ECLI:NL:GHARL:2026:3594

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.361.134
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87 lid 6 RvArt. 4.5 landelijk procesreglementArt. 130 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing dwangsom en uitbreiding fotoverbod in burenruzie

In deze zaak staat een burenruzie centraal waarbij het geschil draait om een fotoverbod dat de rechtbank in 2023 aan beide partijen heeft opgelegd. Appellanten vorderen in kort geding een uitbreiding van dit fotoverbod en het opleggen van een dwangsom aan geïntimeerden wegens vermeende herhaalde overtredingen.

De rechtbank wees deze vorderingen af, en ook het hof bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat er onvoldoende bewijs is voor stelselmatige overtredingen van het fotoverbod, aangezien slechts twee incidenten zijn genoemd, waarvan één niet aan geïntimeerden kan worden toegerekend. Daarnaast wijst het hof de gevorderde uitbreiding van het fotoverbod af, omdat deze niet voldoende is onderbouwd en deels reeds is beoordeeld in eerdere procedures.

Het hof benadrukt dat het fotoverbod al een verbod omvat op het maken van foto- en filmopnamen van het perceel en de aanwezige personen, en dat een dwangsom niet gerechtvaardigd is gezien de omstandigheden. Appellanten worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het arrest is gewezen door drie rechters en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen tot oplegging van een dwangsom en uitbreiding van het fotoverbod af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.134
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 595966
arrest in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van

1.[appellant1]

2. [appellant2]

3. [appellante3]

4. [appellante4]

5. [appellante5]

6. [appellante6]

die allen wonen in [woonplaats]
hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellanten]
advocaat: mr. P.P.J. van der Rijt
en

1.[geïntimeerde1]

2. [geïntimeerde2]

3. [geïntimeerde3]

die allen wonen in [woonplaats]
hierna gezamenlijk in enkelvoud: [geïntimeerden]
advocaat: mr. C.H.A. Steinmeier

