Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3671

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
21-000066-26
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ISD-maatregel na verwerping alternatief scenario bloedspoor bij inbraak

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 5 juni 2026 het hoger beroep van verdachte behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 30 december 2025. Verdachte was vrijgesproken van het eerste ten laste gelegde feit, maar veroordeeld tot een ISD-maatregel van twee jaar voor het tweede feit, een inbraak waarbij een bloedspoor werd aangetroffen.

In hoger beroep stelde verdachte een nieuw alternatief scenario voor het bloedspoor voor, namelijk dat het bloed al een jaar eerder op de gokkast was achtergelaten. Het hof verwierp dit scenario vanwege het ontbreken van onderbouwing, de helder rode kleur van het bloedspoor en de wisselende verklaringen van verdachte. Het DNA-spoor werd als daderspoor aangemerkt, waarmee het hof de betrokkenheid van verdachte bij de inbraak bevestigde.

Daarnaast werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het gericht was tegen de vrijspraak van het eerste feit. Het hof sloot zich aan bij de rechtbank in de beslissing tot oplegging van de ISD-maatregel, waarbij werd overwogen dat eerdere voorwaardelijke straffen niet tot gedragsverandering hadden geleid en dat binnen de ISD-maatregel voldoende mogelijkheden zijn voor behandeling, ook bij mogelijke kleptomanie.

De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden werden deels toegewezen en deels afgewezen. De tenuitvoerleggingsvordering werd afgewezen en bijzondere voorwaarden geschrapt. Het arrest bevestigt het vonnis van de rechtbank met aanvullingen op de gronden.

Uitkomst: Het hof bevestigt de ISD-maatregel van twee jaar en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor de vrijspraak van het eerste feit.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000066-26
Uitspraakdatum: 5 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 30 december 2025, zittingsplaats Leeuwarden, met parketnummer 18-252669-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-245071-23, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in [P.I.] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • niet-ontvankelijk verklaring van verdachte in het hoger beroep ten aanzien van de beslissing tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde;
  • bevestiging van het vonnis van de rechtbank.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.P.M. Canoy, hebben aangevoerd.

Omvang van het hoger beroep

Verdachte is door de rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van wat aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank:
  • verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde feit vrijgesproken;
  • verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde feit veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) van 2 jaren;
  • de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding;
  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] gedeeltelijk toegewezen tot het bedrag van € 5.329,12, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 18-245071-23 afgewezen en de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden geschrapt.
Het hof verenigt zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof, in verband met de door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweren, daar hierna aanvullingen op aanbrengt. Het vonnis waarvan beroep zal gelet op het voorgaande voor het overige worden bevestigd.

