Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3516

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.362.020
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253a lid 2 BWArt. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377e BWArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming verhuizing en wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling minderjarige kinderen

De moeder en vader zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen. De moeder verzocht om vervangende toestemming om met de kinderen te verhuizen naar een andere plaats, waar haar partner recent een woning heeft gekocht. De rechtbank wees dit verzoek af, evenals het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te plaatsen.

In hoger beroep bevestigt het hof de afwijzing van het verzoek tot verhuizing. De moeder heeft onvoldoende noodzaak aangetoond voor de verhuizing en het belang van de kinderen weegt zwaarder. De kinderen hebben een stabiele woon- en sociale omgeving in de huidige woonplaats, en een verhuizing zou leiden tot twee leefwerelden en extra belasting, vooral gezien de kwetsbaarheid van een van de kinderen.

Het hof wijzigt echter de hoofdverblijfplaats van de kinderen naar de vader vanaf het moment dat de moeder daadwerkelijk verhuist, en past de zorgregeling aan. De nieuwe regeling voorziet in een zorgverdeling waarbij de kinderen meer tijd bij de vader doorbrengen, met een zorgvuldige verdeling van vakanties en verjaardagen, om continuïteit en stabiliteit te waarborgen.

De vader had bezwaar tegen de verhuizing en vroeg om wijziging van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling, wat het hof toelaat en toewijst. De moeder wilde de vader niet-ontvankelijk verklaren, maar het hof oordeelt dat het verzoek toelaatbaar is. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het overige meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot verhuizing afgewezen, hoofdverblijfplaats gewijzigd naar vader bij verhuizing en zorgregeling aangepast.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.020
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 592991)
beschikking van 2 juni 2026
inzake
[verzoekster],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.Q.M. Mosk,
en
[verweerder],
wonende in [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.N. Ziekman-Meijerink.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 27 augustus 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 november 2025;
- het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 3 april 2026 met producties;
- een journaalbericht namens de vader van 3 april 2026 met producties;
- de pleitnota namens de moeder en
- de pleitnota namens de vader.
2.2
De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven over de verzoeken van de ouders, maar heeft laten weten daarvan geen gebruik te willen maken.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een kantoorgenoot van de advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad).

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn gehuwd geweest. Het huwelijk is op 16 februari 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2017 en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2018.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
3.3
De moeder en haar huidige partner zijn de ouders van [kind1] , geboren [in] 2025.
3.4
De huidige partner van de moeder heeft in maart 2026, dus na de bestreden beschikking, een woning in [plaats1] gekocht met de bedoeling daar samen met de moeder, [kind1] en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te gaan wonen.
3.5
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , heeft in de echtscheidingsbeschikking van 20 januari 2021 bepaald dat het tussen de ouders op respectievelijk 12 december 2020 en 14 december 2020 gesloten convenant en het ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In het ouderschapsplan is onder meer tussen de ouders afgesproken dat de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij de moeder en is een zorgregeling vastgelegd. Deze zorgregeling is later gewijzigd. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven nu zes nachten in de twee weken bij de vader en acht nachten bij de moeder, waarbij op de woensdagen wordt gewisseld om 9.00 uur. De vakantie- en feestdagen zijn bij helfte verdeeld.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier relevant, het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar [plaats1] te verhuizen en het verzoek van de vader te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voortaan bij hem zal zijn als het verzoek van de moeder om te verhuizen wordt toegewezen, afgewezen.
4.2
De moeder is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek en komt daarom in hoger beroep. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar [plaats1] te verhuizen.
4.3
De vader is het wel eens met de afwijzing van het verzoek van de moeder door de rechtbank. Hij wil dat het hof die beslissing in stand laat.