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellanten] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis in kort geding dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 2 oktober 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2.
Naar aanleiding van het arrest van 10 februari 2026 heeft op 9 april 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen partijen speelt een burenruzie. Er zijn al diverse procedures over uiteenlopende onderwerpen tussen partijen gevoerd. De rechtbank heeft in 2023 in een bodemprocedure aan beide partijen een fotoverbod opgelegd. [appellanten] wil uitbreiding van dit fotoverbod en wil dat er alsnog een dwangsom wordt verbonden aan het aan [geïntimeerden] opgelegde fotoverbod. Daarom is [appellanten] een kort geding procedure gestart. Daarin is het kort geding vonnis van 2 oktober 2025 gewezen, waar dit hoger beroep zich tegen richt. [geïntimeerden] is het niet eens met de gevorderde uitbreiding van het fotoverbod en de door [appellanten] gevorderde dwangsom.
2.2.
[appellanten] heeft bij de rechtbank – samengevat - gevorderd dat het [geïntimeerden] wordt verboden om (i) foto-, film- of andere beeld- en/of geluidsopnamen te maken van het perceel van [appellanten] , (ii) foto-, film- of andere beeld- en/of geluidsopnamen te maken van [appellanten] , zijn gezinsleden, bezoekers, werklieden of andere personen op of bij het perceel van [appellanten] , (iii) vanaf de openbare weg of vanaf [geïntimeerden] eigen perceel gericht te filmen of fotograferen naar het perceel van [appellanten] , indien dit mede het doel heeft personen of handelingen op het perceel vast te leggen en (iv) enig beeldmateriaal dat in strijd met dit verbod is verkregen te gebruiken, te bewaren, aan derden te verstrekken of op enige wijze te (doen) verspreiden, openbaar te maken of anderszins te benutten. Daarnaast heeft [appellanten] gevorderd dat het [geïntimeerden] wordt verboden om zich zonder toestemming van [appellanten] op zijn perceel te begeven. Dit alles op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- per overtreding met een maximum van € 50.000,--.
2.3.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen, in die zin dat aan het bij het vonnis in de bodemprocedure van 18 januari 2023 aan [geïntimeerden] opgelegde fotoverbod alsnog een dwangsom wordt verbonden van een door het hof naar redelijkheid vast te stellen bedrag met een door het hof vast te stellen maximum. Daarnaast vordert [appellanten] in hoger beroep te bepalen dat dit verbod mede omvat (i) het gebruik, bewaren en verspreiden van in strijd met het fotoverbod verkregen beeldmateriaal en (ii) het zonder toestemming betreden van het perceel van [appellanten] en (iii) het gericht filmen of fotograferen van dat perceel of van daarop aanwezige personen vanaf aangrenzende locaties.
2.4.
Het hof zal beslissen dat geen dwangsom wordt verbonden aan het fotoverbod. Daarnaast zal het hof de vordering tot uitbreiding van de reikwijdte van het fotoverbod afwijzen. Dit betekent dat het hof het vonnis van de rechtbank in stand laat. Het hof licht deze beslissingen hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Achtergrond van de zaak
3.1.
Partijen zijn sinds 2019 buren. Zij hebben al diverse procedures gevoerd, zowel kort geding- als bodemprocedures. In een van die procedures heeft de rechtbank bij bodemvonnis van 18 januari 2023 aan partijen over en weer een fotoverbod opgelegd.
3.2.
In de onderhavige procedure is alleen het in dat vonnis aan [geïntimeerden] opgelegde fotoverbod aan de orde. Dit fotoverbod houdt in:
  • i) een verbod om foto- en/of filmopnamen te maken van het terrein van [appellanten] of het bezoek van [appellanten] , al dan niet met vaste camera’s, smartphones en/of drone (dictum onder 4.5); en
  • ii) een gebod om zich te onthouden van het maken van foto- en cameraopnamen van [appellanten] en andere aanwezigen op het perceel van [appellanten] (dictum onder 4.6).
3.3.
De rechtbank heeft in het vonnis van 18 januari 2023 de vordering om aan overtreding van dit fotoverbod een dwangsom te verbinden afgewezen, omdat dit tot verdere escalatie van het geschil zou kunnen leiden (3.16 van het vonnis).
3.4.
