Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3673

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
21-003701-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling en verlaten plaats ongeval zonder toepassing noodweer

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte werd beschuldigd van mishandeling, vernieling van een auto en het verlaten van de plaats van een ongeval. Het hof sprak verdachte vrij van vernieling wegens gebrek aan bewijs van opzet, maar veroordeelde haar voor mishandeling en het verlaten van de plaats van het ongeval.

De mishandeling bestond uit het trekken aan de haren en het slaan van het slachtoffer. Het hof verwierp het beroep op noodweer omdat verdachte als agressor werd aangemerkt, gebaseerd op consistente en betrouwbare verklaringen van het slachtoffer en een getuige. Verdachte had de plaats van het ongeval verlaten terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat er letsel was toegebracht.

De straf bestaat uit een taakstraf van 70 uur, subsidiair 35 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van €2.675,00 toegewezen aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. De gevorderde materiële schade werd afgewezen wegens onvoldoende causaal verband. Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ruim 1 jaar en 9 maanden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf en schadevergoeding voor mishandeling en verlaten plaats ongeval, vrijspraak van vernieling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003701-22
Uitspraakdatum: 5 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 6 september 2022 met parketnummer 08-265020-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vrijspraak van het onder 2 (vernieling) ten laste gelegde;
  • veroordeling van verdachte voor de onder 1 (mishandeling) en 3 (verlaten plaats van het ongeval) ten laste gelegde feiten tot een taakstraf van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest;
  • gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van € 1.250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. U. Ural, hebben aangevoerd.

Het vonnis

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
  • verdachte voor de onder 1, 2 en 3 en ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest;
  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot het bedrag van € 1.250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hierbij is bepaald dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is. De benadeelde partij is voor het overige immateriële deel niet-ontvankelijk verklaard. De gevorderde materiële schade is afgewezen.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter in de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij in of omstreeks de nacht van 28 augustus 2021 op 29 augustus 2021, in de gemeente [gemeente] een persoon genaamd [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] - (met kracht) aan de haren te trekken/sleuren en/of - (met kracht) meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of stompen;2.
zij in of omstreeks de nacht van 28 augustus 2021 op 29 augustus 2021, in de gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Zwarte Seat Ibiza met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3.
zij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging zij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in [plaats 1] op/aan de " [locatie] ", in of omstreeks de nacht van 28 augustus 2021 op 29 augustus 2021 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [benadeelde] en/of [naam] ) letsel en/of schade was toegebracht;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging feit 1

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden. Aangevers [benadeelde] en [naam] zijn bij de raadsheer-commissaris gehoord en hun verklaringen zijn in de kern eensluidend. Er is geen enkel aanknopingspunt om te twijfelen aan hun verklaringen, gelet op de details in de verklaringen. Verdachte komt geen beroep op noodweer toe, nu juist zij de agressor was.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Daartoe is onder meer gesteld dat verdachte zich heeft moeten beschermen tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangeefster [benadeelde] , toen zij uitstapte uit haar auto en op verdachte afrende. Verdachte heeft zichzelf moeten verdedigen. Volgens verdachte was het een bitchfight. Haar handelen was proportioneel. Er bestond voor verdachte geen andere mogelijkheid om zich te verdedigen.
Oordeel van het hof
In hoger beroep zijn aangevers [benadeelde] en [naam] gehoord als getuige bij de raadsheer-commissaris. Tegen de raadsheer-commissaris hebben zij hun eerdere verklaringen herhaald. Het hof stelt vast dat zij consistent hebben verklaard tegenover de politie en ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Dit geldt niet voor de verklaringen die door verdachte zijn afgelegd. Zij heeft wisselend en niet consequent verklaard over wat zich heeft afgespeeld. Het hof komt tot de conclusie dat de verklaringen van aangevers betrouwbaar en consistent zijn en dat die verklaringen zijn gebaseerd op authentieke eigen waarnemingen en herinneringen. Bij de beoordeling van de feiten neemt het hof deze verklaringen als uitgangspunt.
Het noodweer-verweer is in eerste aanleg eveneens door de verdediging gevoerd. Het hof kan zich vinden in de navolgende overweging van de politierechter. Het hof neemt die overweging over en maakt die tot de zijne.
De politierechter verwerpt het door de verdediging gedane beroep op noodweer. De politierechter stelt op grond van de verklaringen van [benadeelde] en [naam] (die - ook op
detailniveau - in grote mate met elkaar overeen komen) vast dat verdachte degene is geweest die uit de auto is gestapt en op aangeefster is afgelopen waarna zij haar aan de haren heeft getrokken en haar in het gezicht heeft geslagen. De verdachte is aldus als agressor aan te merken, waardoor aan haar geen beroep op noodweer toekomt.

