Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3674

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
21-004918-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 47 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf en schadevergoeding voor medeplegen ontploffing met levensgevaar

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing waarbij levensgevaar voor anderen bestond. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, met aanvullende bewijsmiddelen en overwegingen over medeplegen.

De explosie vond plaats op 15 december 2024 bij de woning van een vrouw en haar jonge kinderen, waarbij zwaar vuurwerk in de brievenbus werd aangestoken. De ontploffing veroorzaakte aanzienlijke schade en bracht de aanwezigen in levensgevaar. Uit onder meer getuigenverklaringen, tapgesprekken, telefoon- en track en trace-gegevens bleek dat verdachte en een medeverdachte nauw samenwerkten en samen in de VW Caddy zaten rond het tijdstip van de explosie.

Verdachte voerde aan dat er geen sprake was van nauwe samenwerking, maar het hof oordeelde dat medeplegen bewezen was. De straf van 36 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest werd gehandhaafd, evenals een contact- en gebiedsverbod als maatregel. De maatregel wordt niet dadelijk uitvoerbaar verklaard.

De vorderingen van de benadeelde partijen werden deels toegewezen. De schadevergoeding aan de eerste benadeelde werd verhoogd met btw, terwijl een deel van de vordering wegens eigen diensten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De tweede benadeelde kreeg volledige toewijzing van haar vordering. Beide benadeelden zijn hoofdelijk aansprakelijk, waarbij betaling door een medeverdachte de verplichting van verdachte kan doen vervallen.

Het hof legde ook schadevergoedingsmaatregelen op en bepaalde aanvangsdata voor wettelijke rente. De straf en maatregelen zijn gebaseerd op artikelen 36f, 38v, 38w, 47, 55 en 157 Sr.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf en een contact- en gebiedsverbod wegens medeplegen van een levensgevaarlijke ontploffing, met deels toegewezen schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004918-25
Uitspraakdatum: 5 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden ,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden , van 18 november 2025 met parketnummer 18-014501-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1968 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in P.I. [locatie]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis, met uitzondering van het medeplegen. Ook kunnen de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen zoals de rechtbank heeft gedaan, maar wel dient de vordering van [benadeelde 1] vermeerderd te worden met de BTW. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.J. Kuiters, en benadeelde partijen hebben aangevoerd.