Tegen het vonnis van 18 januari 2023 is door beide partijen hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroep heeft [appellanten] niet geklaagd over de afwijzing van zijn vordering om aan de overtreding van het fotoverbod een dwangsom te koppelen. Dit hof heeft op 21 oktober 2025 arrest gewezen in die procedure. Het door de rechtbank opgelegde fotoverbod, zonder dwangsom, bleef in stand. Tegen dit arrest is inmiddels cassatieberoep ingesteld.
Er is een spoedeisend belang
3.5.
In een kort geding moet het hof ambtshalve beoordelen of de partij die een voorlopige voorziening vraagt, nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof. [appellanten] stelt dat er sprake is van een herhaaldelijke en stelselmatige overtreding van het fotoverbod en dat verdere escalatie van het geschil tussen partijen dreigt. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van een voldoende spoedeisend belang.
Eiswijziging en producties
3.6.
[appellanten] heeft op zaterdag 4 april een akte eiswijziging – inhoudende een vermeerdering van eis – van 11 pagina’s ingediend. Maandag 6 april was Tweede Paasdag. De akte is daardoor pas op dinsdag 7 april 2026 door het hof ontvangen, terwijl de mondelinge behandeling op donderdag 9 april 2026 plaatsvond. In de akte werd tevens een aantal (18) nieuwe producties genoemd, welke producties het hof pas op 8 april 2026 (in twee gedeeltes) heeft ontvangen. [geïntimeerden] heeft zowel tegen de eiswijziging als tegen de indiening van deze producties bezwaar gemaakt. Gelet op artikel 87 lid 6 Rv Pro en artikel 4.5 van het landelijk procesreglement zijn de akte en de producties te laat ingediend. Daarin staat immers dat deze uiterlijk 10 werkdagen voor de mondelinge behandeling in het geding moeten zijn gebracht. Dit stond ook in het arrest van 10 februari 2026. Het hof heeft zowel de akte eiswijziging als de producties geweigerd. [appellanten] heeft niet overtuigend kunnen onderbouwen waarom de indiening van deze stukken niet op een (veel) eerder moment had kunnen plaatsvinden.
3.7.
De advocaat van [appellanten] heeft daarop tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat [appellanten] dan ter plekke zijn eis wijzigt. Hij heeft verzocht dit in het proces-verbaal op te nemen. Nog afgezien van het feit dat een eiswijziging op grond van artikel 130 Rv Pro schriftelijk moet plaatsvinden, wat niet is gebeurd, is het hof van oordeel dat deze eiswijziging te laat is. De eiswijziging komt in strijd met de twee-conclusie-regel. Op deze in beginsel strakke regel kan een uitzondering worden gemaakt bij ondubbelzinnige instemming van de wederpartij. [geïntimeerden] heeft zich echter tegen de eiswijziging verzet. Ook kan de aard van het geschil of de eisen van een goede procesorde een uitzondering rechtvaardigen, maar dit doet zich in dit geval niet voor. Ook deze eiswijziging zal daarom buiten beschouwing worden gelaten.
Uitgangspunten voor de beoordeling
3.8.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de afstemmingsregel toegepast. De afstemmingsregel houdt – kort gezegd - in dat als de bodemrechter al een vonnis in de hoofdprocedure heeft gewezen, het hof zijn arrest moet afstemmen op het oordeel van de bodemrechter. [appellanten] stelt dat de rechtbank de afstemmingsregel onjuist heeft toegepast. [geïntimeerden] betwist dit.
3.9.
Het hof is van oordeel dat de afstemmingsregel in dit geval niet van toepassing is. De vorderingen om alsnog een dwangsom aan het fotoverbod te verbinden en de reikwijdte van het fotoverbod uit te breiden zijn immers zelfstandige vorderingen, waarover (in dit geval) de kort geding rechter mag beslissen indien er sprake van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de situatie waarover de bodemrechter al heeft beslist. [1]
Geen stelselmatige en herhaaldelijke overtreding – geen dwangsom
3.10.
[appellanten] stelt dat [geïntimeerden] het fotoverbod herhaaldelijk en stelselmatig overtreedt en dat het daarom nodig is om naleving van het fotoverbod te versterken met een dwangsom. Hij verwijst ter onderbouwing daarvan naar twee incidenten. Op 21 juni 2025 heeft [geïntimeerde1] een foto gemaakt, terwijl zij op het perceel van [appellanten] stond (hier: het foto-incident). Op die foto is ook een deel van het perceel van [appellanten] zichtbaar. [geïntimeerden] heeft erkend dat [geïntimeerde1] de foto heeft gemaakt en dat zij op dat moment op het perceel van [appellanten] stond. Daar mocht zij ook staan, op basis van een erfdienstbaarheid, aldus [geïntimeerden] . Volgens [geïntimeerden] is op de foto ook maar een klein stukje van het perceel van [appellanten] zichtbaar: de hoofdmoot van de foto is een vrachtwagen waarvan de spiegels (bijna) de takken langs de weg raken. Het andere incident gaat om een drone die [appellanten] op 30 juni 2025 ter hoogte van zijn slaapkamerraam heeft gezien (hierna: het drone-incident). [appellanten] heeft foto’s van de drone overgelegd. Volgens [geïntimeerden] heeft hij niets met deze drone te maken.
3.11.
Het hof zal de vordering om aan overtreding van het fotoverbod een dwangsom te verbinden afwijzen. [appellanten] heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van stelselmatig en herhaalde overtredingen van het fotoverbod door [geïntimeerden] . Hij heeft slechts twee incidenten genoemd. Ten eerste het drone-incident: het is niet komen vast te staan dat [geïntimeerden] enige bemoeienis heeft gehad met de door [appellanten] gesignaleerde drone. Twee ongedateerde foto’s van een drone zijn daarvoor onvoldoende onderbouwing en meer onderbouwing heeft [appellanten] , noch in de dagvaarding in hoger beroep, noch (desgevraagd) tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, gegeven. Ten tweede het foto-incident: het hof laat in het midden of dit foto-incident, waarbij een klein gedeelte van de weg, eigendom van [appellanten] is vastgelegd, een overtreding van het fotoverbod is. Want zelfs als dat zo zou zijn, dan is dat enkele incident naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding om alsnog een dwangsom te verbinden aan overtreding van het fotoverbod. Eén (vermeende) overtreding in een periode van inmiddels ruim drie jaar – het verbod dateert van 18 januari 2023 - kwalificeert niet als stelselmatige en/of herhaaldelijke overtredingen. Van gewijzigde omstandigheden die het (alsnog) opleggen van een dwangsom rechtvaardigen is daarom geen sprake. Het hof geeft [geïntimeerden] nog wel mee dat het foto-incident gelet op de verstoorde relatie tussen partijen op zijn minst ongelukkig was en dat dergelijke incidenten de gespannen verhoudingen tussen partijen niet ten goede komen.
3.12.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake zou zijn van stelselmatig en herhaaldelijke overtreding van het fotoverbod wijst [appellanten] ook nog diverse keren op een passage in het arrest van dit hof van 21 oktober 2025 waarin het hof zou hebben geoordeeld dat [geïntimeerden] zich het perceel van [appellanten] zou hebben toegeëigend alsof het hun eigen erf betrof. Het hof vindt deze passage echter niet terug in het betreffende arrest. [appellanten] verwijst in dit kader naar rechtsoverwegingen 2.13 en 2.14 van het arrest, maar daarin leest het hof deze passage niet. Rechtsoverweging 6.7, waar [appellanten] ook naar verwijst, komt in het arrest niet voor. Overigens ziet dit arrest op andere onderwerpen dan in onderhavige procedure aan de orde, waaronder de omvang van een erfdienstbaarheid.
Reikwijdte fotoverbod
3.13.
[appellanten] stelt ook de reikwijdte van het fotoverbod ter discussie. Volgens [appellanten] moet dit fotoverbod ruimer worden uitgelegd dan wat de rechtbank in de bodemprocedure heeft geoordeeld (zie r.o. 3.2 hiervoor). Hierna zal het hof toelichten waarom het hof deze vorderingen afwijst.
(i) het gebruik, bewaren en verspreiden van in strijd met het fotoverbod verkregen beeldmateriaal
3.14.
[appellanten] vordert in de eerste plaats dat het hof zal bepalen dat het aan [geïntimeerden] opgelegde fotoverbod mede omvat het gebruik, bewaren en verspreiden van in strijd met het fotoverbod verkregen beeldmateriaal. Volgens [appellanten] is deze uitbreiding van het fotoverbod nodig omdat er door derden foto’s zijn gemaakt van het perceel van [appellanten] en deze foto’s met [geïntimeerden] zouden zijn gedeeld. Zo heeft er op 10 februari 2026 een kadastrale meting plaatsgevonden. Beide partijen hebben daarvoor een deurwaarder ingeschakeld. De deurwaarder van [geïntimeerden] heeft toen foto’s gemaakt van het perceel van [appellanten] . Na ingrijpen van [appellanten] advocaat heeft de deurwaarder deze foto’s verwijderd. Ook is er op enig moment iemand van de gemeente geweest die foto’s heeft gemaakt van het perceel van [appellanten] en deze heeft gedeeld met [geïntimeerden] . Deze foto’s zijn toen in processtukken gebruikt, aldus [appellanten] . [geïntimeerden] betwist dat [appellanten] belang heeft bij deze vordering.