Bewijsmiddelen feit 1

Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 22 mei 2026, inhoudende de verklaring van verdachte:
Op 28 augustus 2021 reed ik in mijn auto in [plaats 1] . Aangeefster stapte uit de auto. Ik heb haar geduwd en aan haar haren getrokken.
Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] van 29 augustus 2021, p. 11 en p. 12:
Op 28 augustus 2021 omstreeks 23:45 uur reed ik samen met [naam] op de [locatie] komende uit het centrum van [plaats 1] gaande in de richting van [plaats 2] .
Voor mij reed een witte auto. Deze auto reed slingerend over de weg. Ik stopte achter de witte auto. Het verkeerslicht ging tot tweemaal toe op groen, echter bleef de witte auto stilstaan. Ik ben daarom gaan claxonneren. Ik zag dat de bestuurster toen wilde uitstappen. Ik zag dat haar passagier haar wilde tegenhouden, tot twee keer toe. Ik hoorde haar ook schreeuwen. Toen stapte de bestuurster ineens uit. Ik stapte daarop ook uit. De vrouw liep direct naar mij toe en zonder iets te zeggen begon ze te slaan. Ze pakte mij bij mijn haar en trok mijn hoofd hierdoor naar achteren. Met haar andere hand begon ze mij te slaan. De bestuurster sloeg mij in mijn gezicht.
Het proces-verbaal van aangifte van [naam] van 29 augustus 2021, p. 5 en p. 6:
Op 28 augustus 2021 omstreeks 23:30 uur reden ik en [benadeelde] over de [locatie] in [plaats 1] . Voor ons reed een witte auto. Deze reed al zigzaggend voor ons. Ik zag dat de bestuurster van de witte auto op [benadeelde] afliep en haar met beide handen vastpakte. Ze had [benadeelde] gepakt bij haar haren. Daarna liet ze haar haren los en begon op [benadeelde] in te slaan.

Vrijspraak van feit 2

Het hof kan op basis van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet vaststellen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad door met haar eigen auto de auto waarin aangeefster reed te vernielen. Daarbij betrekt het hof dat wanneer verdachte opzettelijk een verkeersongeval zou veroorzaken, zij eveneens haar eigen auto zou beschadigen. Het hof spreekt verdachte daarom vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Bewijsoverweging feit 3

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verlaten van de plaats ongeval wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verklaring van verdachte dat zij belaagd is door aangeefster en dat niet kon of durfde te wachten, acht de advocaat-generaal volstrekt onaannemelijk geworden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] als uitgangspunt moeten worden genomen. Verdachte heeft tegen aangeefster gezegd dat zij achter haar mocht rijden. Het doel van artikel 7 Wegenverkeerswet Pro 1994 is het
kenbaar maken van de identiteit. De norm van het artikel is niet geschonden, omdat verdachte geen doel had om onvindbaar te zijn.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer, strekkende tot vrijspraak van het 3 ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals die hieronder zijn uitgewerkt.
Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat zij werd belaagd door aangeefster en dat zij niet durfde te wachten op aangeefster na het verkeersongeval. Tegen aangeefster zou verdachte hebben gezegd dat zij achter haar mocht rijden, terwijl aangeefster dat vervolgens niet heeft gedaan.
Het door verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario acht het hof niet aannemelijk geworden, nu het hof uitgaat van de verklaringen van aangevers [benadeelde] en [naam] . De verklaring van verdachte wordt weersproken door de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen feit 3

Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 22 mei 2026, inhoudende de verklaring van verdachte:
Op 28 augustus 2021 reed ik in mijn auto in [plaats 1] . Aangeefster stond achter mij voor het stoplicht. Ze kwam met haar auto naast mij staan. Op een gegeven moment knalden wij tegen elkaar aan. Daarna ben ik weggereden.
Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] van 29 augustus 2021, p. 11 en
p. 12:
Op 28 augustus 2021 omstreeks 23:45 uur reed ik samen met [naam] op de [locatie] komende uit het centrum van [plaats 1] gaande in de richting van [plaats 2] .
Voor mij reed een witte auto. Deze auto reed slingerend over de weg. Ik stopte achter de witte auto. Het verkeerslicht ging tot tweemaal toe op groen, echter bleef de witte auto stilstaan. Ik ben daarom gaan claxonneren. Toen het verkeerslicht voor de derde maal op groen ging was ik er wel klaar mee en ik wilde de witte auto aan de linkerzijde passeren om door te rijden. Toen ik naast de witte auto reed stuurde de bestuurster naar links en botste tegen de rechterflank van mijn auto. De man en vrouw reden vervolgens slippend weg met hun witte auto.
Het proces-verbaal van aangifte van [naam] van 29 augustus 2021, p. 5 en p. 6:
Op 28 augustus 2021 omstreeks 23:30 uur reden ik en [benadeelde] over de [locatie] in [plaats 1] . Voor ons reed een witte auto. Deze reed al zigzaggend voor ons. Ik zag dat de bestuurder van de witte auto voor ons nog steeds stil stond. De witte auto reed maar niet door. Dat gebeurde wel ongeveer drie keer. De witte auto wilde maar niet doorrijden. Na de derde keer hoorde ik dat [benadeelde] claxonneerde naar de witte auto. Ik zag dat [benadeelde] daarna hun via de linkerzijde wilde inhalen. Links was nog de rijstrook voor linksaf en die was helemaal vrij. Toen zij daarin draaide zag ik dat de witte auto haar stuur naar links stuurde en tegen de rechterportier van [benadeelde] aanreed. Daarna zijn ze in de auto gestapt en zijn ze weggereden.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
zij in de nacht van 28 augustus 2021 op 29 augustus 2021, in de gemeente [gemeente] een persoon genaamd [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde]
- aan de haren te trekken en
- meermalen, tegen het gezicht te slaan.
3.
zij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging zij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in [plaats 1] op de " [locatie] ", in de nacht van 28 augustus 2021 op 29 augustus 2021 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [benadeelde] en/of [naam] ) letsel en/of schade was toegebracht.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal houdt daarbij rekening met het tijdsverloop en de omstandigheid dat vrijspraak is gevorderd voor feit 2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de strafoplegging naar voren gebracht dat de oplegging van een taakstraf niet passend is door de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn, de oriëntatiepunten voor mishandeling en doorrijden na een aanrijding, in combinatie met de persoonlijke omstandigheden van verdachte is een geldboete een passende straf.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich in de nacht van 28 augustus 2021 op 29 augustus 2021 schuldig
gemaakt aan mishandeling van aangeefster. Hierdoor heeft verdachte inbreuk gemaakt
op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar veiligheidsgevoel aangetast. Daarnaast heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten terwijl bij dat ongeval schade aan een ander is toegebracht. Verdachte heeft door aldus te handelen haar verantwoordelijkheden als verkeersdeelnemer ernstig veronachtzaamd.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 20 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in hoger beroep is overschreden. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep op 6 september 2022 en de uitspraak in hoger beroep op 5 juni 2026 zijn 3 jaren en 9 maanden verstreken. De normtermijn die voor de afdoening in hoger beroep staat, bedraagt in dit geval 2 jaren. De redelijke termijn is hiermee overschreden met ruim 1 jaar en 9 maanden. Nu het hof aan verdachte een taakstraf zal opleggen die minder bedraagt dan 100 uren, zal het hof volstaan met de constatering dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting in hoger beroep.
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en voornoemde specifieke omstandigheden van het geval, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de oplegging van een geldboete. Bovendien is door verdachte onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij in het geheel niet in staat is om een taakstraf te verrichten.
Het hof acht, alles afwegende, voor de 2 bewezenverklaarde feiten, oplegging van een taakstraf van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.318,00 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.250,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
De raadsman ter zitting bepleit dat op basis van de medische stukken onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij ten gevolge van het handelen van verdachte PTSS heeft opgelopen.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken dat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat zij op andere wijze in haar persoon is aangetast. Uit die stukken volgt dat gedurende langere tijd sprake is geweest van PTSS klachten. Dat een psycholoog pas een jaar na het incident daadwerkelijk de diagnose PTSS heeft gesteld brengt niet met zich dat de PTSS onvoldoende is onderbouwd. Uit het overgelegde medisch dossier blijkt dat de benadeelde partij aanvankelijk vooral is behandeld in verband met rugklachten die zij naar aanleiding van het incident heeft opgelopen en dat zij vervolgens vanwege spanningen, herbelevingen en nachtmerries is doorverwezen vanuit ggz naar een psycholoog, die vervolgens de diagnose heeft gesteld.
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Het hof heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Die Rotterdamse schaal geeft als richtsnoer ten aanzien van PTSS, in de lichtste categorie, waarbij de benadeelde binnen één tot twee jaar nagenoeg volledig hersteld is, een bedrag gelegen tussen € 2.675,00 en € 5.500,00.
Gelet op de aard en ernst van het letsel en gelet op in vergelijkbare zaken door rechters toegekende bedragen acht het hof een vergoeding van € 2.675,00 billijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2021. De benadeelde partij zal ten aanzien van het meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot het gevorderde aan materiële schade à € 318,00 wegens schade aan de telefoon is het hof van oordeel dat er onvoldoende causaal-verband bestaat tussen de materiële schadepost en het bewezenverklaarde feit. Dat houdt in dat het hof dit onderdeel van de vordering zal afwijzen.
Het hof stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en
dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien de mededader deze al heeft betaald, en andersom.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 7 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
35 (vijfendertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.675,00 (tweeduizend zeshonderdvijfenzeventig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 318,00 (driehonderdachttien euro) aan materiële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.675,00 (tweeduizend zeshonderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 26 (zesentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 28 augustus 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. F.E.J. Goffin en mr. E. Pennink, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 5 juni 2026.