heeft afgelost. Het hof zal dan ook met ingang van 1 december 2025 de kinderalimentatie opnieuw vaststellen. De draagkracht van de vader bedraagt dan op grond van het door de rechtbank berekende netto besteedbaar inkomen van € 3.411,- en de formule voor 2025 (70% van [€ 3.411 – (0,3 x € 3.411 + € 1.310)] (afgerond) € 754,- per maand. Nu de ouders samen niet genoeg draagkracht (vader € 754,- en moeder € 50,-, in totaal € 804,-) hebben voor alle kosten van de kinderen zoals door de rechtbank is vastgesteld (€ 1.915,-) zal de vader zijn volledige draagkracht moeten aanwenden om bij te dragen. Tussen partijen is niet in geschil dat een zorgkorting niet aan de orde is. Dat betekent dat de kinderalimentatie met ingang van 1 december 2025 (afgerond) € 251,- per kind per maand bedraagt.
5.25
Omdat het hof de kinderalimentatie pas in 2026 vaststelt, zou de kinderalimentatie met ingang van 1 december 2025 gelet op het bepaalde in artikel 1:402a Burgerlijk Wetboek voor het eerst in 2027 worden geïndexeerd. Hierdoor loopt de vrouw de indexering per 1 januari 2026 mis. Om de kinderalimentatie te laten voldoen aan de wettelijke maatstaven zal het hof de bijdrage daarom per 1 januari 2026 indexeren (4,6%). Dit betekent dat de vader met ingang van 1 januari 2026 (afgerond) € 263,- per kind per maand dient te betalen aan de moeder.
Conclusie
5.26
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de vader een kinderalimentatie aan de moeder dient te betalen van:
- € 119,- per kind per maand met ingang van 20 oktober 2023,
- € 127,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2024,
- € 135,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2025,
- € 251,- per kind per maand met ingang van 1 december 2025 en
- € 263,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2026.
Kinderbijslag
5.27
De moeder heeft in haar zevende grief (door de moeder grief 6 genoemd) aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar verzoek om de vader te veroordelen tot doorbetaling van de helft van de verschenen termijnen van de kinderbijslag afgewezen moet worden.
Tijdens de zitting hebben partijen bevestigd dat de vader de betreffende kinderbijslag heeft voldaan aan de moeder. De moeder heeft daarom geen belang meer bij een verdere bespreking van deze grief.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven gedeeltelijk. Omwille van de duidelijkheid zal het hof de bestreden beschikking, uitsluitend ten aanzien van de daarin vastgestelde kinderalimentatie, in zijn geheel vernietigen en beslissen als volgt.
6.2
Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten), vanwege de aard van de zaak (een familierechtelijke aangelegenheid).

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 29 juli 2025, uitsluitend ten aanzien van de daarin vastgestelde kinderalimentatie, en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , geboren [in] 2009, [de minderjarige2] , geboren [in] 2013 en [de minderjarige3] , geboren [in] 2016 zal betalen:
- € 119,- per kind per maand met ingang van 20 oktober 2023,
- € 127,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2024,
- € 135,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2025,
- € 251,- per kind per maand met ingang van 1 december 2025 en
- € 263,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2026,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, H. Phaff en E.H. Schijven-Bours, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Voetnoten

1.Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
2.Internationale Verdrag Inzake de Rechten van het Kind
3.artikel 1:253n lid 1 en 2 BW in samenhang met artikel 1:251a lid 1 BW
4.artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW