Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3642

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
21-000539-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 63 SrArt. 227b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor uitkeringsfraude door opzettelijk verzwijgen van inkomsten en vermogen

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk nalaten van het tijdig verstrekken van gegevens aan de sociale dienst, waardoor hij onterecht bijstandsuitkering ontving. Gedurende de periode van 1 mei 2014 tot en met 18 december 2018 verzwijgde hij inkomsten uit grootschalige hennepteelt en een erfenis van onroerend goed.

Het hof baseerde zich op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen, proces-verbalen, schriftelijke bescheiden en een eenvoudige kasopstelling die aantoonde dat verdachte contante uitgaven deed zonder legale inkomstenbron. Verdachte ontkende de feiten en stelde niet op de hoogte te zijn van zijn inlichtingenplicht, maar dit werd verworpen omdat hij meerdere malen schriftelijk was gewezen op zijn verplichtingen.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 76 dagen gevangenisstraf, maar het hof vernietigde dit vonnis en legde een taakstraf van 150 uren op, subsidiair 75 dagen hechtenis. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de recidive van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte werd vrijgesproken van onderdelen van de tenlastelegging die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis wegens uitkeringsfraude.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000539-22
Uitspraakdatum: 4 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 27 januari 2022 met parketnummer
18-117556-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ),
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 21 mei 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte wordt veroordeeld voor het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. G.A.R. Di Antonio, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte voor het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2014 tot en met 18 december 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van Pro de Participatiewet (voorheen artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een (bijstand)uitkering krachtens die Participatiewet (voorheen Wet werk en bijstand) via het [werkplein 1] (voorheen Intergemeentelijke Sociale Dienst [plaats 2] , [plaats 1] en [plaats 3] , ISD), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door aan dat Werkplein (voorheen ISD) in het geheel niet te melden dat in voornoemde periode
- hij, verdachte, een erfenis en/of een of meer schenkingen (te weten onroerend goed) heeft aanvaard en/of verkregen, althans dat zijn (recht op) vermogen was toegenomen dan wel gewijzigd en/of
- hij, verdachte, werkzaamheden had verricht (vanwege hennepkweek en/of vanwege hulp in de [onderneming] ) en/of (vanwege die hennepkweek en/of voornoemde hulp bij [onderneming] ) inkomsten had genoten en/of giften (gebruik van bestelbus, althans voertuig) had verkregen,
zulks terwijl dat toen (telkens) wel het geval was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

1. De verklaring van verdachte ter zitting in eerste aanleg van 21 december 2021, voor zover inhoudende:
U houdt mij voor dat er schenkingsovereenkomsten zijn aangetroffen waaruit blijkt dat ik
voor 50% eigenaar ben geworden van een woning met tuin en dat dat niet is opgegeven bij
de sociale dienst. Dat klopt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 januari 2019, opgenomen op pagina 111 van het dossier van de sociale recherche van het [werkplein 1] met [nummer 1] d.d. 17 januari 2019, inhoudend als relaas van [verbalisant 1] en als verklaring van [naam 1] :
Uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat [verdachte] , voornoemd, kennelijk opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt of verzwegen bij de aanvraag van de uitkering en/of gedurende de periode dat de uitkering werd ontvangen. De feiten over inkomen, werk en vermogen werden niet of onjuist aangegeven op de formulieren of werden niet opgegeven middens de mutatieformulieren. [verdachte] heeft zich beziggehouden met grootschalige hennepteelt en heeft vermogen in de vorm van onroerend goed in het buitenland verzwegen. Wanneer [verdachte] de feitelijke situatie bekend had gemaakt aan WPDA of de rechtsvoorganger daarvan, dan was er geen uitkering verstrekt of was dit van invloed op de hoogte van de lopende uitkering. Gelet op het bovenstaande doe ik aangifte van het valselijk opmaken c.q. vervalsen van geschriften en deze in te leveren bij het WPDA dan wel van het niet opgeven van informatie of het geven van onjuiste informatie, waardoor het recht op uitbetaling de bijstandsuitkering is ontstaan.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een beschikking d.d. 21 april 2011 van het dagelijks bestuur van de (toenmalige) Intergemeentelijke Sociale Dienst te [plaats 1] met bijlage, gericht aan verdachte en zijn toenmalige partner, opgenomen op pagina 82 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:
MeldingOp 1 februari 2011 meldde u zich bij [werkplein 2] voor een uitkering volgens de Wet Werk en Bijstand (WWB).
ToekenningU krijgt een uitkering met ingang van 17 februari 2011 naar de norm voor gehuwden van 27 tot 65 jaar. (...)
InkomstenAls u naast uw uitkering ook inkomsten ontvangt, dan geeft u dat door. U kunt hiervoor het mutatieformulier gebruiken. De inkomsten worden verrekend met uw uitkering.
Wat wordt er van u verwacht?Een uitkering is niet vrijblijvend. U heeft ook verplichtingen. Deze staan voor u in de bijlage.
Lees de bijlage goed door.
Bijlage: Ik ontvang een uitkering, waar moet ik om denken?Als u een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) ontvangt, dan heeft u rechten maar ook plichten. In deze bijlage wordt uitgelegd wat deze rechten en plichten nu zijn. Waar moet u om denken?
InlichtingenplichtU geeft de nodige informatie als u daarom wordt gevraagd en u geeft zelf ook informatie door. Het gaat dan om informatie die van invloed kan zijn op uw uitkering of op uw mogelijkheden om te werken. U gebruikt hiervoor het mutatieformulier of u neemt contact op.
Niet nakomen verplichtingenAls u deze verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, kan uw uitkering worden verlaagd of tijdelijk gestopt. Uiteindelijk kan uw uitkering ook helemaal gestopt worden.
4. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief d.d. 23 mei 2015 van het dagelijks bestuur van de (toenmalige) Intergemeentelijke Sociale Dienst te [plaats 1] met bijlage, gericht aan verdachte, opgenomen op pagina 101 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:
Bijlage: Ik ontvang bijzondere bijstand, waar moet ik om denken?Als u bijzondere bijstand ontvangt op grond van de Participatiewet dan heeft u rechten maar ook plichten. In deze bijlage wordt uitgelegd wat deze rechten en plichten zijn.
InlichtingenplichtWanneer aan u aanvullende informatie wordt gevraagd dient u deze te verstrekken. U dient zelf ook informatie te verstrekken die van invloed kan zijn op uw bijzondere bijstand. Denk hierbij aan:
• alles wat met werk te maken heeft (ook als het vrijwilligerswerk betreft)
• alles wat met uw inkomen te maken heeft
• veranderingen in uw gezins- of thuissituatie
• veranderingen in uw verblijfplaats
• veranderingen in uw vermogen
Voor het doorgeven van wijzigingen gebruikt u het mutatieformulier.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 8 mei 2018, opgenomen op pagina 1116 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017009943 (Onderzoek: NNRAA17031-Miograna) d.d. 28 augustus 2018, inhoudend als relaas van [verbalisant 2] :
Op woensdag 22 november 2017 zijn tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte [verdachte] ( [adres] ) diverse (kassa)bonnen aangetroffen. In totaal zijn er 225 (kassa)bonnen aangetroffen. Ik zag dat er veel aangekochte goederen contant zijn betaald. Om mijn beeld te concretiseren heb ik de aangetroffen bonnen in een Excel bestand bezet. (...)
Alle bonnen bij elkaar opgeteld, kom ik uit op een bedrag van € 32.644,- wat contant is betaald. Er zijn 222 bonnen afkomstig uit de periode juni 2016 tot en met november 2017. Daarnaast zijn er in 2015 twee betalingen geweest in verband met de aankoop van een bank bij [bedrijf 1] te [plaats 1] ad € 1.349,-. Daarnaast is er een factuur aangetroffen waar geen datum op vermeld staat. Het betreft een factuur van € 2.300,- bij [bedrijf 2] voor de aanschaf van 120 [lampen] . Deze factuur is aangetroffen op de grond in de woonkamer, samen met 116 andere bonnen. De datum van de andere aangetroffen 116 bonnen, ligt tussen april 2015 en november 2017.
6. Een schriftelijk bescheid, te weten een “beschikking over de erfenis” d.d. 4 oktober 2015, opgenomen op pagina 1553 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017009943 (Onderzoek: NNRAA17031-Miograna)d.d. 28 augustus 2018, voor zover inhoudende:
Na het overlijden van de heer [vader verdachte] (..), overleden op 20-04-2015 (..)
Er wordt vastgesteld dat zijn nalatenschap bestaat uit:
I Onroerend goed. ingeschreven in het kadastraal bestand [nummer 2] , kadastraal [district]
II Als zijn erfgenaam op grond van de wet wordt [verdachte] , verklaard, zoon van [vader verdachte] , (..) in het geheel.
III Het kantongerecht in [plaats 4] - vast kantoor in [plaats 5] , als bevoegde rechtbank in kadasterzaken, zal de overdracht van het eigendomsrecht, na de rechtsgeldigheid van deze beschikking, het eigendoms- en mede-eigendomsrecht, van de naam van de erflater op de naam van de erfgenaam zetten, op de wijze zoals in het punt II van de beschikking, in overeenstemming met de regels van het kadasterrecht.
MotiveringDe erflater heeft geen testament nagelaten, zodat het hier gaat om het erven op grond van de Wet. Op de bespreking over de erfenis zijn de erfgenamen in de I. graad opgeroepen, de
echtgenote van de erflater [moeder verdachte] en de zoon van de erflater [verdachte] . De echtgenote van de erflater [moeder verdachte] heeft de erfenis aangenomen die haar op grond van de wet toebehoort, en tegelijkertijd heeft ze haar erfdeel in het geheel afgestaan aan haar zoon [verdachte] .
De zoon van de erflater [verdachte] heeft de erfenis aangenomen die hem op grond van de Wet toebehoort, net als het afgestane deel van zijn moeder [moeder verdachte] .
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 14 augustus 2018, opgenomen op pagina 1225 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017009943 (Onderzoek: NNRAA17031-Miograna) d.d. 28 augustus 2018, inhoudend als relaas van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Inzake onderzoek Miograna hebben wij, verbalisanten, onderzoek ingesteld naar de contante inkomsten en uitgaven binnen het huishouden van verdachte [verdachte] ( [geboortedag] 1981). Hierbij hebben wij gebruik gemaakt van de berekeningsmethode Eenvoudige Kasopstelling (EKO) ex artikel 36e lid 3 Sr. De onderzoeksperiode van deze Eenvoudige Kasopstelling betreft 1 mei 2014 tot en met 22 november 2017. (...) Het doel van deze Eenvoudige Kasopstelling is aantonen dat [verdachte] en zijn gezin gedurende langere tijd substantiële contante uitgaven hebben gedaan, waarvoor zij geen legale bron van inkomsten hadden. (...)
Op basis van bovengenoemde gegevens kan worden berekend welk bedrag aan contant geld verdachte [verdachte] en zijn gezin gedurende de onderzoeksperiode ter beschikking hadden voor het doen van uitgaven. Het beginsaldo contant geld (€ 180,-) plus de legale contante ontvangsten (€ 16.750,-) minus het eindsaldo contant geld (€ 980,-) komt uit op € 15.950,- (positief). (...)
De feitelijke contante uitgaven in de onderzoeksperiode bedragen in totaal € 71.053,63. (...)
Op basis van de berekeningsmethode Eenvoudige Kasopstelling is aangetoond dat verdachte [verdachte] en zijn gezin in de periode 1 mei 2014 tot en met 22 november 2017 minimaal
€ 55.103,63 contant geld hebben uitgegeven waarvoor zij geen legale bron van inkomsten hadden.
8. Een schriftelijk bescheid, te weten het arrest van het hof van heden, 4 juni 2026, onder parketnummer 21-000542-22 (onderzoek Miograna) tegen veroordeelde gewezen, voor zover inhoudende een met bewijsmiddelen belegde en gemotiveerde bewezenverklaring met betrekking tot, kortgezegd, grootschalige hennepteelt.

Bewijsoverweging

Verdachte wordt kortgezegd verweten dat hij een op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door in de periode van 1 mei 2014 tot en met 18 december 2018 zijn werkzaamheden uit arbeid (hennepteelt) en andere inkomsten en bezittingen niet aan de sociale dienst te melden.