Het vonnis

In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is, beschouwd als eendaadse samenloop. De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft verdachte ook een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, in de vorm van een contact- en gebiedsverbod. De rechtbank heeft deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tot slot heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] geheel toegewezen en de vordering van [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 3.884,00 en voor het overige niet ontvankelijk verklaard. Beide vorderingen zijn hoofdelijk toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente. Ook heeft de rechtbank ten aanzien van beide vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank Noord-Nederland grotendeels op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis met aanvulling van de gronden. Ook zal het hof het vonnis aanvullen met hetgeen zich op de zitting in hoger beroep heeft voorgedaan. Ten aanzien van de oplegging van de straf, de maatregelen en de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen komt het hof ten dele tot een andere beslissing dan de rechtbank. Die onderdelen van het vonnis zal het hof dus vernietigen.
Aanvullende bewijsmiddelen
Verbalisant [verbalisant] heeft geverbaliseerd dat hij op 5 juni 2025 een WhatsApp-bericht heeft ontvangen van aangeefster. Daarin stond het volgende:
“Ik wou graag nog even iets melden wat te maken heeft met de zaak. Er kwam een oude buurvrouw uit de [straat 1] naar mij toe [naam 1] heet ze. Ze woont op de [straat 1] in [plaats 6] . Zij vertelde dat een week voor dat de cobra door mijn
brievenbus werd gedaan dat [naam 2] aan haar eettafel zat samen met [naam 1] , [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte), [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . En dat [naam 2] een aantal van deze mensen dwong om de cobra in mijn brievenbus te doen. Bijv [naam 3] werd zwaar onderdruk gezet en ze hadden de cobra ook in hun handen. Toen heeft [naam 1] iedereen weten weg te sturen zodat ze dat niet gingen doen. [naam 1] heeft daarna zelf ruzie daardoor gekregen met [naam 2] . [naam 1] zou dit ook graag willen bevestigen wat ze gezien heeft. Ik vind dit zelf wel belangrijke informatie". [1]
Hierop heeft de verbalisant contact opgenomen met [naam 1] . [naam 1] wilde geen verklaring afleggen, maar bevestigde dat het bericht van aangeefster klopte. [2]
Uit het dossier blijkt dat de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] niet in gebruik was tijdens de explosie, om 21.00 uur, terwijl er om 19.48 uur voor het laatst een uitgaand gesprek met verdachte is geregistreerd. Vervolgens is om 22.53 uur dataverkeer geregistreerd en om 22.54 uur een inkomend gesprek van verdachte. [3] Ook is onderzoek gedaan naar de telefoon van verdachte. Daaruit blijkt dat de telefoon om 21.00 uur niet in gebruik was. Om 19.48 uur is een inkomend gesprek te zien met [medeverdachte] en om 22.54 uur een uitgaand gesprek met [medeverdachte] , terwijl in de tussentijd geen activiteiten met de telefoon zijn geweest. [4] Op de zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij zijn telefoon die avond uit had staan. [5]
In het dossier bevindt zich verder een uitgewerkt tapgesprek van medeverdachte [medeverdachte] waarin zij zegt dat de politie heeft gezien dat verdachte rond 11 uur (bedoeld zal zijn 23.00 uur) bij de [fastfoodrestaurant] is gezien met zijn auto, dat ze denken dat zij de [fastfoodrestaurant] is in gegaan, maar dat dat niet zo was omdat ze (het hof begrijpt [medeverdachte] en verdachte) bij de [fastfoodrestaurant] waren. [6] Verder blijkt uit de track en trace gegevens van de VW Caddy dat deze op 15 december 2024 van 19.48 uur tot 20.33 uur geparkeerd staat op de [straat 2] ter hoogte van nummer [nummer] te [plaats 6] . De [straat 2] is een straat aan de achterzijde van de woning van het adres van [medeverdachte] . De auto rijdt daarna om 20.33 uur naar [plaats 1] en vervolgens via [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] en [plaats 5] naar de [fastfoodrestaurant] in [plaats 6] . Daarna rijdt de auto naar de [straat 1] te [plaats 6] alwaar deze stopt. Die straat grenst aan de [straat 3] waar [medeverdachte] woont. [7]
Aanvullende bewijsoverwegingen
Op de zitting van het hof is door verdachte en zijn raadsman onder meer aangevoerd dat er geen enkel bewijs is voor medeplegen. Van een nauwe en bewuste samenwerking is dus geen sprake geweest. Verdachte heeft aangevoerd dat hij in de avond bij [medeverdachte] is geweest, en vervolgens alleen in de auto is gestapt richting [plaats 5] om te fotograferen.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Een week voor de explosie bij aangeefster plaats had, is medeverdachte [naam 2] [medeverdachte] volgens aangeefster samen met onder meer verdachte bij [naam 1] thuis geweest, waar is gesproken over het veroorzaken van een explosie bij aangeefster in [plaats 1] . [naam 1] heeft bevestigd dat datgene wat aangeefster hierover verklaart klopt. De explosie bij aangeefster vond plaats op 15 december 2024 om 21.00 uur. Op de beelden is een wit voertuig te zien, lijkend op een VW Caddy, die op die datum om 21.01.37 uur met verhoogde snelheid in oostelijke richting rijdt (het hof begrijpt: weg uit de richting van de woning van aangeefster). Een getuige heeft verklaard om 21.02 uur gezien te hebben dat een witte Volkswagen Caddy met hoge snelheid over de Noorderstraat te [plaats 1] reed en dat er twee personen in die Caddy zaten, waarvan één een mannelijk postuur had. Verdachte en [medeverdachte] hadden beiden hun telefoons niet in gebruik kort voorafgaand aan de explosie en deze beide enige tijd later weer ingeschakeld. Daar komt nog bij dat uit het hiervoor genoemde tapgesprek volgt dat [medeverdachte] en verdachte die avond samen bij de [fastfoodrestaurant] zijn geweest en dat uit de track en trace gegevens van de VW Caddy blijkt dat de auto vanuit [plaats 1] uiteindelijk bij de [fastfoodrestaurant] in [plaats 6] aankomt en deze vervolgens stopt in de buurt van het woonadres van [medeverdachte] . Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die avond samen in de VW Caddy hebben gezeten.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n), bestaande uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
De overige verweren die in hoger beroep over de bewezenverklaring zijn gevoerd, zijn in de kern gelijk aan de verweren die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht. De rechtbank heeft deze verweren gemotiveerd verworpen en het hof kan zich vinden in de motivering van de rechtbank. Het hof volstaat ermee de verweren te verwerpen met een verwijzing naar de motivering van de rechtbank.