4.4
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats. Hij wil dat het hof die beslissing ongedaan maakt en alsnog bepaalt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats voortaan op zijn adres zullen hebben. Verder verzoekt de vader voorwaardelijk aanvullend dat vanaf het moment dat de moeder haar huurwoning in [woonplaats] heeft opgezegd en verlaten en haar intrek heeft genomen in een woning in [plaats1] de zorgregeling voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zo te wijzigen dat de kinderen:
- in de even weken van maandagmiddag uit school tot en met donderdagochtend naar school bij hem verblijven en van donderdagmiddag uit school tot en met vrijdagochtend naar school bij de moeder verblijven en van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school weer bij hem verblijven en
- in de oneven weken van maandagmiddag uit school tot en met donderdagochtend naar school bij hem verblijven en van donderdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de moeder verblijven, waarbij de moeder zich dient te committeren aan speelafspraken, beoefening van sportactiviteiten, kinderfeestjes en overige sociale naschoolse activiteiten van de kinderen in [woonplaats] en waarbij de moeder het halen en brengen van de kinderen tussen [plaats1] en [woonplaats] voor haar rekening neemt.
4.5
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. Zij vraagt het hof om de vader niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

De vervangende toestemming voor de verhuizing
Wat staat in de wet?
5.1
Het hof dient in een geschil als dit, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over de kinderen belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van een ouder en de kinderen, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. [1] De belangen van het kind vormen de eerste overweging (artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind), maar andere belangen kunnen zwaarder wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.
5.2
Volgens het in de rechtspraak ontwikkelde toetsingskader voor een verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing kunnen de volgende omstandigheden een rol spelen bij de afweging van de belangen:
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen en
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
5.3
In beginsel dient de moeder de gelegenheid te krijgen met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Hierna zal worden beoordeeld of de wens van de moeder om met de kinderen te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging te rechtvaardigen valt.
Hoe oordeelt het hof?
5.4
Op grond van de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is het hof net als de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de moeder om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar [plaats1] te verhuizen, moet worden afgewezen. Daarom zal het hof de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel in stand laten (bekrachtigen). Het hof overweegt daartoe als volgt.
5.5
De moeder heeft naar het oordeel van het hof - mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vader - onvoldoende onderbouwd dat haar belang met zich brengt dat vervangende toestemming moet worden verleend voor een verhuizing naar [plaats1] .
De wens van de moeder om te verhuizen naar [plaats1] om daar een gezinsleven met haar partner, hun dochter [kind1] en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op te bouwen is op zichzelf invoelbaar. Alleen leidt een afweging van alle belangen er niet toe, dat aan de moeder vervangende toestemming kan worden verleend om met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verhuizen. Het hof constateert dat zowel de moeder als de vader in de stukken erg uitgebreid zijn ingegaan op alle hiervoor genoemde omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de belangenafweging, maar naar het oordeel van het hof heeft de moeder met name de noodzaak om te verhuizen naar [plaats1] niet aangetoond en ook is niet van andere feiten en omstandigheden gebleken die tot het verlenen van vervangende toestemming zouden moeten leiden. De moeder heeft de keuze gemaakt om de wens van haar partner, die om hem moverende redenen niet in [woonplaats] wil wonen, te volgen. Dat de partner graag in [plaats1] wil wonen en daar recent (maart 2026) een woning heeft gekocht, vindt het hof van ondergeschikt belang. De partner werkt op [naam1] en wat werk betreft ziet het hof voor de partner geen belemmering om in [woonplaats] te gaan wonen. Ook van andere omstandigheden die maken dat de partner niet in [woonplaats] zou kunnen wonen is niet gebleken. Dat de huidige woning van de moeder in [woonplaats] niet geschikt is om met het hele gezin in samen te wonen, maakt eveneens niet dat daarmee de noodzaak om te verhuizen naar [plaats1] is gegeven. De moeder en de partner hebben geen enkele poging ondernomen om een passende woning in [woonplaats] te vinden, terwijl niet is gebleken dat zij niet de financiële middelen hebben om een geschikte woning in [woonplaats] te kopen of te huren.
5.6
De moeder stelt voorts voor het eerst in hoger beroep dat de verhuizing noodzakelijk is vanwege gezondheidsredenen. Haar gezondheid is verslechterd en de moeder heeft recent in maart 2026 een diagnose gekregen dat zij waarschijnlijk een ernstige, mogelijk beperkende ziekte heeft. De moeder stelt dat het van wezenlijk belang is dat zij zo min mogelijk stress ervaart, omdat stress een factor kan zijn die de klachten verergert. De moeder wil dan ook graag eindelijk in één huis samenwonen met haar partner en haar drie kinderen, zonder dat zij één van de kinderen voor meer dan de helft van de tijd moet missen. Volgens de moeder is er daarom een medische noodzaak bij een verhuizing. Het hof vindt het voorstelbaar dat deze procedure de moeder stress geeft en dat dit niet goed is voor haar gezondheid, alleen is deze stress van de procedure(s) wel het gevolg van de persoonlijke keuze van de moeder om de wens van haar partner om in [plaats1] te willen wonen, te volgen. De moeder en haar partner hebben zich volledig gericht op het samenwonen in [plaats1] , maar van een noodzaak voor de moeder om samen met de kinderen te verhuizen naar [plaats1] is niet gebleken. Naar het oordeel van het hof staat er niets aan in de weg om het door de moeder zo gewenste gezinsleven in [woonplaats] op te bouwen, behalve de wens van de partner om in [plaats1] te willen wonen die het hof, zoals eerder overwogen, van ondergeschikt belang vindt aan dat van de kinderen.
5.7
Behalve dat het hof geen enkele noodzaak is gebleken voor een verhuizing naar [plaats1] , acht het hof een verhuizing ook niet in het belang van de kinderen. De raad heeft op de zitting benadrukt dat het in het algemeen in het belang van kinderen is dat zij één leefwereld hebben, één plaats waar zij naar school gaan, hun vrienden en activiteiten hebben en waar hun ouders wonen. Het hof volgt niet de stelling van de moeder dat een verhuizing naar [plaats1] het leven van de kinderen in wezen intact laat. Weliswaar is de afstand tussen [plaats1] en [woonplaats] niet groot, maar het betekent wel dat de kinderen bij een verhuizing twee leefwerelden krijgen. Het hof is het eens met de overweging van de rechtbank dat de praktische gevolgen voor de kinderen van een verhuizing naar [plaats1] groot zijn. De kinderen worden steeds zelfstandiger en kunnen zich vrijer bewegen als de ouders in dezelfde woonplaats wonen. Bij een verhuizing naar [plaats1] zijn de kinderen in elk geval de komende jaren nog volledig afhankelijk van (het vervoer door) de moeder om naar school in [woonplaats] te gaan of na schooltijd of in weekenden af te spreken met klasgenoten of vriendjes in [woonplaats] of voor andere sociale activiteiten die in [woonplaats] plaatsvinden. Het hof is van oordeel dat de huidige vertrouwde en stabiele woonsituatie en sociale omgeving van de kinderen zo veel mogelijk bestendigd dient te worden. Het gaat nu goed gaat met de kinderen in de huidige woonomgeving. Het hof houdt daarbij tevens rekening met het feit dat uit de behandelverslagen van het [naam2] blijkt dat [de minderjarige1] een sociaal emotioneel kwetsbare jongen is en dat hij veel spanningen ervaart rondom de echtscheiding en loyaliteit richting de ouders. Naast het syndroom waarmee hij eerder is gediagnostiseerd is bij [de minderjarige1] een ongespecificeerde stoornis vastgesteld. Hij heeft daardoor moeite met onder andere prikkelverwerking en raakt snel overbelast. Ondanks dat de moeder stelt dat [de minderjarige1] is te begeleiden bij veranderingen, acht het hof het niet in zijn belang om te verhuizen gelet op zijn kwetsbaarheid. Zeker nu de noodzaak van een verhuizing niet is gebleken.
Voor zover de moeder stelt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] al vaker zijn verhuisd na de echtscheiding en gewend zijn aan verhuizingen, merkt het hof op dat deze verhuizingen steeds hebben plaatsgevonden in [woonplaats] en dit geen gevolgen heeft gehad voor hun woonomgeving, sociale contacten, hobby’s en sportactiviteiten. Dat [de minderjarige1] wekelijks in [plaats1] moet zijn voor logopedie en hydrotherapie, de kinderen tijdens de weekenden met de moeder in [plaats2] bij de partner verblijven en zij zich volgens de moeder moeiteloos bewegen tussen de direct aangrenzende gemeenten, is wat anders dan acht nachten in de twee weken daadwerkelijk wonen en leven in [plaats1] . De school van de kinderen is in [woonplaats] en zij wonen nagenoeg hun hele leven in [woonplaats] , zodat daar ook het centrum ligt van hun sociale contacten en (sport)activiteiten.