Verdachte ontkent dat hij in deze periode de tenlastegelegde inkomsten uit arbeid en andere
inkomsten heeft gehad en dat hij voordeel heeft genoten van de bezittingen die hij heeft
geërfd. Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van de inlichtingenplicht en dat hij daarom deze niet opzettelijk heeft geschonden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Een (bijstands)uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (vanaf 1 januari 2015: de Participatiewet) is, kort gezegd, een voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan voor diegene die in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Tot dergelijke middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover iemand beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Er bestaat recht op bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen
beneden de bijstandsnorm is en er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
Op grond van artikel 17 van Pro deze wet was verdachte verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van invloed konden zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Dit is de zogenoemde inlichtingenplicht.
Het hof is, evenals de advocaat-generaal, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het gebruik van de bestelbus van [onderneming] in ruil voor het verrichten van reparaties van zodanige aard is dat kan worden gesproken van inkomsten die onder de inlichtingenplicht vallen. Verdachte zal daarom van dit gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Het hof acht bij arrest van heden in de zaak met parketnummer 21-000542-22 bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het op grote schaal telen van hennep. Dat verdachte daadwerkelijk inkomsten heeft gehad die niet zijn doorgegeven aan de sociale dienst blijkt onder meer uit de door verbalisanten opgemaakte eenvoudige kasopstelling, waaruit geconcludeerd wordt dat verdachte in de periode van 1 mei 2014 tot en met 22 november 2017 minimaal € 55.103,63 aan contant geld moet hebben uitgegeven, terwijl niet is gebleken dat daar een legale bron van inkomsten tegenover stond. Het hof constateert dat bij de eenvoudige kasopstelling de bij verdachte aangetroffen facturen voor een totaalbedrag van € 32.644,- in de berekening zijn meegenomen. Verdachte heeft gesteld dat hij deze bonnetjes/facturen spaarde voor vrienden, maar het hof acht deze niet onderbouwde stelling mede gezien de hoeveelheid bonnen niet geloofwaardig en schuift deze verklaring ter zijde, zodat deze facturen in de berekening kunnen worden meegenomen.
De door verdachte ontvangen erfenis bestaande uit het stuk grond en vastgoed vertegenwoordigde een economische waarde, waardoor dit mogelijk van invloed kon zijn op (de hoogte van) het recht op bijstand. Op verdachte rustte naar het oordeel van het hof de plicht om dergelijke gegevens aan de sociale dienst door te geven, zodat de sociale dienst kon beoordelen of en zo ja, in hoeverre deze wijzigingen in de situatie van verdachte invloed hebben op (de hoogte van) zijn recht op bijstand. Het is niet aan verdachte om die beoordeling zelf te maken. Door na te laten deze wijzigingen in zijn situatie door te geven aan de sociale dienst, heeft verdachte de sociale dienst de mogelijkheid ontnomen om te controleren of deze inkomsten en bezittingen gevolgen zouden moeten hebben voor zijn recht op bijstand. De vraag of verdachte al dan niet voordeel heeft genoten is daarbij niet van doorslaggevend belang.
Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat verdachte in de ten laste gelegde periode inkomsten heeft genoten uit hennepteelt en een erfenis heeft ontvangen die hij niet aan de sociale dienst heeft opgegeven. Door deze inkomsten niet door te geven aan de sociale dienst heeft verdachte zijn inlichtingenplicht geschonden.
Met betrekking tot het standpunt van de verdediging dat verdachte geen opzet had op het schenden van de inlichtingenplicht, overweegt het hof als volgt. Uit het dossier volgt dat verdachte bij de toekenningsbeschikking van 21 april 2011 en voorts op verschillende momenten nadien onder andere in 2015 en (in de jaren daarna) in ieder geval schriftelijk, (zoals bij beschikkingen van de sociale dienst op aanvragen van verdachte om toeslagen) telkens uitdrukkelijk is gewezen op de inlichtingenplicht. Daarnaast volgt uit het dossier dat verdachte op 12 april 2016 (bij afzonderlijk mutatieformulier) bij de sociale dienst heeft aangegeven dat zijn ex-partner tijdelijk weer bij hem op het adres woont. Daaruit blijkt dat verdachte wist dat hij wijzigingen moest doorgeven aan de sociale dienst. Het verweer van de verdediging dat verdachte niet op de hoogte was van de inlichtingenplicht en daarom niet opzettelijk de inlichtingenplicht zou hebben geschonden, wordt daarom verworpen. Dat niet is gebleken dat verdachte nadrukkelijke mondeling gewezen is op de inlichtingenplicht doet aan het voorgaande niet af.