Oplegging van straf en maatregel

Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte te veroordelen tot dezelfde straf als de rechtbank heeft gedaan, te weten een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, en hem een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, in de vorm van een contact- en gebiedsverbod, dadelijk uitvoerbaar.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Het hof neemt uit het vonnis van de rechtbank het volgende over:
Verdachte heeft, samen met een of meer anderen, een ontploffing veroorzaakt bij de woning
van een vrouw en haar drie jonge tot zeer jonge kinderen. Er is een stuk zwaar vuurwerk in
de brievenbus van de voordeur geklemd en aangestoken. De ontploffing van het vuurwerk
veroorzaakte een enorme knal en zorgde voor veel schade aan de voordeur en de inboedel
van de woning. De vrouw en kinderen waren thuis op het moment van de ontploffing. Zij
liepen ernstig gevaar door de drukgolf en hitte van de explosie en door rondvliegende
glasscherven en brokstukken zoals de metalen klep van de brievenbus die de hal in werd
geslingerd. Het is in feite toeval dat geen van de vier in de woning aanwezige personen niet
(bijna) in het halletje van de woning aanwezig waren op het moment van de ontploffing. Zij
hadden anders zelfs levensbedreigend letsel kunnen oplopen. De ontploffing heeft veel
gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de vrouw. Verdachte is hier (mede)
verantwoordelijk voor. Het feit rechtvaardigt oplegging van een lange gevangenisstraf.
Door de ontkennende houding van verdachte kan de rechtbank niet - in het voordeel van verdachte - rekening houden met de redenen die verdachte heeft gehad voor zijn handelen. De rechtbank is ook niet op de hoogte van persoonlijke omstandigheden van verdachte die een rol zouden kunnen hebben gespeeld bij zijn beslissing om dit feit (mede) te plegen.
Het hof heeft verder gelet op verdachtes strafblad, gedateerd 20 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten. Het hof kent hieraan bij de strafoplegging geen bijzondere betekenis toe, omdat het uitblijven van delict gedrag als een normale omstandigheid heeft te gelden.
Het hof is van oordeel dat slechts een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie is op een feit als onderhavige. Het hof zal verdachte daarom, net als de rechtbank, veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Maatregel
Net als de rechtbank, zal het hof ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten, ook de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen, met zowel een locatieverbod als een contactverbod. Anders dan de rechtbank ziet het hof geen aanleiding deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen

Vordering [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.282,04 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De verdediging heeft de vordering niet betwist. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering geheel moet worden toegewezen.
Het hof is van oordeel dat is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De rechtbank heeft ook in zoverre op juiste gronden beslist. Het hof komt wel tot een andere ingangsdatum ten aanzien van de wettelijke rente dan de rechtbank. Namelijk ten aanzien van een bedrag van € 626,07 aan materiële schade op 17 december 2024 en voor de overige materiële en de immateriële schade op 15 december 2024.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof evenals de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4 .941,64 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 3.884,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De verdediging heeft aangevoerd dat de gevorderde BTW niet kan worden toegewezen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering moet worden toegewezen met uitzondering van de post ‘eigen dienst’ van € 200,00.
Het hof overweegt als volgt. De vordering bestaat uit de volgende vier posten:
1. Storingsdienst € 639,00.
2. Deur met kozijn € 3.245,00.
3. Eigen dienst € 200,00.
4 . BTW € 857,64.
De eerste twee posten zijn voldoende onderbouwd en overigens niet door de verdediging betwist, zij het dat de post € 639,00 blijkens de overgelegde factuur ziet op een bedrag van € 528,38 exclusief BTW. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van die posten vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof zal post 1 en 2 toewijzen, met dien verstande dat het hof post 1 toewijst tot een bedrag van € 528,38 en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
Ten aanzien van post 3 ‘eigen dienst’ overweegt het hof dat deze post onvoldoende is onderbouwd. Het hof kan in deze procedure daarom niet vaststellen dat de deze gevorderde post is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen.
Tot slot zal het hof, anders dan de rechtbank, de gevorderde BTW over de eerste 2 posten wel toewijzen. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de benadeelde partij de btw kan verrekenen. Het gaat hier immers om kosten die de woningbouwvereniging heeft moeten maken ten behoeve van de verhuur van een woning. Het hof zal de gevorderde BTW om die reden toewijzen, te weten een percentage van 21% over de toegewezen bedragen van post 1 en 2; een bedrag van € 792,41. De meer gevorderde BTW zal het hof niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Ook zal het hof de toegewezen schadevergoeding vermeerderen met de wettelijke rente.
Hoofdelijkheid
Het hof heeft vastgesteld dat verdachte het strafbare feit samen met een of meer anderen heeft gepleegd. Zij zijn naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoedingen niet meer
aan de benadeelde partijen hoeft te betalen indien zijn medeverdachte(n) deze al
heeft/hebben betaald, en andersom.

Wetsartikelen

De straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 38v, 38w, 47, 55 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, de opgelegde maatregel en de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde:
- voor de duur van 2 jaren zich niet zal ophouden binnen een straal van 100 meter van het adres [adres] te [plaats 1] ;
- voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met: [benadeelde 2] , geboren op [geboortedag 2] 1997.
Beveelt dat van de periode van 2 jaren wordt afgetrokken de tijd die de maatregel op grond van het vonnis van de rechtbank dadelijk uitvoerbaar is geweest.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.282,04 (drieduizend tweehonderdtweeëntachtig euro en vier cent) bestaande uit € 1.082,04 (duizend tweeëntachtig euro en vier cent) materiële schade en € 2.200,00 (tweeduizend tweehonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.282,04 (drieduizend tweehonderdtweeëntachtig euro en vier cent) bestaande uit € 1.082,04 (duizend tweeëntachtig euro en vier cent) materiële schade en € 2.200,00 (tweeduizend tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor een bedrag van € 626,07 aan materiële schade op 17 december 2024 en voor de overige materiële en de immateriële schade op 15 december 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 4 .565,79 (vierduizend vijfhonderdvijfenzestig euro en negenenzeventig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4 .565,79 (vierduizend vijfhonderdvijfenzestig euro en negenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 mei 2025.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. Z.J. Oosting, mr. A.H. toe Laer en mr. E.W. van Weringh, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes – de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 5 juni 2026.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen 10 juni 2025, p. 134.
2.Proces-verbaal van bevindingen 24 juni 2025, p. 133.
3.Proces-verbaal van bevindingen 21 januari 2025, p. 121.
4.Proces-verbaal van bevindingen 22 januari 2025, p. 122.
5.Procesverbaal van de zitting van het hof d.d. 22 mei 2026
6.Proces-verbaal van bevindingen 3 juni 2025, p. 130.
7.Proces-verbaal van bevindingen 27 juni 2025, p. 6.