Het hof volgt de moeder ook niet in haar stelling dat het voor de identiteitsontwikkeling van [kind1] van groot belang is dat zij haar vader leert kennen en een band met hem opbouwt, dat in de huidige feitelijke situatie wordt bemoeilijkt door het gescheiden leven van haar ouders. Dit is door de moeder en de partner op te lossen door het zoeken naar een geschikte woning voor het gezin in [woonplaats] .
De wens van de moeder en haar partner is onvoldoende om het leven van de kinderen dat zich toch grotendeels afspeelt in [woonplaats] te doorbreken met een verhuizing naar [plaats1] . Dat de kinderen zeggen dat ze wel willen verhuizen naar [plaats1] betekent nog niet dat het in hun belang is om te verhuizen. Voor de kinderen is het gezien hun leeftijd lastig om de praktische consequenties van een verhuizing van de moeder naar [plaats1] goed te kunnen overzien. Bovendien blijkt uit de brieven van de kinderen dat zij loyaal zijn naar beide ouders toe en zullen zij geen van beiden willen afvallen.
5.8
Na afweging van alle betrokken belangen is het hof van oordeel dat de keuze van de moeder om naar [plaats1] te willen verhuizen, de daarmee gepaard gaande extra onrust en belasting van de kinderen, niet rechtvaardigt.
De zorgregeling en de hoofdverblijfplaats
Wat staat in de wet?
5.9
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en dat betekent onder andere dat zij samen afspraken kunnen maken over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. Als de ouders het oneens zijn over de hoofdverblijfplaats of de zorgregeling, kan één van hen dit aan de rechter voorleggen. [2] De rechter kan een eerder vastgestelde hoofdverblijfplaats en zorgregeling of door ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen als de omstandigheden daarna zijn gewijzigd. [3] De rechter neemt een beslissing die hij in het belang van het kind vindt.
5.1
Omdat de moeder het voornemen heeft te verhuizen naar [plaats1] en dat dit, nu de toestemming ontbreekt, zonder de kinderen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zal (moeten) zijn is er naar het oordeel van het hof sprake van een wijziging van omstandigheid die een nieuwe beoordeling van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling rechtvaardigt.
5.11
De vader heeft voorwaardelijk aanvullend verzocht dat vanaf het moment dat de moeder haar huurwoning in [woonplaats] heeft opgezegd en verlaten en haar intrek heeft genomen in een woning in [plaats1] de zorgregeling te wijzigen waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vijf nachten in de twee weken bij de moeder verblijven en negen nacht bij hem.
5.12
De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader dit verzoek niet voor het eerst in hoger beroep kan doen en dat de vader om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek. Als de vader wel ontvankelijk is, moet het verzoek worden afgewezen. De vader verzoekt een ingrijpende wijziging van de bestaande zorgregeling, waarbij de aangevoerde redenen niet zien op problemen binnen de huidige regeling, maar zijn op te vatten als een afgeleide reactie op de door hem ongewenste verhuizing. Voor een wijziging op grond van artikel 1:253a BW is echter vereist dat wordt aangetoond dat een wijziging van de zorgverdeling in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De huidige regeling functioneert naar omstandigheden goed. De kinderen hebben een duidelijk ritme, een evenwichtige verdeling tussen beide ouders en ervaren stabiliteit. De huidige zorgregeling kan na verhuizing onverkort uitvoerbaar blijven en beide kinderen hebben uitgesproken bij allebei de ouders evenveel te willen blijven. Mocht het hof de zorgregeling wijzigen, dan zou vanuit dat perspectief een regeling passend geacht kunnen worden van week op week af met wisseling op woensdag. Bij brief van 3 april 206 heeft de moeder het hof gevraagd indien het hof wel een wijziging van de zorgregeling in het belang van de kinderen acht én daarbij besluit dat de kinderen in overeenstemming met het verzoek van de vader negen van de veertien dagen bij hem verblijven, het in het belang van de kinderen is om het merendeel van de vakanties bij haar te zijn zodat haar tijd met de kinderen (en de tijd van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met hun (half)zusje [kind1] ) voldoende is gewaarborgd voor het maken van mooie herinneringen. Zij acht het in die situatie redelijk wanneer de kinderen:
- iedere herfst- en voorjaarsvakantie bij haar zijn, de helft van de kerst- en meivakantie alsmede vier aaneengesloten weken in de zomervakantie, waarbij
- de vakantie aanvangt op de laatste schooldag uit school en duurt tot de eerstvolgende
schoolochtend naar school,
althans dat de kinderen alle studiedagen en lange weekends bij haar verblijven zoals Hemelvaart, Pinksteren en Pasen, waarbij eveneens geldt dat het zorgmoment aanvangt op de laatste schooldag uit school voorafgaand aan het betreffende weekend c.q. studiedag en duurt tot de eerstvolgende schoolochtend naar school.