Aanvulling van gronden

Ten aanzien van het bewijs van feit 2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit, in verband met het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Verdachte heeft in hoger beroep een alternatief scenario gepresenteerd dat hij voldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat verdachte verschillende verhalen heeft verteld maakt zijn verklaring in hoger beroep niet ongeloofwaardig.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte verklaart telkens wisselend over de wijze waarop zijn DNA op de binnenkant van de gokkast is aangetroffen. Het DNA van verdachte bevindt zich al sinds 2007 in de DNA databank. Als verdachte op een eerder moment dan is tenlastegelegd zou hebben ingebroken, was dat wel naar boven gekomen door een eerdere match met zijn DNA. De aangifte, het concrete DNA-spoor van verdachte op de gokkast, de opmerking van het hof ter zitting dat het gelet op de helder rode kleur een vers bloedspoor lijkt te betreffen en de wisselende verklaringen van verdachte, maken dat het nieuwe alternatieve scenario van verdachte niet aannemelijk is geworden. Verdachte kan zijn alternatieve scenario niet nader onderbouwen en zijn verklaring is ook niet verifieerbaar.
Oordeel van het hof
In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt vast dat kort na de inbraak op 13 augustus 2025 in [bedrijf] op de binnenkant van de deur van de opengebroken gokkast een bloedspoor is aangetroffen. Het hof duidt dit spoor, net als de rechtbank, als een daderspoor. Het DNA-profiel van verdachte komt overeen met het DNA-profiel dat uit het bloedspoor is verkregen. Op basis van die omstandigheden stelt het hof vast dat verdachte op 13 augustus 2025 tijdens het openbreken van de gokkast het bloedspoor daar heeft achtergelaten.
Deze feiten en omstandigheden zijn zozeer redengevend voor betrokkenheid van verdachte bij de hem verweten diefstal, dat van hem een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring mag worden verlangd omtrent de aanwezigheid van zijn DNA op de binnenkant van de deur van de die nacht opengebroken gokkast.
Verdachte heeft tijdens zijn politieverhoor verklaard weleens in [bedrijf] te komen, dat het goed zou kunnen dat hij daar is geweest in de nacht van 12 op 13 augustus 2025 en dat hij zich daar misschien heeft gesneden.
Ter zitting van de rechtbank heeft verdachte inhoudelijk een andersluidende verklaring afgelegd. Ten overstaan van de rechtbank heeft verdachte verklaard dat hij in 2025 niet in [bedrijf] is geweest en dat hij niet weet hoe zijn DNA is aangetroffen op de binnenzijde van de opengebroken gokkast.
Verdachte heeft op de zitting van het hof een nieuw alternatief scenario naar voren gebracht. Volgens verdachte is zijn bloed op de binnenkant van de gokkast terechtgekomen tijdens een eerdere verbreking van de gokkast in [bedrijf] . Dit zou één jaar eerder dan 13 augustus 2025 zijn gebeurd. Op nadere vragen van het hof heeft verdachte verklaard dat hij de precieze datum van de eerdere verbreking van de gokkast niet weet, maar dat hij vorig jaar voor de zomer (
het hof begrijpt: de zomer van 2025) in het [bedrijf] is geweest. Verdachte zou dat niet tegenover de politie hebben verklaard omdat hij probeerde om onder de eerdere verbreking van de gokkast uit te komen.
Het hof overweegt dat verdachte gedurende het verloop van het strafproces wisselend heeft verklaard. Het hof stelt daarnaast vast dat verdachte - gaandeweg de zitting en nadat het hof verdachte met de verschillende onderzoeksresultaten confronteerde en hem om uitleg vroeg - zijn aanvankelijke verklaring ter zitting op onderdelen heeft bijgesteld en inhoudelijk opnieuw heeft gewijzigd. Een dergelijk verloop in de verklaringen komt de betrouwbaarheid niet ten goede.
Daar komt bij dat de laatste verklaring van verdachte over een eerdere verbreking van de gokkast op geen enkele manier door hem is onderbouwd.
Ten overvloede merkt het hof nog op dat het niet voor de hand lijkt te liggen dat het aangetroffen bloedspoor al meerdere maanden tot een jaar aan de binnenkant van de gokkast aanwezig zou zijn geweest. Uit de foto’s op pagina 162 van het strafdossier leidt het hof af dat het bloedspoor helder rood van kleur is en wanneer bloed in contact komt met zuurstof, verandert het na verloop van tijd van kleur.
Op basis van al het voorgaande stelt het hof vast dat door het handelen van verdachte op 13 augustus 2025 tijdens het openbreken van de gokkast dat bloedspoor daar is terechtgekomen. Het hof schuift het door verdachte geschetste alternatieve scenario in hoger beroep met betrekking tot feit 2 daarmee als niet aannemelijk ter zijde.
Met betrekking tot het onderzoek naar kleptomanie en de oplegging van de ISD-maatregel
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om niet over te gaan tot het opleggen van de ISD-maatregel, om in een ambulant kader concreet te onderzoeken of bij verdachte sprake is van kleptomanie. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte kampt met kleptomanie, zijn er voldoende aanwijzingen dat daarvan sprake kan zijn. Er is onvoldoende onderzoek gedaan om erachter te komen of verdachte kleptomanie heeft. Verdachte is ontvankelijk voor hulp.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de oplegging van de ISD-maatregel. Aan alle formele vereisten is voldaan. Er is maatwerk mogelijk als verdachte zichzelf openstelt voor behandeling aan zijn (mogelijke) kleptomanie tijdens de ISD-maatregel. Als verdachte echter geen openheid van zaken geeft, wordt het onderzoek belemmerd en zal de ISD-maatregel in het teken staan van het beveiligen van de maatschappij.
Oordeel van het hof
De rechtbank heeft uitgebreid uiteengezet waarom oplegging van een ISD-maatregel is aangewezen. Daarbij is betrokken dat het opleggen van voorwaardelijke straffen met bijzondere voorwaarden niet hebben geleid tot gedragsverandering bij verdachte.
Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank tot oplegging van de ISD-maatregel en de in dat verband door de rechtbank opgenomen overwegingen.
Als verdachte daadwerkelijk gemotiveerd is om zich te laten behandelen, dan zijn er voor hem binnen deze maatregel voldoende mogelijkheden om beter zicht te krijgen op de oorzaken van zijn delictgedrag, ook indien sprake mocht zijn van kleptomanie. Verdachte heeft de afgelopen jaren laten zien dat hij er niet in slaagt om zich in een ambulant kader succesvol te laten behandelen én niet te recidiveren. Het hof ziet dan ook geen reden hem opnieuw een voorwaardelijke straf op te leggen.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. A.F. van Kooij en mr. E. Pennink, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 5 juni 2026.