3.15.
Het hof stelt voorop dat de door [appellanten] aangehaalde voorbeelden, als deze zich inderdaad hebben voorgedaan, geen overtreding lijken te zijn van het fotoverbod. Het fotoverbod is immers opgelegd aan [geïntimeerden] zélf en niet aan derden, zoals een gemeenteambtenaar of een deurwaarder. [appellanten] vordert niet een zelfstandig verbod tot het gebruiken, bewaren en verspreiden van foto’s die betrekking hebben op [appellanten] of zijn perceel. Hij vordert een verbod tot dat gebruik van opnames die
in strijd met het fotoverbodzijn gemaakt. Daarvan is in de door [appellanten] gestelde voorbeelden geen sprake. [appellanten] heeft (het belang van) zijn vordering daarmee niet voldoende onderbouwd. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
3.16.
Voor zover [appellanten] wel heeft bedoeld een zelfstandig verbod te vorderen tot het gebruiken, bewaren en verspreiden van foto’s die betrekking hebben op [appellanten] of zijn perceel, dan geldt tevens dat [appellanten] (het belang van) die vordering niet voldoende heeft onderbouwd.
(ii) het zonder toestemming betreden van het perceel van [appellanten]
3.17.
Ten tweede vordert [appellanten] dat het hof zal bepalen dat het aan [geïntimeerden] opgelegde fotoverbod mede omvat het zonder toestemming betreden van het perceel van [appellanten] . Volgens [geïntimeerden] heeft [appellanten] geen belang bij deze vordering omdat deze al onderdeel is geweest van de bodemprocedure en daarover al is geoordeeld.
3.18.
Het hof is van oordeel dat deze specifieke vordering nog niet eerder is beoordeeld. In het arrest van het hof van 21 oktober 2025 is weliswaar geoordeeld dat [geïntimeerden] , behoudens toestemming van [appellanten] , geen inbreuk mag maken op het eigendomsrecht van [appellanten] , maar dit ziet op specifieke vormen van gebruik. Het gaat dan bijvoorbeeld om het legen van afvalcontainers. In die procedure lag geen algemeen verbod voor op het zonder toestemming betreden van het perceel van [appellanten] . Toch zal het hof de vordering afwijzen. [appellanten] heeft zijn stelling dat het fotoverbod mede het zonder toestemming betreden van het perceel van [appellanten] omvat, onvoldoende onderbouwd. Een dergelijke invulling is ook op geen enkele wijze uit de formulering van het verbod af te leiden. Daarbij komt dat [geïntimeerden] op grond van een erfdienstbaarheid onder voorwaarden gebruik mag maken van een deel van het perceel van [appellanten] . Een algemeen verbod om zonder toestemming het perceel van [appellanten] te betreden zou ook om die reden niet kunnen worden toegewezen.
(iii) het gericht filmen of fotograferen van dat perceel of van daarop aanwezige personen vanaf aangrenzende locaties
3.19.
Ten slotte vordert [appellanten] nog dat het hof zal bepalen dat het aan [geïntimeerden] opgelegde fotoverbod mede omvat het gericht filmen of fotograferen van [appellanten] perceel of van daarop aanwezige personen vanaf aangrenzende locaties. Volgens [geïntimeerden] ontbreekt het [appellanten] aan belang bij deze vordering.
3.20.
Het hof is van oordeel dat [appellanten] inderdaad geen belang heeft bij deze vordering. Het fotoverbod omvat een verbod om (i) foto- en/of filmopnamen te maken van het terrein van [appellanten] of het bezoek van [appellanten] en (ii) een gebod om zich te onthouden van het maken van foto- en cameraopnamen van [appellanten] en andere aanwezigen op het perceel van [appellanten] . Dit omvat dus al het gericht filmen of fotograferen van dat perceel of van daarop aanwezige personen vanaf aangrenzende locaties. Dit betekent dat ook dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.
De conclusie
3.21.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellanten] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.22.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 2 oktober 2025;
4.2.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :
€ 362,-- aan griffierecht
€ 2.580,-- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.A. de Vrey, A.E.F. Hillen en P.E. Lucassen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.Benelux-Gerechtshof 17 december 2009, nr. A2008/2, ECLI:NL:XX:2009:BL5284