Tot slot acht de moeder het wenselijk dat wanneer het hof het aanvullende verzoek van de vader toewijst, de kinderen hun verjaardag vieren in de oneven jaren bij moeder en in de even jaren bij vader, waarbij de kinderen de middag voorafgaand aan hun verjaardag om 17:00 uur naar de ouder gaan bij wie zij hun verjaardag vieren tot de volgende ochtend naar school dan wel tot 10:00 uur in geval van een vrije dag de dag na hun verjaardag.
Hoe oordeelt het hof?
5.13
Het verzoek van de vader om de zorgregeling te wijzigen op het moment dat de moeder verhuist naar [plaats1] , betreft, anders dan de moeder heeft aangevoerd, niet een zelfstandig verzoek dat voor het eerst in hoger beroep is gedaan. Het gaat hier om een vermeerdering (in hoger beroep) van de zelfstandige verzoeken van de vader in eerste aanleg. Het verzoek is toelaatbaar nu dit tijdig, dat wil zeggen als verzoek in incidenteel hoger beroep in het verweerschrift, is gedaan, het verzoek voldoende samenhang heeft met de oorspronkelijke verzoeken van de vader en het verzoek niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. [4]
5.14
Het hof zal het verzoek van de vader toewijzen. Op het moment dat de moeder in [plaats1] gaat wonen betekent dit dat de kinderen bij de huidige regeling acht nachten in de twee weken in [plaats1] zouden wonen en het centrum van het leven van de kinderen niet meer alleen in [woonplaats] is. Het hof heeft hiervoor overwogen dat dit niet in het belang van de kinderen wordt geacht. Een wijziging van de zorgregeling is nodig om ervoor te zorgen dat de huidige vertrouwde en stabiele woonsituatie en sociale omgeving van de kinderen zo veel mogelijk wordt bestendigd. Naar het oordeel van het hof is de door de moeder voorgestelde vakantie- en feestdagenregeling niet in het belang van de kinderen, want daarmee worden de vrije dagen die de kinderen met de vader kunnen doorbrengen ernstig beperkt en het is belangrijk dat de kinderen ook vrije tijd met de vader doorbrengen. Wel zullen de kinderen elke herfstvakantie bij de moeder verblijven, omdat de vader op de zitting heeft gezegd daarmee te kunnen instemmen. Verder acht het hof het ook in het belang van de kinderen dat zij, zoals de moeder heeft voorgesteld, hun verjaardag vieren in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader. Het hof zal daarbij bepalen dat beide kinderen bij de ouder zijn bij wie de verjaardag van één van de kinderen wordt gevierd.
5.15
Verder heeft de vader verzocht om te bepalen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben. De moeder heeft in haar beroepschrift gesteld dat zij “hoe dan ook” gaat verhuizen, ook als het hof bepaalt dat de kinderen niet mogen verhuizen. De kinderen zullen dus sowieso meer dan de helft van de tijd in [plaats1] verblijven wat de vader niet in hun belang vindt.