Het hof acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl hij wist dat die gegevens van belang waren voor zijn recht op een uitkering, dan wel de hoogte daarvan. Het tenlastegelegde feit is zodoende wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in de periode van 1 mei 2014 tot en met 18 december 2018 te [plaats 1] , in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van Pro de Participatiewet (voorheen artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering krachtens die Participatiewet (voorheen Wet werk en bijstand) via het [werkplein 1] (voorheen Intergemeentelijke Sociale Dienst [plaats 2] , [plaats 1] en [plaats 3] , ISD), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door aan dat Werkplein (voorheen ISD) in het geheel niet te melden dat in voornoemde periode
- hij, verdachte, een erfenis en een schenking (te weten onroerend goed) heeft aanvaard en verkregen, en
- hij, verdachte, werkzaamheden had verricht vanwege hennepkweek en vanwege die hennepkweek inkomsten had genoten,
zulks terwijl dat toen wel het geval was.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode, vanaf 1 mei 2014 tot en met 18 december
2018, schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude door te verzwijgen dat hij inkomsten had uit
werkzaamheden in het kader van hennepteelt. Daarnaast heeft hij verzwegen dat zijn bezit
was toegenomen als gevolg van een erfenis (verdachtes erfdeel na het overlijden van zijn vader) en een schenking (het aan hem geschonken erfdeel van zijn moeder), in die zin dat verdachte onroerend goed op zijn naam heeft gekregen. Het kan zo zijn dat hij de erfenis later weer aan zijn moeder heeft geschonken, maar dat laat onverlet dat hierdoor het de sociale dienst onmogelijk is
geweest om (de hoogte van) het recht op bijstand te bepalen. Niet alleen de sociale dienst, maar indirect ook de samenleving is hierdoor benadeeld. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. Een uitkering is bedoeld om mensen die niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Door het handelen van verdachte wordt het stelsel van sociale zekerheid ondermijnd en raken mensen die op dit stelsel zijn aangewezen gedupeerd.
Het hof heeft gelet op een uitdraai van het strafblad van verdachte van 20 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor uitkeringsfraude. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw relevante gegevens voor de sociale dienst achter te houden. Het hof weegt deze eerdere veroordeling in strafverzwarende zin mee.
Ter zitting in hoger beroep is over de persoon van verdachte gebleken dat hij samenwoont met zijn vriendin en zijn zoon en dat hij goed contact met zijn ook dochter en kleinkind heeft. Verdachte heeft een eigen montagebedrijf en heeft daarnaast de zorg voor zijn moeder. Uit een eerder aan hem opgelegde ontnemingsmaatregel staat nog een bedrag van ongeveer € 19.000,- open en daarnaast heeft verdachte nog enkele andere schulden. Hij is bezig deze af te lossen.
Het hof heeft verder gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor fraude met een benadelingsbedrag tussen de
€ 10.000,- en € 70.000,-, waarvan in deze zaak sprake is, wordt in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee tot vijf maanden of een taakstraf passend geacht.
Gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de recidive van verdachte, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen in beginsel een passende straf zou zijn. Het hof acht oplegging van een vrijheidsbenemende straf echter niet langer aangewezen vanwege het ruime tijdsverloop en kiest daarom een taakstraf van 180 uren als uitgangspunt.
Het hof constateert dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de redelijke termijn voor het behandelen van de strafzaak fors is overschreden. Het hof zal daarom de op te leggen straf verminderen en een taakstraf van 150 uren opleggen.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. L.T. Wemes, mr. M.C. Fuhler en mr. G.A. Versteeg, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 juni 2026.