5.16
De moeder stelt zich op het standpunt dat een verhuizing binnen dezelfde regio geen zwaarwegende wijzigingsgrond oplevert voor het wijzigen van hoofdverblijfplaats van de moeder naar de vader. Sinds de scheiding hebben de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar. Zij is altijd degene geweest die alle praktische, organisatorische en dagelijkse zaken rondom de kinderen regelt.
Hoe oordeelt het hof?
5.17
Het hof zal ook dit verzoek van de vader toewijzen. Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat sprake is een gewijzigde omstandigheid die een herbeoordeling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen rechtvaardigt. Omdat de moeder duidelijk kenbaar heeft gemaakt aan het hof dat zij ook zonder toestemming van het hof gaat verhuizen naar [plaats1] , heeft het hof zoals hiervoor overwogen aanleiding gezien de zorgregeling te wijzigen op het moment dat de moeder daadwerkelijk gaat verhuizen. Door de nieuwe zorgregeling komt het zwaartepunt van de zorg bij de vader te liggen en daarom zal het hof de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader bepalen op het moment dat de moeder in [plaats1] woont.

6.De slotsom

in het principaal hoger beroep
6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het de beslissing over de verhuizing betreft, bekrachtigen.
in het incidenteel hoger beroep
6.2
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het de beslissing over de hoofdverblijfplaats, vernietigen en beslissen als hierna onder 7. vermeld.
6.3
Verder zal het hof de bestreden beschikking aanvullen voor zover het de zorgregeling betreft en beslissen als hierna onder 7. vermeld.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende:
in het principaal hoger beroep
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 27 augustus 2025, voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing;
in het incidenteel hoger beroep
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 27 augustus 2025, voor zover daarbij het verzoek van de vader over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is afgewezen en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt het aan de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 20 januari 2021 gehechte door de ouders op 12 december 2020 en 14 december 2020 ondertekende ouderschapsplan in die zin dat [de minderjarige1] , geboren [in] 2017 en [de minderjarige2] , geboren [in] 2018 bij de vader hun hoofdverblijfplaats hebben vanaf het moment dat de moeder in [plaats1] woont;
vult aan de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 27 augustus 2025, voor zover het de zorgregeling betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt het aan de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 20 januari 2021 gehechte door de ouders op 12 december 2020 en 14 december 2020 ondertekende ouderschapsplan in die zin, dat als regeling inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vanaf het moment dat de moeder in [plaats1] woont:
- in de even weken van maandagmiddag uit school tot en met donderdagochtend naar school bij de vader verblijven en van donderdagmiddag uit school tot en met vrijdagochtend naar school bij de moeder en van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader en
- in de oneven weken van maandagmiddag uit school tot en met donderdagochtend naar school bij de vader verblijven en van donderdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de moeder, waarbij de moeder zich dient te committeren aan speelafspraken, beoefening van sportactiviteiten, kinderfeestjes en overige sociale naschoolse activiteiten van de kinderen in [woonplaats] en waarbij de moeder het halen en brengen van de kinderen tussen [plaats1] en [woonplaats] voor haar rekening neemt;
- de vakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte verdeeld, met uitzondering van:
  • de herfstvakantie: dan verblijven de kinderen bij de moeder waarbij geldt dat het zorgmoment aanvangt op de laatste schooldag uit school voorafgaand aan de herfstvakantie tot de eerstvolgende schoolochtend naar school;
  • de verjaardagen van de kinderen: want de kinderen zullen in de oneven jaren bij moeder en in de even jaren bij vader hun verjaardag vieren, waarbij beide kinderen de middag voorafgaand aan de verjaardag van één van hen om 17:00 uur naar de ouder gaan bij wie zij hun verjaardag vieren tot de volgende ochtend naar school dan wel tot 10:00 uur in geval van een vrije dag de dag na hun verjaardag;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, P.B. Kamminga en E.H. Schijven-Bours, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.artikel 1:253a lid 2 BW.
3.artikel 1:253a lid 4 in samenhang met artikel 1:377e BW.
4.artikelen 362, 283 en 130 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.